Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:13177 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 30-09-2026 (C/15/380054)

Oud wethouder heeft recht op uitkeringen onder de Appa wegens arbeidsongeschiktheid.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van de gemeente af, 5.2. veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. 1846

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

De gemeente heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten om de uitkeringen te dekken. Voor uitkeringen onder de verzekering is een medische machtiging van de oud wethouder nodig. Zij weigert om deze te geven. De gemeente vordert dat zij wordt geboden om de machtiging te verlenen en stelt dat sprake is van een OD. Oud wethouder beroept zich op artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.

Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/380054 / KG ZA 26-418 Vonnis van 30 september 2026 in de zaak van GEMEENTE LANDSMEER , te Landsmeer, eisende partij, hierna te noemen: de gemeente, advocaten: mr. H. Doornhof en mr. D.R. Kuijpers, tegen [gedaagde] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. M. Koolhoven. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 12 producties - de conclusie van antwoord met 11 producties - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 16 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen van mr. Kuijpers. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. De zaak in het kort [gedaagde] is voormalig wethouder van de gemeente. Begin 2023 is [gedaagde] afgetreden en arbeidsongeschikt gemeld. Als voormalig wethouder heeft [gedaagde] recht op een uitkering op grond van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers. Om de uitkeringen te dekken, heeft de gemeente een Collectieve Bestuurders Arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Centraal Beheer Achmea. Op basis van de polisvoorwaarden van deze verzekering moet de gemeente ervoor zorgen dat [gedaagde] Centraal Beheer Achmea toestemming geeft om haar medische gegevens op te vragen bij haar behandelaars. Centraal Beheer Achmea wil aan de hand van deze gegevens de mate van arbeidsongeschiktheid vaststellen en aan de hand daarvan de hoogte van de verzekeringsuitkeringen van de gemeente bepalen. [gedaagde] wil deze toestemming niet verlenen. De gemeente stelt dat [gedaagde] onrechtmatig handelt tegenover de gemeente door de toestemming te weigeren. Ook stelt de gemeente dat sprake is van een gerechtvaardigde inbreuk op het recht van [gedaagde] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en (medische) privacy in de zin van artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig handelt door de toestemming te weigeren. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat geen sprake is van een gerechtvaardigde inbreuk op het recht eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en (medische) privacy in de zin van artikel 8 EVRM en wijst de vorderingen van de gemeente af. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] is voormalig wethouder van de gemeente. Begin 2023 is [gedaagde] afgetreden en arbeidsongeschikt gemeld. Als gevolg van haar aftreden als wethouder had [gedaagde] op grond van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (hierna: Appa) tot twee jaar na haar aftreden recht op een uitkering. Omdat [gedaagde] arbeidsongeschikt is, behield zij na verloop van deze twee jaar recht op de uitkering. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de mate waarin [gedaagde] arbeidsongeschikt is verklaard. 2.2. Om de hoogte van de Appa-uitkering waar [gedaagde] recht op heeft vast te stellen, is op 4 januari 2025 een medisch onderzoek en op 15 januari 2025 in opdracht van de gemeente een arbeidsdeskundig onderzoek uitgevoerd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde]. Naar aanleiding van deze onderzoeken is een arbeidsongeschiktheidspercentage van 60,81% vastgesteld en is de hoogte van de Appa-uitkering van [gedaagde] aangepast. 2.3. De gemeente heeft een Collectieve Bestuurders Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de arbeidsongeschiktheidsverzekering) afgesloten bij Centraal Beheer Achmea (hierna: Centraal Beheer) om de uitkeringen te dekken die zij moet doen op grond van de Appa. De polisvoorwaarden van de arbeidsongeschiktheidsverzekering bepalen, voor zover van belang voor deze zaak: “ 1.2 Wat is verzekerd? Verzekerd is de loondoorbetalingsplicht bij arbeidsongeschiktheid voor verzekerde op grond van de AR en de APPA.  U verzekert de jaarlijkse wedde van verzekerde.  De verzekering is een schadeverzekering. - Wij passen de uitkering aan met de overige inkomsten van verzekerde tijdens de arbeidsongeschiktheid. - Dit doen wij op basis van de regels volgens de APPA. Een rekenvoorbeeld vindt u in hoofdstuk 5.4. Wij ondersteunen u.  Door re-integratie: wij helpen verzekerde zodat die zo snel mogelijk weer aan het werk kan. Meer uitleg vindt u in hoofdstuk 4. […] 4.4 Wie stelt de mate van arbeidsongeschiktheid vast? Wij stellen vast voor welk percentage de verzekerde arbeidsongeschikt is.  De verzekerde heeft daarover contact met de claimbehandelaar.  