Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:29399 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 30-09-2026 (SGR 25/997)

Wlz, Blz. Beroep gegrond. Strikte toepassing van artikel 3.3.1.5, tweede lid, van het Blz leidt onder de gegeven omstandigheden tot een voor eiseres onredelijke uitkomst.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 19 februari 2024;

- gelast dat het CAK het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Het CAK had in redelijkheid niet tot het factureren van de eigen bijdrage mogen overgaan over de periode dat eiseres het pgb nog niet kon inzetten voor zorg.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/997 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het Centraal Administratie Kantoor, het CAK (gemachtigde: mr. S.J.Y. Römer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de eigen bijdrage voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens met het in rekening brengen van de eigen bijdrage voor het persoonsgebonden budget (pgb) over de periode van 14 december 2023 tot en met 29 februari 2024. Zij voert daartoe in de kern aan dat het pgb pas in mei 2024 beschikbaar kwam. De rechtbank komt in de uitspraak tot de conclusie dat het beroep gegrond is omdat het in dit specifieke geval niet redelijk is om van eiseres over de genoemde periode een eigen bijdrage te vragen. Procesverloop 2. Met de factuur van 19 februari 2024 heeft het CAK de eigen bijdrage voor zorg op grond van de Wlz voor de periode van 14 december 2023 tot en met 29 februari 2024 bij eiseres in rekening gebracht. 2.1. Met het bestreden besluit van 10 januari 2025 heeft het CAK het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CAK. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft aan eiseres een indicatie voor zorg vanuit de Wlz afgegeven. Op grond van die indicatie heeft eiseres met ingang van 14 december 2023 recht op zorg. De zorg is verleend in de vorm van een pgb. 3.1. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft het CAK de eigen bijdrage met ingang van 14 december 2023 vastgesteld op een bedrag van € 808,60 per hele maand. Met de factuur van 19 februari 2024 heeft het CAK de eigen bijdrage voor de periode van 14 december 2023 tot en met 29 februari 2024 bij eiseres in rekening gebracht. Het gaat om een totaalbedrag van €2.239,31. 3.2. Het CAK heeft aan het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen de factuur ongegrond is verklaard, ten grondslag gelegd dat hij heeft mogen afgaan op de informatie die het Zorgkantoor VGZ (het zorgkantoor) heeft verstrekt. Uit de verstrekte informatie blijkt dat eiseres met ingang van 14 december 2023 recht heeft op Wlz-zorg in de vorm van een pgb. Daarom is eiseres vanaf die datum de eigen bijdrage verschuldigd. Daarbij is volgens het CAK niet van belang dat de uitkering van het pgb mogelijk pas op een later moment is geëffectueerd. Eiseres heeft niet aangetoond dat er sprake is van een kennelijke fout op grond waarvan het CAK niet had mogen afgaan op de door het zorgkantoor verstrekte informatie. Wat vindt eiseres? 4. In beroep voert eiseres aan dat de ingangsdatum van de eigen bijdrage niet juist is, omdat zij in de periode van 14 december 2023 tot en met 30 april 2024 geen pgb heeft ontvangen. Met de brief van 27 december 2023 kreeg eiseres in beginsel het groene licht voor de pgb-aanvraag, maar deze is pas per 1 mei 2024 geïmplementeerd. De vertraging is volgens eiseres ontstaan door verkeerde adviezen en begeleiding van het zorgkantoor en problemen met het DigiD-systeem. Om die reden acht eiseres het onredelijk en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur dat de eigen bijdrage moet worden betaald over de periode waarin het pgb nog niet tot uitbetaling was gekomen. Wat oordeelt de rechtbank? 5. De rechtbank stelt voorop dat een factuur als hier in het geding volgens vaste rechtspraak een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze een individuele en concrete betalingsverplichting in het leven roept, en gebaseerd is op een publiekrechtelijke regeling . Die regeling is in dit geval de Wlz en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften. 6. Ter beoordeling staat of het CAK terecht een eigen bijdrage in rekening heeft gebracht over de periode van 14 december 2023 tot en met 29 februari 2024. 