Rechtbank Den Haag, 17-09-2026 (SGR 26/3857)
Verzoek om voorlopige voorzienining.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om verwijdering van zijn gegevens uit het Register Paspoortsignaleringen (registratie wegens betalingsachterstand DUO). De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang, het bestreden besluit is ook niet evident onrechtmatig. Verzoek afgewezen.
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/3857 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] ( [land] ), verzoeker en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO), verweerder (gemachtigde: mr. G.J.M. Naber). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn verzoek om verwijdering van zijn gegevens uit het Register Paspoortsignaleringen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Verzoeker heeft verweerder op 6 november 2025 verzocht om verwijdering van zijn gegevens uit het Register Paspoortsignaleringen. Omdat een beslissing op dit verzoek uitbleef, heeft verzoeker op 7 april 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op diezelfde datum gevraagd om het treffen van een voorlopige voorziening. 1.2. Verweerder heeft het verzoek om verwijdering met het besluit van 7 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 juli 2026 is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Verzoeker heeft vervolgens (inhoudelijke) beroepsgronden ingediend bij de rechtbank. 1.3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Canada. Hij heeft een aanvraag ingediend bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Toronto voor een nieuw Nederlands paspoort. Tijdens de behandeling van de aanvraag is gebleken dat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) de persoonsgegevens van verzoeker heeft opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Verweerder heeft de Nederlandse vertegenwoordiging laten weten geen bezwaren te hebben tegen de afgifte van een paspoort, mits deze een beperkte geldigheidsduur van twaalf maanden heeft in plaats van de gebruikelijke tien jaar. Dit paspoort is afgegeven op 28 januari 2026. Verzoeker is het niet eens met de registratie. Hij heeft verweerder verzocht om verwijdering uit het Register Paspoortsignaleringen, zodat aan hem alsnog een Nederlands paspoort met een reguliere geldigheidsduur kan worden afgegeven. Deze zaak gaat alleen over de vraag of het verzoek om voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Wat vindt verzoeker? 3. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om verwijdering. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid, niet deugdelijk gemotiveerd en de gevolgen ervan zijn bovendien onevenredig. Verweerder heeft volgens hem onvoldoende rekening gehouden met zijn individuele omstandigheden. Verzoeker heeft uitvoerig aangetoond dat hij geen inkomen heeft, geen betalingscapaciteit bezit, en hij niet in staat is om aflossingen te doen. Verweerder baseert het handhaven van de signalering uitsluitend op de hoogte van de openstaande schuld, aldus verzoeker. 3.1. Hij stelt verder dat de beperkte geldigheidsduur hem ernstig beperkt in zijn mogelijkheden om werk te vinden binnen de Europese Unie en in het verbeteren van zijn nijpende financiële situatie. Werkgevers, financiële instellingen en andere instanties beschouwen een paspoort met een zeer korte geldigheidsduur volgens hem vaak als een risico of als een aanwijzing dat er een probleem is met de status van de paspoorthouder. De aanwezigheid van zijn gegevens in het Register Paspoortsignaleringen vormt een voortdurende onzekerheid over zijn rechtspositie en zijn mogelijkheden om normaal gebruik te maken van zijn rechten als Nederlands staatsburger. De voortdurende signalering leidt bovendien tot reputatieschade en praktische problemen bij internationale identificatie en administratieve procedures. Verweerder heeft de gevolgen van het bestreden besluit voor verzoeker onvoldoende onderzocht. 3.2. Verzoeker wijst erop dat het nooit zijn bedoeling is geweest om zich aan zijn verplichtingen te onttrekken. Hij heeft steeds informatie verstrekt aan verweerder over zijn financiële situatie om zijn draagkracht vast te stellen. Inmiddels heeft verweerder zijn financiële situatie ook opnieuw beoordeeld en de betalingsverplichting voor de jaren 2025 en 2026 is vastgesteld op € 0,-. Oudere vorderingen zijn door verweerder afgeschreven wegens verjaring. Verweerder werpt hem ten onrechte tegen dat geen betalingsafspraak is gemaakt en dat daarom geen paspoort met een beperkte geldigheidsduur van 24 maanden kan worden afgegeven. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? Is sprake van een spoedeisend belang? 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De belemmeringen die verzoeker stelt te ervaren als gevolg van de registratie in het Register Paspoortsignaleringen heeft hij niet concreet dan wel aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoeker niet alleen de Nederlandse, maar ook de Canadese nationaliteit heeft. Bovendien heeft verzoeker niet alleen een Nederlands paspoort, maar ook een Nederlandse identiteitskaart, geldig tot 20 januari 2036. Dit betekent dat verzoeker ondanks de registratie in ieder geval naar Nederland kan afreizen en hij zich binnen de Europese Unie vrij kan bewegen en kan solliciteren naar werk. In dat opzicht wordt verzoeker in ieder geval niet belemmerd door de registratie in het Register Paspoortsignaleringen. Verzoeker heeft daarmee evenmin gewezen op onomkeerbare gevolgen van het bestreden besluit die maken dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Is het bestreden besluit evident onrechtmatig? 6. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaar- of bodemprocedure in stand zal blijven. 7. Verzoeker staat sinds 9 augustus 2024 gesignaleerd in het Register Paspoortsignaleringen, wegens het bestaan van een betalingsachterstand bij verweerder. Verweerder heeft de minister van Buitenlandse Zaken op 13 april 2026 laten weten dat de gronden voor de signalering nog steeds bestaan. Er is door verzoeker geen betalingsregeling getroffen, er zijn geen betalingen ontvangen, en de betalingsachterstand bedraagt inmiddels € 45.537,97. Het paspoort is desondanks na overleg tussen de minister van Buitenlandse Zaken en verweerder met een beperkte geldigheidsduur van 12 maanden afgegeven, met de bedoeling om verzoeker in staat te stellen zijn voornemen om vanuit Canada naar Nederland te emigreren te realiseren. 8. Verweerder heeft in deze procedure desgevraagd toegelicht dat verzoeker jarenlang zijn verplichtingen met betrekking tot het aflossen van de studieschuld niet is nagekomen, met als gevolg dat er een grote betalingsachterstand is ontstaan. Omdat vanuit verzoeker gedurende jaren geen enkele reactie is gekomen, zijn zijn gegevens uiteindelijk opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Vanaf dat moment is verzoeker pas gaan reageren, aldus verweerder. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om ook ten aanzien van de jaren 2019 tot en met 2024 relevante inkomensgegevens te overleggen. Indien deze gegevens zijn ontvangen, zal worden bezien of de draagkracht voor die jaren kan worden vastgesteld. Dit kan gevolgen hebben voor de opeisbare schuld. Omdat de opeisbare schuld op dit moment nog altijd ruim € 14.000,- bedraagt, ziet verweerder op dit moment geen aanleiding om de registratie te verwijderen. 9. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om verwijdering uit het Register Paspoortsignaleringen door verweerder evident onrechtmatig is. Of het bestreden besluit op goede gronden is genomen en het verzoek om verwijdering inderdaad terecht is afgewezen, zal inhoudelijk worden beoordeeld in de bodemprocedure. Conclusie en gevolgen 10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Beroep met zaaknummer SGR 26/ Artikel 22 van de Paspoortwet. Vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16179. Deze uitspraak ziet op het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend tegen de afgifte van een Nederlands paspoort met een beperkte geldigheidsduur van twaalf maanden door de minister van Buitenlandse Zaken op 28 januari 2026.