Wij gebruiken de rapporten van deskundigen die wij aanwijzen. […] 4.8 Wat zijn uw plichten als verzekerde arbeidsongeschikt is?  U zorgt dat verzekerde zo snel mogelijk naar een arts gaat. […]  U meldt het ons als de uitkeringsverplichting op grond van de APPA wijzigt.  […]  U zorgt dat verzekerde ons toestemming geeft om gegevens op te vragen. - Daarmee stellen wij de mate van arbeidsongeschiktheid vast of controleren we dit. - Daarmee bepalen we de hoogte van de uitkering.” 2.4. In april 2025 heeft Centraal Beheer [gedaagde] voor het eerst benaderd. Naar aanleiding van dit contact heeft [gedaagde] op 19 en op 23 april 2025 de medische en arbeidsdeskundige rapporten verstrekt aan Centraal Beheer op basis waarvan het arbeidsongeschiktheids-percentage van 60,81% was vastgesteld. 2.5. Bij brief van 5 juni 2025 verzoekt Centraal Beheer [gedaagde] om een machtiging te verlenen op grond waarvan voor een periode van zes maanden medische informatie bij haar huisarts, specialist of behandelaar kan worden opgevraagd. [gedaagde] heeft per e-mail van 6 juni 2025 vanwege de waarde die zij hecht aan haar privacy geweigerd om deze machtiging te verlenen. In dezelfde e-mail heeft zij aangegeven dat zij wel bereid is om haar medewerking te verlenen aan een beoordeling van haar medische situatie en voorgesteld om op een andere wijze informatie te verstrekken. Haar bezwaar is vooral gelegen in de duur van de machtiging (zes maanden). Centraal Beheer heeft de door [gedaagde] voorgestelde mogelijkheden van informatieverstrekking met haar e-mail van 3 juli 2025 afgewezen. In dezelfde e-mail heeft Centraal Beheer [gedaagde] nogmaals gevraagd om de machtiging te verlenen. Met haar e-mail van 4 juli 2025 heeft [gedaagde] Centraal Beheer gevraagd naar de wettelijke grondslag van dit verzoek en aangegeven dat zij zonder een wettelijke grondslag niet bereid was om medische informatie aan Centraal Beheer aan te leveren. Hierna heeft [gedaagde] nog een aantal keer met zowel Centraal Beheer als met de gemeente gecommuniceerd over manieren waarop [gedaagde] de medische informatie aan Centraal Beheer kan verstrekken. 2.6. Bij brief van 4 december 2025 bericht de gemeente aan [gedaagde] dat zij opnieuw zou worden onderzocht door een deskundige, die gezamenlijk door Centraal Beheer en de gemeente zou worden aangewezen. De gemeente schrijft in deze brief onder meer: “Op basis van artikel 133d van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers stellen wij een onderzoek in ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering. […] Het aanwijzen van één of meer geneeskundigen zal onder akkoordbevinding van Centraal Beheer Achmea plaatsvinden, ten einde te voldoen aan de polisvoorwaarden van de door de Gemeente Landsmeer afgesloten Bestuurders Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Centraal Beheer Achmea zal derhalve ook kennisnemen van de uitkomst(en) van het onderzoek.” 2.7. [gedaagde] heeft op 15 januari 2026 het spreekuur bezocht van de aangewezen verzekeringsarts en de verzekeringsarts inzage verleend in haar medische gegevens. De arts heeft [gedaagde] op basis van dit onderzoek volledig arbeidsongeschikt verklaard. Dit heeft weer geleid tot aanpassing van de hoogte van de Appa-uitkering van [gedaagde]. 2.8. [gedaagde] heeft het rapport van de verzekeringsarts op 10 februari 2026 ter beschikking gesteld aan Centraal Beheer. Op 10 maart 2026 heeft Centraal Beheer met een brief aan [gedaagde] laten weten dat de medisch adviseur van Centraal Beheer graag de stukken wil ontvangen die door de arts zijn meegenomen bij het opstellen van haar rapport. Bij deze brief is een aangepaste machtiging gevoegd voor het opvragen van de medische informatie die gebruikt is bij het rapport van het onderzoek van 6 januari 2026 en voor het opvragen van informatie bij de behandelaar van [gedaagde]. De machtiging heeft weer een geldigheidstermijn van zes maanden. 2.9. In die hierop volgende communicatie tussen partijen vraagt [gedaagde] een aantal keer om opheldering en stelt zij alternatieve manieren voor om Centraal Beheer te voorzien in de benodigde informatie, maar partijen komen niet tot een oplossing. 3 Het geschil 3.1. De gemeente vordert de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis in kort geding: 1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het door Centraal Beheer verlangde verzekeringsgeneeskundig onderzoek, zulks teneinde Centraal Beheer in staat te stellen de mate van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde] vast te stellen, waaronder in ieder geval begrepen: a. het volledig en zonder voorbehoud ondertekenen en retourneren van de door Centraal Beheer of haar medisch adviseur verlangde medische machtiging(en); b. het verlenen van ondubbelzinnige toestemming aan huisarts, behandelaars en overige betrokken zorgverleners om de voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid noodzakelijke medische informatie rechtstreeks te verstrekken aan de medisch adviseur van Centraal Beheer; c. het verschijnen op en meewerken aan afspraken met de door Centraal Beheer aangewezen verzekeringsarts(en); d. het verstrekken van alle in redelijkheid door Centraal Beheer of haar medisch adviseur gevraagde informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid; e. het overigens verrichten van alle handelingen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om Centraal Beheer in staat te stellen de mate van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde] vast te stellen; 2. [gedaagde] te bevelen zich te onthouden van ieder handelen of nalaten dat de uitvoering van het onder 1 bedoelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek belemmert, vertraagt of frustreert; 3. te bepalen dat [gedaagde] een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van € 2,500,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij in strijd handelt met het onder 1 en/of 2 gevorderde, met een maximum van € 100.