Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9900 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 24-07-2026 (12185987 EA VERZ 26-439)

Terecht gegeven ontslag op staande voet.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Werknemer heeft 20 diepvries muffins uit de winkel meegenomen zonder daarvoor te betalen. Hoewel zij enkele dagen later alsnog voor betaling heeft zorggedragen is niet aannemelijk geworden dat zij de intentie had de muffins af te rekenen en dit onbewust heeft nagelaten. Wel moet werkgever de door haar in rekening gebrachte gefixeerde onderzoekskosten van € 200,00 aan werknemer terug betalen nu de ‘Winkelspelregels’ waarin deze bepaling is opgenomen geen onderdeel zijn van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst en werkgever niet heeft onderbouwd dat deze (eenzijdig bepaalde) regel ook door werknemer is aanvaard.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 12185987 \ EA VERZ 26-439 Beschikking van 24 juli 2026 in de zaak van [werknemer] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, verweerster in het zelfstandige tegenverzoek, hierna te noemen: werknemer, gemachtigde: mr. M.L.A. Verleun, tegen de besloten vennootschap ALBERT HEIIJN B.V., gevestigd te Zaandam, verweerster, verzoekster in het zelfstandige tegenverzoek, hierna te noemen: werkgever, gemachtigde: mr. C.D. Rameckers. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Werknemer heeft bij verzoekschrift van 9 april 2026, met producties, een verzoek gedaan, dat primair strekt tot vernietiging van de opzegging van haar arbeidsovereenkomst, met een aantal nevenvorderingen. Subsidiair heeft werknemer verzocht haar ten laste van werkgever een billijke vergoeding toe te kennen, een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding, ook met nevenverzoeken. In beide gevallen heeft werknemer verzocht om werkgever te veroordelen haar persoonsgegevens te verwijderen uit een geautomatiseerd bestand met – kort gezegd – frauderende medewerkers (de zogenaamde referentielijst), op straffe van een dwangsom. Werkgever heeft een verweerschrift, met producties, ingediend en daarbij voorwaardelijk een zelfstandig tegenverzoek gedaan. Op 29 juni 2026 is de zaak mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig: werknemer in persoon bijgestaan door haar gemachtigde, en namens werkgever [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ), bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van werknemer mede aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald. In het inleidende verzoek en het voorwaardelijke zelfstandig tegenverzoek 1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het volgende: 1.1. Werknemer, geboren op [geboortedag] 1990, is op 22 juni 2009 in dienst getreden bij werkgever. De laatste functie die werknemer heeft vervuld, is die van [functie 3], op basis van een salaris van een salaris van € 16,60 bruto per uur bij een dienstverband van 48 uur per vier weken. Van de arbeidsovereenkomst maken ook deel uit ‘het handboek Personeel Albert Heijn BV’ en ‘de huisregels van Albert Heijn’. 1.2. Op enig moment is werkgever de ‘Ahold Delhaize Ethische Code’ en ‘Winkelspelregels’ gaan hanteren. In de Winkelspelregels is bepaald dat in het geval van fraude werkgever bij werknemer een bedrag van € 200,00 aan gefixeerde onderzoekskosten in rekening kan brengen. 1.3. Werknemer is werkzaam bij het supermarktfiliaal op [locatie]. 1.4. Naar aanleiding van een melding van het verdwijnen van een op de foodservice aangetroffen tas met diepvries muffins, is bij de heer [naam 1] , [functie 1] (hierna: [naam 1]) op 9 februari 2026 het vermoeden ontstaan dat werknemer de muffins heeft meegenomen uit de winkel zonder daarvoor te betalen. [naam 1] heeft die dag camerabeelden teruggekeken over de periode 25 januari 2026 tot en met 8 februari 2026. 1.5. De [functie 4], [naam 3], heeft verklaard: “ Op 4 februari liep ik tijdens mijn shift langs de broodafdeling. Hierbij heb ik gezien dat [werknemer] [werknemer, ktr] haar mandje met tas aan het vullen was met blueberry muffins. Dit was een kleine stevig tas van Albert Heijn. Wat opviel was dat de medewerker in haar vrijtijd achter de bedieningsafdeling items in een dichte boodschappentas deed. Ik heb nadat er navraag is gedaan door de manager servicemijn verhaal in word op papier gezet .” 