6.1. Op grond van artikel 3.2.5, eerste lid, van de Wlz kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot geding kan worden gebracht als de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. Deze verplichting tot het betalen van een eigen bijdrage is vastgelegd in artikel 3.3.1.1 van het Besluit langdurige zorg (Blz). De eigen bijdrage wordt vastgesteld op basis van het inkomen en het vermogen van de verzekerde. Het CAK is op grond van artikel 6.1.2, onder a, van de Wlz belast met de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage. 6.2. Op grond van artikel 9.1.2, eerste lid, onder g, van de Wlz, verstrekken de Wlz-uitvoerders, zorgaanbieders, het CAK en het CIZ elkaar kosteloos de persoonsgegevens van de verzekerde, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor (onder meer) de vaststelling en de inning van eigen bijdragen door het CAK, bedoeld in artikel 3.2.5 van de Wlz. 6.3. Op grond van artikel 3.3.1.5, tweede lid, van het Blz is de eigen bijdrage verschuldigd met ingang van de eerste maand waarover een pgb is verleend. Uit de Nota van Toelichting bij een wijzigingsbesluit van het Blz volgt ten aanzien van voornoemd artikellid dat voor het vaststellen van de startdatum van de eigen bijdrage, de ingangsdatum van de toekenningsbeschikking voor de Wlz leidend is. In een dergelijke toekenningsbeschikking beslist het zorgkantoor of aan de belanghebbende een pgb wordt toegekend en met welke ingangsdatum. Het zorgkantoor verstrekt de gegevens over de ingangsdatum op grond van artikel 3.3.1.3, vierde lid, onder b, van het Blz ook aan het CAK. 6.4. Het CAK gaat bij het vaststellen van de eigen bijdrage af op de gegevens die het zorgkantoor aanlevert. Uit vaste rechtspraak volgt dat het CAK op basis van het wettelijk systeem in beginsel af mag gaan op de verstrekte gegevens die de zorgaanbieder en het zorgkantoor over de verleende zorg verstrekken . De verantwoordelijkheid van het CAK is in dat stadium in zoverre beperkt tot het juist overnemen en verwerken van de verstrekte gegevens. In dit geval is niet gebleken dat het CAK van onjuiste gegevens van het zorgkantoor over de ingangsdatum van het pgb is uitgegaan. 6.5. De regels in het Blz over de vaststelling en de berekening van de eigen bijdrage zijn dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Het bestreden besluit berust dus op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van dit algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is . De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Hierbij is het volgende van belang. 6.6. Bij toekenningsbeschikking van 14 december 2023 is aan eiseres een indicatie op grond van de Wlz toegekend. Niet in geschil is dat eiseres per genoemde datum aanspraak had op zorg in de vorm van een pgb. Op grond van artikel 3.3.1.5, tweede lid, van het Blz, zo stelt het CAK terecht, geldt deze datum in beginsel als startdatum voor de eigen bijdrage. Normaliter zal vanaf die datum het pgb kunnen worden ingezet om gecontracteerde zorg uit te kunnen betalen. In dit geval staat vast dat de door eiseres in beroep geschetste omstandigheden, waaronder een gebrekkige begeleiding door, en onjuist advies van het zorgkantoor, er toe hebben geleid dat pas op of omstreeks 1 mei 2024 sprake was van een goedgekeurde zorgovereenkomst met een zorgverlener, en dat toen pas het pgb kon worden ingezet om de zorgverlener(s) te betalen. Dit ondanks het feit dat in het kader van de aanvraag tijdens het zogeheten bewuste keuzegesprek met het zorgkantoor 14 december 2023 als ingangsdatum van het pgb was overeengekomen. Hoewel dit niet aan het CAK kan worden tegengeworpen - het zorgkantoor beoordeelt immers of iemand een pgb kan krijgen en dient ervoor te zorgen dat het zo spoedig mogelijk wordt geïmplementeerd opdat de zorgverleners door de sociale verzekeringsbank (Svb) kunnen worden betaald - is het gevolg van de gang van zaken geweest dat eiseres in de periode in geding (en mogelijk ook in de twee maanden daarna) het toegekende pgb nog niet heeft kunnen inzetten voor het inkopen van zorg. Naar het oordeel van de rechtbank leidt strikte toepassing van artikel 3.3.1.5, tweede lid, van het Blz onder de gegeven omstandigheden tot een voor eiseres onredelijke uitkomst. Het pgb was immers weliswaar in juridische zin “verleend” maar feitelijk voor eiseres nog niet beschikbaar. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het onredelijk dat eiseres al moet bijdragen in de (maatschappelijke) kosten van langdurige zorg. Het CAK had daarom in redelijkheid niet tot het factureren van de eigen bijdrage over de periode van 14 december 2023 tot en met 29 februari 2024 mogen overgaan. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit (de factuur van 19 februari 2024) te herroepen. Hieruit volgt dat eiseres deze niet hoeft te betalen, dan wel (indien reeds was betaald) dat het CAK het door eiseres reeds betaalde bedrag dient te restitueren. 8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel dient het CAK het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit van 19 februari 2024; - gelast dat het CAK het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Vrusch, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 november 2004, (ECLI:NL:RVS:2004:AR5084). Nota van Toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Blz en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, Stb. 2019, 319, p. 15. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1604. Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1060.