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; 4. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan de gemeente van de schade die de gemeente heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat deze schadevordering zich in dit kort geding voor toewijzing leent, althans voor recht te verstaan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor die schade; 5. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis zijn voldaan; 6. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht. 3.2. De gemeente legt, samengevat, aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] door haar structurele weigering om de machtiging van Centraal Beheer te ondertekenen onrechtmatig handelt in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het recht van [gedaagde] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en (medische) privacy in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) kan niet als verweer worden gebruikt, omdat in dit specifieke geval sprake is van een gerechtvaardigde beperking in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, subsidiair dat de voorzieningenrechter het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de gemeente ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. De gemeente stelt dat de spoedeisendheid van de vordering blijkt uit het feit dat [gedaagde] door niet te werken het verzekeringsproces blokkeert. Deze blokkering kan ertoe leiden dat Centraal Beheer het recht op dekking stopzet. Ook kan de gemeente hierdoor geen gebruik maken van re-integratieondersteuning die de polis van de arbeidsongeschiktheidsverzekering biedt. [gedaagde] stelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat Centraal Beheer de dekking nog niet heeft geweigerd en omdat het financiële belang van deze zaak gering is in verhouding tot de totale begroting van de gemeente. 4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voldoende blijkt uit de aard van de vordering. Inhoudelijk 4.3. Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en (medische) privacy een fundamenteel recht is. Dit recht is neergelegd in onder andere artikel 8 EVRM. Een inbreuk op dit recht is in beginsel onrechtmatig, maar kan onder specifieke omstandigheden gerechtvaardigd zijn. De inbreuk moet in dat geval voorzien zijn bij wet en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om de in het artikel bedoelde doelen te verwezenlijken. Artikel 8 EVRM speelt in beginsel vooral in de verhouding tussen burgers en de overheid, maar wordt in de (nationale en internationale) rechtspraak ook toegepast in verhoudingen tussen burgers en bedrijven onderling. In deze zaak spelen beide verhoudingen. In de context van de verwerking van medische gegevens is daarnaast de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) belangrijk. Op grond van artikel 9 AVG geldt een verwerkingsverbod voor onder andere medische gegevens. Lid 2 van dit artikel geeft een aantal uitzonderingen op dit verbod. Een van deze uitzonderingen, opgenomen in artikel 9 lid 2 onder a AVG, houdt in dat de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de verwerking de (medische) persoonsgegevens. De toestemming moet op grond van artikel 4 lid 11 AVG vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig worden gegeven. 4.4. De gemeente stelt dat het recht van [gedaagde] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en (medische) privacy in dit specifieke geval niet van doorslaggevend belang is, en dat [gedaagde] in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelt tegenover de gemeente door doelbewust de uitvoering van een rechtsgeldige verzekeringsovereenkomst te frustreren. [gedaagde] wist of behoorde namelijk te weten dat de gemeente op grond van de Appa gehouden is tot doorbetaling van uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid van (voormalig) bestuurders. Het was voor [gedaagde] daarnaast kenbaar dat de gemeente zich had verzekerd tegen dit risico bij Centraal Beheer. Van een (voormalig) wethouder mag worden verwacht dat zij zich bewust is van de manier waarop publieke middelen worden beschermd, zoals in dit geval aan de hand van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de gemeente. Het is voor [gedaagde] ook duidelijk dat haar medewerking een essentiële en onmisbare voorwaarde vormt voor het functioneren van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en daarmee voor de bescherming van de financiële belangen van de gemeente. 