# Rechtbank Den Haag, 07-09-2026 (SGR 26/1169)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:29507
- Date: 2026-09-07
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A29507
- Canonical: https://overview.legal/posts/599246

## Summary

Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft een verzoek gedaan op grond van de Woo en op grond van de AVG. Verweerder heeft beide verzoeken buiten behandeling gesteld, omdat verzoekster zich niet heeft geïdentificeerd. Geen spoedeisend belang. Het bestreden besluit is niet evident onrechtmatig. Verzoek afgewezen.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1169 uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerder (gemachtigde: mr. J.R. Bekink). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing van 13 april 2026 waarbij verweerder het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2025 (buitenbehandelingstelling verzoeken op grond van de AVG en de Woo ) ongegrond heeft verklaard. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Verzoekster heeft op 21 november 2025 een verzoek gedaan op grond van de Woo en op 4 december 2025 een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Verweerder heeft beide verzoeken met het besluit van 24 december 2025 buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 13 april 2026 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de buitenbehandelingstelling van de verzoeken gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoekster heeft op 21 november 2025 op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van – samengevat weergegeven – alle documenten die betrekking hebben op het dossier en de besluitvorming rondom de bijstandsuitkering van verzoekster, de beëindiging daarvan, en de communicatie daarover tussen de gemeente Oegstgeest en het UWV. Op 4 december 2025 heeft verzoekster verduidelijkt dat zij niet verzoekt om openbaarmaking voor eenieder, maar uitsluitend aan haarzelf, nu de informatie verzoekster zelf betreft. Zij doet op die datum ook een verzoek op grond van de AVG. Omdat verzoekster zich niet heeft geïdentificeerd, heeft verweerder de verzoeken bij besluit van 24 december 2025 buiten behandeling gesteld. Deze uitspraak gaat alleen over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster is het niet eens met het buiten behandeling stellen van haar verzoeken. Volgens verzoekster is haar identiteit al bekend bij verweerder. Zij staat namelijk sinds 2021 ingeschreven als ingezetene in de Basisregistratie personen van de gemeente. Zij is bekend bij diverse gemeentelijke afdelingen en er lopen verschillende juridische procedures tegen de gemeente. Zij stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van haar verzoek. Haar verzoeken op grond van de Woo en AVG stonden langdurig open en de verdere inhoudelijke behandeling wordt geblokkeerd. Haar recht op tijdige inzage en informatie wordt hiermee illusoir. Volgens verzoekster bestaat een reëel risico dat de gevraagde gegevens worden gewijzigd, verwijderd, of anderszins aan haar bereik worden onttrokken naarmate de tijd verstrijkt. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? Is sprake van een spoedeisend belang? 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. 4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter merkt op dat een Woo-verzoeker bij het indienen van het Wooverzoek geen belang hoeft te stellen. De wet zelf onderstreept het belang van een spoedige openbaarmaking. Van een spoedeisend belang bij de behandeling van het onderhavige verzoek is de voorzieningenrechter echter niet gebleken. Dat een reëel risico bestaat dat de gevraagde gegevens worden gewijzigd of verwijderd kan niet zonder meer worden gevolgd. Verweerder is inmiddels gehouden om informatie die onder hem berust te bewaren conform de geldende wet- en regelgeving. Is het bestreden besluit evident onrechtmatig? 5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand kan blijven. 5.1. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de Woo draagt verweerder zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van verzoekster. Gelet op artikel 12, zesde lid, van de AVG kan verweerder om aanvullende informatie vragen die nodig is ter bevestiging van de identiteit van betrokkene, wanneer hij redenen heeft om te twijfelen aan de identiteit van betrokkene. Het bestuursorgaan heeft beleidsruimte ten aanzien van de wijze waarop hij de identiteit van de verzoeker wil vaststellen. Enerzijds moet de identiteitsvaststelling deugdelijk zijn. Anderzijds mag het vaststellen van de identiteit niet zo belemmerd worden dat daarmee afbreuk aan het recht wordt gedaan. Als het niet mogelijk is om de identiteit van de verzoeker met een kopie van een identiteitsbewijs of andere stukken deugdelijk vast te stellen, kan de verzoeker worden gevraagd om persoonlijk langs te komen bij een vestiging van het bestuursorgaan. Dit mag echter niet standaard worden vereist. 5.2. Gelet op de bepalingen in de Woo moet verweerder de identiteit van verzoekster deugdelijk vaststellen. Van verzoekster mag daarom in beginsel worden verlangd dat zij zich op het stadhuis of via DigiD identificeert. Verweerder heeft al in de e-mail van 8 december 2025 te kennen gegeven dat verzoekster zich kan komen identificeren op het stadhuis of via DigiD. Verzoekster stelt – alhoewel niet gestaafd met stukken – dat zij zich niet fysiek kan komen identificeren gelet op gezondheidsklachten. Zij heeft echter niet toegelicht waarom het voor haar niet mogelijk is om zich te identificeren via DigiD. 5.3. Verweerder heeft er verder op gewezen dat verzoekster in het kader van verschillende procedures is uitgenodigd voor gesprekken, en dat verzoekster steeds niet is verschenen. Op geen van de uitnodigingen is verzoekster ingegaan. In één van de hoorzittingen in bezwaar (in het kader van de wijziging van de bijstandsuitkering) was verzoekster digitaal, maar niet zichtbaar, aanwezig. Ook telefonisch is verzoekster slecht tot niet bereikbaar. Dat verweerder om informatie vraagt die nodig is ter bevestiging van de identiteit van verzoekster, acht de voorzieningenrechter gelet op het gebrekkige contact met verzoekster op het eerste oog niet onredelijk. Overigens heeft verzoekster ook niet gereageerd op de vraag van de rechtbank of zij op zitting wil worden gehoord. 5.4. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat het buiten behandeling stellen van het AVG- en Woo-verzoek omdat verzoekster zich niet deugdelijk heeft geïdentificeerd, niet evident onrechtmatig is. Conclusie en gevolgen 6. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Wet open overheid. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2026 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Beroep met zaaknummer SGR 26/4192. Artikel 5.5 van de Woo.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/599246 · 2026-10-16