1.6. Een medewerker van de [afdeling], [naam 4], heeft het volgende verklaard: “ Op 4 februari was ik aan het werk op de [afdeling] ([afdeling]) rond de middag kwam onze collega [werknemer] in haar vrijetijdskleding langs met een mand, met daarin een dichte boodschappentas, die was klaargezet op de balie. Omdat de tas was klaargezet bij de afdeling was ik benieuwd wat daar in zat. Het komt wel eens voor dat klanten hun tas of boodschappentas vergeten bij onze afdeling. Uit nieuwsgierigheid keek ik hier in, en zag ik dat de boodschappentas vol zat met diepvriesmuffins. Hoeveel het er waren he bik niet geteld. Toen [werknemer] terugkwam, en ik zag dat het haar tas was, reageerde zij geïrriteerd, met waarom je i n mijn tas kijkt. ” 1.7. Werkgever heeft werknemer op 9 februari 2026 voor een gesprek uitgenodigd. Tijdens dit gesprek heeft werknemer een handgeschreven verklaring afgegeven en ondertekend waarin staat vermeld: “ Sorry dat het gebeurt is maar ik heb niks te zeggen ”. 1.8. Van dit gesprek is een verslag opgesteld dat is ondertekend door de supermarktmanager [naam 5] (hierna: [naam 5]) en [naam 1]. In dit verslag staat opgenomen: “ De medewerker is gevraagd of ze wist waarom ze hier zat, en heeft direct aangegeven dat ze de muffins(…) niet had afgerekend, Deze zijn afgelopen zaterdag 7-2 alsnog afgerekend (Digitale bon laten zien). (…) Mdw heeft toegegeven en te weten dat het niet mag, pizza’s en broodjes mee te nemen, bloemen idem dito, echter enkel bloemen waarvan zij zegt dat deze bestemd waren voor afboekingen etc. Wij hebben haar vervolgens erop gewezen dat er beelden zijn van dat de medw bloemen inpakt en meeneemt die nog zeker goed zijn voor de verkoop, en eigenlijk net zijn aangevuld. De reactie van de medewerker is nuchter, en ze zegt noch bekennend noch ontkennend dat dit zo is. Medewerker gaf daarnaast aan sinds ze terug is van vakantie, pizza en broodjes mee te nemen zonder hiervoor te betalen. (…) ”. Dit gespreksverslag - dat is overlegd als productie 2 bij het verzoekschrift - is aan werknemer meegegeven. Na dit gesprek is werknemer geschorst. 1.9. Op 10 februari 2026 is werknemer telefonisch meegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen. In een brief van gelijke datum heeft [naam 5] het ontslag op staande voet aan haar bevestigd. In de brief staat - voor zover relevant - vermeld: “ Dit ontslag op staande voet volgt op een gesprek dat op 9 februari 2026 met jou is gevoerd. (…) De redenen van dit ontslag zijn - zoals tijdens het onderzoek is gebleken en door jou is toegegeven - dat je meermaals en over langere periode zonder toestemming - al dan niet afgeboekte - producten van Albert Heijn hebt meegenomen zonder voor deze producten te betalen. Hierdoor heb je Albert Heijn financieel benadeeld. Je hebt je ten onrechte niet gehouden aan de geldende gedragsregels en voorschriften van Albert Heijn, waaronder opgenomen in de Ahold Delhaize Ethische code en Winkelspelregels. Bovengenoemde redenen zijn dringende redenen voor Albert Heijn voor ontslag op staande voet. Het ontslag op staande voet zou ook verleend zijn als één van de bovengenoemde redenen, enkel een deel van de bovengenoemde redenen of een willekeurige andere combinatie van de bovengenoemde redenen zou zijn voorgevallen.(…). Je hebt Albert Heijn een dringende reden gegeven om jouw arbeidsovereenkomst op te zeggen. Hierdoor ben je schadeplichtig op grond van artikel 7:677lid 3 BW. De schadevergoeding is gelijk aan het loon over de voor jou geldende opzegtermijn. Albert Heijn zal de schadevergoeding verrekenen met de nog openstaande tegoeden. Ten slotte ben je op grond van de Winkelspelregels een bedrag van € 200,- aan gefixeerde onderzoekskosten verschuldigd. Wij bevestigen dat jouw persoonsgegevens gedurende een periode van 4 jaar worden opgenomen in een geautomatiseerd bestand, waarin gegevens zijn opgenomen van ex-medewerkers die frauduleuze handelingen hebben verricht bij Albert Heijn (de referentielijst). De referentielijst wordt ingezet met het oog op fraudepreventie en is alleen raadpleegbaar door de Albert Heijn Winkelorganisatie(…)”. 