4.5. Verder stelt de gemeente dat de gevraagde machtiging een gerechtvaardigde inbreuk is op artikel 8 EVRM. De inmenging is volgens de gemeente bij de wet voorzien. De verplichting tot het geven verlenen van de machtiging vloeit namelijk voort uit het verzekeringsrecht, de toepasselijke polisvoorwaarden en het algemeen aanvaarde functioneren van verzekeringsmechanismen. Ook is de inmenging noodzakelijk in een democratische samenleving, omdat medische beoordeling een essentieel en onmisbaar onderdeel vormt van het functioneren van het arbeidsongeschiktheidsverzekeringsstelsel. Daarnaast dient de beperking een legitiem doel, in het bijzonder de bescherming van het contractuele verzekeringsrecht van de gemeente die premie betaalt om het financiële risico van arbeidsongeschiktheid af te dekken. Dat belang weegt in dit geval zwaarder omdat het om publieke middelen gaat. Alternatieve, minder ingrijpende beoordelingsmethoden zijn in dit geval onvoldoende om het verzekerde risico objectief vast te kunnen stellen. De verwerking en verstrekking van de medische gegevens is beperkt tot wat noodzakelijk is voor de beoordeling van de verzekeringsaanspraak en vindt plaats binnen een duidelijk afgebakend kader, waarbij uitsluitend bevoegde personen toegang hebben tot de relevante informatie. Het recht op vertrouwelijkheid van medische en persoonlijke informatie is gewaarborgd, omdat de medische beoordeling plaatsvindt door onafhankelijke, beroepsgebonden deskundigen voor wie een medisch beroepsgeheim geldt. 4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig handelt door de door Centraal Beheer gevraagde machtiging niet te verlenen. Er bestaat geen (wettelijke) plicht voor [gedaagde] om deze machtiging aan Centraal Beheer te verlenen. De door de gemeente afgesloten verzekeringsovereenkomst geldt alleen tussen de gemeente en Centraal Beheer. De enige verplichting die [gedaagde] in dit kader heeft, volgt uit artikel 133d Appa. Op grond van dit artikel moet [gedaagde] zich jaarlijks laten onderzoeken door een of meer door de gemeente aangewezen geneeskundigen om vast te kunnen stellen of en in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid. Vaststaat dat [gedaagde] aan deze verplichting heeft voldaan. Zoals [gedaagde] tijdens de zitting heeft aangevoerd, heeft de gemeente ervoor gekozen om een verzekering met deze polisvoorwaarden af te sluiten. Dat de gemeente op grond van deze polisvoorwaarden voor het verkrijgen van dekking onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering afhankelijk is van de toestemming van [gedaagde], komt dan ook voor rekening en risico van de gemeente. Dat de uitkeringen onder de Appa worden gedaan met publieke middelen en [gedaagde] als voormalig wethouder een zwaardere maatschappelijke zorgvuldigheid in acht moet nemen ten aanzien van de besteding van die middelen, zoals de gemeente betoogt, betekent niet dat [gedaagde] de zeggenschap over haar medische gegevens moet prijsgeven en zich moet committeren aan de polisvoorwaarden. Bovendien heeft [gedaagde], ondanks dat zij hiertoe niet verplicht was, op verschillende manieren geprobeerd om Centraal Beheer op alternatieve manieren tegemoet te komen. Vast staat ook dat zij heeft meegewerkt aan een (her)keuring door een mede door Centraal Beheer aangestelde verzekeringsarts en dat zij deze arts inzage heeft gegeven in haar medisch dossier. Ook hieruit blijkt dat [gedaagde] voldoende oog heeft voor het belang van de gemeente en dat zij niet maatschappelijk gezien onzorgvuldig handelt. 4.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de polisvoorwaarden geen grondslag voor een gerechtvaardigde inbeuk op het door artikel 8 EVRM beschermde privéleven van [gedaagde], alleen al niet omdat de inmenging niet bij wet is voorzien. Zoals hiervoor overwogen bestaat er geen (wettelijke) plicht voor [gedaagde] om de machtiging te verlenen aan Centraal Beheer. Het belang van de gemeente bij nakoming van de polisvoorwaarden is van onvoldoende gewicht om [gedaagde] de zeggenschap over haar medische gegevens te ontnemen. Ook heeft [gedaagde] er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 15 januari 2026 heeft geleid tot een inhoudelijk medisch oordeel en tot aanpassing van het arbeidsgeschiktheidspercentage van [gedaagde] en de daarmee samenhangende hoogte van haar Appa-uitkering. Er kan dus niet worden gesteld dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van [gedaagde] zonder de verlangde machtiging, en dus op een minder vergaande manier niet mogelijk is. [gedaagde] kan zich in deze situatie bovendien beroepen op artikel 9 AVG, waaruit ook volgt dat haar toestemming nodig is voor de verwerking van haar medische gegevens door Centraal Beheer. De zeggenschap ligt dus bij [gedaagde] en kan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet door een contractuele afspraak tussen de gemeente en Centraal Beheer worden weggenomen. 4.8. De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 341,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.707,00 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van de gemeente af, 5.2. veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. 1846