# Rechtbank Amsterdam, 24-09-2026 (13-179816-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9772
- Date: 2026-09-24
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9772
- Canonical: https://overview.legal/posts/599253

## Summary

Vervolgings-EAB Belgie; artikel 2: verweer op de genoegzaamheid verworpen; artikel 6 OLW: terugkeergarantie; artikel 11 OLW: CPT-rapport van 8 september 2026 geeft geen aanleiding tot uitbreinding van het algemene gevaar; overlevering toestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-179816-26 Datum uitspraak: 24 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 13 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juni 2026 (gecorrigeerd op 18 juni 2026) door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. R.H. Lagerweij, advocaat in Hoofddorp. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 18 juni 2026 met kenmerk 2026/051, afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht s trafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden, omdat het EAB niet genoegzaam is. Uit het EAB blijkt niet duidelijk van hoeveel strafbare feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht. Daarnaast wordt de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon nergens in het feitencomplex omschreven. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om aanvullende informatie op te vragen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het EAB in combinatie met het A-formulier voldoet aan alle vereisten van artikel 2 OLW. De rol van de opgeëiste persoon is ook genoemd, namelijk die van dader. Ten aanzien van het feitencomplex blijkt dat het gaat om één strafbaar feit met drie Belgische kwalificaties. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. Het EAB vermeldt dat de overlevering wordt verzocht voor het veroorzaken van een ontploffing in Antwerpen op 15 mei 2026. In het A-formulier staat vermeld (in rubriek 45, mate van betrokkenheid) dat de opgeëiste persoon als dader van het strafbare feit beschouwd wordt. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon hierbij betrokken zou zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, zodat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Dat onderdeel e) van het EAB voorts drie kwalificaties naar Belgisch recht vermeldt, maakt dat niet anders, gelet op de genoegzame omschrijving. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 4 Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; opzettelijke brandstichting. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Parket van de procureur des Konings heeft op 4 augustus 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 83 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Bij brief van 13 augustus 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven: 1 In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Er zouden volgens het nieuwe rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 8 september 2026 maatregelen genomen zijn om de overbevolking, een hardnekkig en voortdurend probleem in Belgische gevangenissen, te beperken, maar het CPT heeft vastgesteld dat de gevangenispopulatie blijft toenemen. Ook slaapt een toenemend aantal gevangenen op de grond en beschikken ze over minder dan vier vierkante meter persoonlijke ruimte. Het CPT beschrijft de problemen als langdurig en structureel. De verslechterende gevangenisomstandigheden zorgen op deze manier voor een onmenselijke en vernederende behandeling. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport van het CPT van 8 september 2026 geen reden vormt tot uitbreiding van het reeds aangenomen algemene gevaar van een schending van grondrechten. De individuele detentiegarantie volstaat ten aanzien van de opgeëiste persoon. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het nieuwe rapport van het CPT van 8 september 2026 het al aangenomen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de algemene detentieomstandigheden in België, waaronder met name de overbevolking en grondslapers in de gevangenissen, bevestigt. De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 13 augustus 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). De rechtbank ziet in het nieuwe CPT-rapport naar aanleiding van deze zaak geen aanleiding om het algemene gevaar uit te breiden of te concluderen dat de afgegeven individuele detentiegarantie niet meer volstaat. De rechtbank verwerpt het verweer en wijst het verzoek tot aanhouding af. 7 Overdracht van het in beslag genomen voorwerp Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om in het geval van een weigering van de overlevering de in beslag genomen telefoon terug te geven. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om ook in het geval van overlevering de telefoon terug te geven nu onduidelijk is hoe de inbeslagname in België de strafvordering kan dienen. Dit belang wordt namelijk niet duidelijk uit het feitencomplex. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering van de telefoon van de opgeëiste persoon absoluut noodzakelijk is om de rol van de opgeëiste persoon bij het strafbare feiten te kunnen onderzoeken. Oordeel van de rechtbank Artikel 49 OLW regelt de mogelijkheid van inbeslagname van voorwerpen die in het bezit van de opgeëiste persoon worden aangetroffen op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het gaat daarbij volgens de wetgever om voorwerpen ‘die als bewijsstuk kunnen dienen’ of ‘van het strafbare feit afkomstig zijn’ (NV II, Kamerstukken II 2003/04, 29042, 12, p. 36). Artikel 50, tweede lid, OLW bepaalt dat het voor afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moet gaan om voorwerpen die de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen. De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in onderdeel g) van het EAB heeft verzocht om inbeslagneming van de mobiele telefoon van de opgeëiste persoon, omdat dit mogelijk een bewijsmiddel is. De officier van justitie heeft ter zitting de rechtbank verzocht te beslissen tot afgifte van de in beslag genomen telefoon aan de Belgische autoriteiten. De rechtbank acht het verzoek van de officier van justitie voldoende onderbouwd, aangezien de in beslag genomen mobiele telefoon kan dienen als bewijs en dus de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kan dienen. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot afgifte van de in beslag genomen mobiele telefoon toe. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. Hieruit volgt dat ook de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de afgifte van het in beslag genomen voorwerp aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: - Apple iPhone zwart (goednummer PL1700-2026248023-7182998). Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU van 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/599253 · 2026-10-16