1.10. De gemachtigde van werknemer heeft zich op 10 maart 2026 namens werknemer tegen het ontslag op staande voet verzet en daarbij opgemerkt dat niet gebleken is dat de supermarktmanager namens werkgever bevoegd zou zijn tot het geven van een ontslag op staande voet. Verzoek 2. Werknemer verzoekt primair het ontslag op staande voet te vernietigen en werkgever te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 10 februari 2026 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd en eventuele looninhoudingen op loongerelateerde uitbetalingen in verband met de vermeende schade van werkgever aan werknemer terug te betalen, een en ander met nevenvorderingen. 3. Subsidiair heeft werknemer verzocht om werkgever te veroordelen tot betaling van: a) het loon tot en met 10 februari 2026; b) de gefixeerde schadevergoeding ter grootte van € 3.810,98; c) de transitievergoeding van € 5.275,76 bruto; d) een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter redelijk acht. 4. Primair en subsidiair heeft werknemer verzocht werkgever te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking de persoonsgegevens van werknemer te verwijderen van de referentielijst onder verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van werkgever in de kosten van het geding. 5. Aan deze verzoeken legt werknemer ten grondslag – kort weergegeven – dat het ontslag op staande voet niet bevoegd is gegeven, dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat voorzover er andere redenen dan het niet afrekenen van de muffins aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, deze gedragingen onvoldoende duidelijk zijn. Verweer en (voorwaardelijk) zelfstandige tegenverzoek 6. Werkgever verweert zich tegen het verzoek en verzoekt voorts voorwaardelijk - uitsluitend voor het geval de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 10 februari 2026 wordt vernietigd - de arbeidsovereenkomst tegen de eerst mogelijke datum te ontbinden, primair ex artikel 7:671b lid 1 sub a jo 7:669 lid 3 sub e (verwijtbaar handelen), subsidiair sub g (verstoorde arbeidsverhouding) of meer subsidiair sub i (combinatiegrond) Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en te verklaren voor recht dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld zodat zij geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van werknemer in de kosten van het geding. 7. Werkgever voert daartoe - kort gezegd - aan dat het ontslag het gevolg is van het ernstig verwijtbare gedrag van werknemer en dat haar dat ook is toe te rekenen. Werknemer heeft zich tegen het tegenverzoek verweerd. 8. Op de nadere standpunten van partijen zal - voor zover relevant - bij de beoordeling worden ingegaan. Beoordeling ten aanzien van het verzoek 9. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW is het verzoek van werknemer tijdig ingediend. 10. Allereerst heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet onbevoegd zou zijn gegeven. Werkgever heeft dit betwist door aan te voeren dat het bij haar vaste praktijk is dat de supermarktmanager bevoegd is tot het nemen van arbeidsrechtelijke beslissingen, waaronder het geven van een ontslag op staande voet. Nog daargelaten dat werknemer haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, is de keuze van werkgever aan wie zij welke bevoegdheden delegeert een interne aangelegenheid. Aan deze stelling van werknemer zal dan ook worden voorbij gegaan. 11. Vervolgens moet beoordeeld worden of er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Bij die beoordeling moeten volgens vaste jurisprudentie alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, de aard van de arbeidsovereenkomst, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals haar leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor haar zou hebben. 12. Het meenemen van producten uit de winkel zonder daarvoor te betalen levert - naar het oordeel van de kantonrechter - op zichzelf een dringende reden op die een ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Immers, met deze handelswijze heeft werknemer zich producten toegeëigend waarop zij geen aanspraak had en daarmee heeft zij werkgever benadeeld. 13. Uit de stukken is voldoende naar voren gekomen dat werknemer producten heeft meegenomen zonder daarvoor te betalen. Zo staat als onbetwist vast dat werknemer op 4 februari 2026 een twintigtal diepvriesmuffins ter waarde van € 33,80 uit de winkel heeft meegenomen zonder daarvoor te betalen. Werknemer heeft verklaard dat zij op haar vrije dag muffins ging halen, maar dat zij in de winkel met iemand aan de praat is geraakt waardoor er met het afrekenen van de muffins iets is misgegaan. 14. Door werknemer is aldus niet betwist dat zij op die dag muffins heeft meegenomen zonder daarvoor te betalen, maar zij heeft aangevoerd dat zij op haar eerstvolgende werkdag, te weten 7 februari 2026, alsnog een bedrag van € 33,80 voor 20 muffins heeft afgerekend. Dit verweer kan haar niet baten. Door werknemer is niet betwist dat het ging om diepvriesmuffins die nog niet voor de losse verkoop bestemd waren aangezien ze nog ontdooid moesten worden en voorzien van een sticker. Werknemer heeft ook niet betwist dat de muffins zonder sticker niet konden worden afgerekend. Door haar is ook niet toegelicht hoe zij van plan was die dag de (nog) niet voor de verkoop bestemde en ongestickerde muffins te gaan afrekenen, waardoor het niet aannemelijk is dat zij de intentie had de muffins af te rekenen. Daarnaast heeft te gelden dat als het niet afrekenen van de muffins op een onbewuste fout zou berusten, het voor de hand had gelegen dat werknemer alsnog direct voor betaling zou zorgdragen en niet hiermee zou wachten tot haar eerstvolgende werkdag die pas drie dagen later was. Toen ging binnen het filiaal al de ronde dat werknemer niet-afgerekende spullen had meegenomen. In ieder geval had zij - indien het werkelijk een onbewuste fout was geweest - hiervan ook uit eigener beweging melding moeten maken bij haar leidinggevende. Ook toen zij alsnog tot betaling overging, heeft zij hiervan geen melding bij haar leidinggevende gemaakt, terwijl dit wel van haar had mogen worden verwacht. Dat het onbewust is geweest, is hierdoor niet aannemelijk geworden. 15. Dit geldt te meer, nu werkgever heeft toegelicht dat zij bij diefstal door personeel een zero tolerance beleid hanteert en dit ook regelmatig aan het personeel communiceert. Werkgever heeft erop gewezen dat in het filiaal van [locatie] in 2025 al vier personeelsleden opstaande voet zijn ontslagen in verband met het niet afrekenen van producten, waaronder een bevriende collega van werknemer, en in 2026 naast het onderhavige geval ook nog een tweetal personeelsleden. Voor werknemer was het dan ook duidelijk dat werkgever het door haar gehanteerde zero tolerance beleid ook daadwerkelijk door haar wordt gehandhaafd, zoals werknemer ook niet heeft betwist. 16. Naar het oordeel van de kantonrechter is de onmiddellijke beëindiging van de dienstbetrekking door werkgever in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geweest. Gelet op de vele gevallen van diefstal waar werkgever mee te maken heeft, heeft werkgever een gerechtvaardigd belang bij het hanteren van een zero tolerance beleid. Dit beleid heeft zij kenbaar gemaakt aan haar personeel via intranet, maar ook door middel van het delen van de winkelspelregels in Whatsapp groepschats en posters in de winkels. Werknemer heeft ook niet betwist dat zij daarmee bekend was en ook uit het gespreksverslag van 9 februari 2026 blijkt dat werknemer wist dat ze geen producten mocht meenemen. 17. Geoordeeld wordt dat hiermee al sprake is van een dringende reden, en dat zij drie dagen later als nog het bedrag heeft afgerekend maakt dat niet anders. Daarmee behoeven de overige aangevoerde gronden (het meenemen van de bloemen en de broodjes en pizza’s) geen bespreking meer. 18. Werknemer heeft nog aangevoerd dat voor zover er sprake zou zijn van andere gedragingen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, deze verweten gedragingen onvoldoende onduidelijk zijn. Zoals hiervoor is overwogen, levert het “muffin incident” op zichzelf al een dringende reden op, zodat de overige incidenten geen bespreking meer behoeven. 19. De persoonlijke omstandigheden van werkneemster leiden ook niet tot een ander oordeel. Weliswaar is werknemer al 16 jaar in dienst, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd dat zij zich geen inkomen elders kan verwerven. En de belangen van werkgever bij het voorkomen van iedere vorm van diefstal door haar eigen personeel, wegen zwaar. 20. De kantonrechter is samenvattend van oordeel dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Dat betekent dat het verzoek van werknemer om vernietiging van dat ontslag moet worden afgewezen. Nu de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 10 februari 2026, zal ook het verzoek tot doorbetaling van loon, met nevenvorderingen worden afgewezen. 21. Werkgever heeft de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 jo lid 3 onder a BW, verrekend met de nog openstaande tegoeden van werknemer. Voornoemd artikel bepaalt dat een partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen schadeplichtig is, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Ook heeft werkgever een bedrag van € 200,00 aan gefixeerde onderzoekskosten verrekend met de openstaande tegoeden van werknemer. De kantonrechter begrijpt het verzoek van werknemer om werkgever te veroordelen tot betaling van het loon tot en met 10 februari 2026 zo, dat werknemer betaling vordert van de verrekende gefixeerde schadevergoeding en het verrekende bedrag van € 200,00 aan gefixeerde onderzoeks-kosten. Nu hiervoor is geoordeeld dat werknemer door schuld een dringende reden heeft gegeven, bestaat er voor werkgever aanspraak op deze schadevergoeding en was zij gerechtigd deze te verrekenen. Dit geldt niet voor het bedrag van € 200,00 aan gefixeerde onderzoekskosten, nu deze Winkelspelregels waarin deze bepaling is opgenomen geen onderdeel zijn van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst en werkgever niet heeft onderbouwd dat deze (eenzijdig bepaalde) regel ook door werknemer is aanvaard. Werkgever wordt om die reden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. 22. Subsidiair heeft werknemer onder meer verzocht om veroordeling van werkgever tot betaling van de transitievergoeding. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Werknemer heeft ook niet (separaat) onderbouwd dat hiervan in dit geval geen sprake zou zijn, waardoor er geen recht op de transitievergoeding bestaat. Dit verzoek wordt afgewezen. 23. Werknemer maakt voorts aanspraak op een billijke vergoeding en een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Hieraan legt werknemer ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Hiervoor is echter al geoordeeld dat het ontslag wel rechtsgeldig is, zodat ook deze verzoeken voor afwijzing gereed liggen. 24. Ook de verzochte verwijdering van de persoonsgegevens uit de referentielijst wordt afgewezen. De kantonrechter acht opname van deze gegevens in de referentielijst - die alleen door werkgever zelf te raadplegen is - een rechtvaardig belang van werkgever. 25. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, wordt werknemer veroordeeld in de kosten van het geding, gevallen aan de kant van werkgever in conventie. ten aanzien van het voorwaardelijk zelfstandig gedane tegenverzoek 26. Nu het primaire verzoek van werknemer tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, behoeft op het door werkgever onder die voorwaarde gedane verzoek niet beslist te worden. 26. Nu het tegenverzoek niet behoeft te worden behandeld, worden in dit verband ook geen proceskosten toegekend. BESLISSING De kantonrechter: In het verzoek en het tegenverzoek veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van een bedrag van € 200,00; veroordeelt werknemer in de kosten van deze procedure, aan de zijde van werkgever tot op heden begroot op € 577,00 aan salaris gemachtigde, voor zover verschuldigd inclusief btw; veroordeelt werknemer in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af; Deze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter en mr. E.J.E. van IJken als griffier, op 24 juli 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. 399.MVU