Rechtbank Gelderland, 07-10-2026 (ARN 25/4147)
Omgevingsvergunning woning.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Omvang van het geding. Bestemmingsplan kent geen afstandsmaat tot zijdelingse perceelsgrens. Woning wordt binnen het bouwvlak gebouwd. Bestemmingsplan niet onverbindend.
Full text
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/4147 en ARN 25/4148 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaken tussen [eiser 1 [a] en [eiser 1 [b] , eisers 1(ARN 25/4147) [eiser 2 [a] en [eiser 2 [b] , eisers 2 (ARN 25/4148) allen uit [plaats 1] , gezamenlijk: eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld (gemachtigde: [gemachtigde] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon] uit [plaats 2] . Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een woning. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft op 6 februari 2025 de omgevingsvergunning verleend. Met de beslissing op bezwaar van 6 augustus 2025 is het college bij dat besluit gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college. 2.3. Na het sluiten van het onderzoek hebben eisers afzonderlijk van elkaar op 31 augustus 2026 nadere stukken ingediend. De rechtbank ziet in deze stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. De derde-partij heeft op 22 november 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning aan de [adres 1] in [plaats 1] . De aanvraag ziet op de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’. 3.1. Op het perceel is het omgevingsplan gemeente Barneveld van toepassing. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden. Voor 1 januari 2024 was op het perceel het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” van toepassing. Het perceel had de bestemmingen “Wonen – 1” en “Tuin” en de gebiedsaanduidingen “overige zone – voorwaardelijke verplichting 1” en “overige zone – ontplofbare oorlogsresten”. 3.2. Uit artikel 4.2.1. van de planregels volgt dat een woning uitsluitend gebouwd mag worden binnen het bouwvlak. De bouwhoogte mag maximaal 9 meter bedragen en de goothoogte maximaal 4 meter. Volgens het college voldoet de woning aan de regels van de bestemming “Wonen – 1”. 3.3. Voor de gebiedsaanduiding “overige zone – voorwaardelijke verplichting 1” geldt dat het gebruik van de woning alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na het inwerkingtreden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning, de gronden binnen de bestemming “Wonen - 1” zijn ingericht en ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan en het beheersplan, zoals opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. 3.4. Voor de gebiedsaanduiding “overige zone – ontplofbare resten” geldt dat in beginsel niet gebouwd mag worden. Het college kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bouwverbod, als uit een door de gemeente goedgekeurd onderzoek van een deskundige blijkt dat in het gebied geen ontplofbare oorlogsresten meer aanwezig zijn. Dat is volgens het college het geval. 3.5. Het college heeft op 6 februari 2025 de omgevingsvergunning verleend. Het college heeft, voor zover relevant, het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden: “Voorwaardelijke verplichting Ter plaatse van de aanduiding ‘Overige zone – voorwaardelijke verplichting 1’ geldt – in afwijking van de daar geldende bestemming(en) – dat het gebruik volgens de bestemming(en) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na het inwerkingtreden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning, zoals bedoeld in artikel 4, de gronden binnen deze bestemming zijn ingericht en vervolgens ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan en beheersplan. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze bestemming.” Het inrichtingsplan is bij de omgevingsvergunning gevoegd. Met de beslissing op bezwaar van 6 augustus 2025 is het college bij dat besluit gebleven. 3.6. Eisers 1 wonen aan de [adres 2] en eisers 2 wonen aan de [adres 3] . Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunning omdat de woning volgens hen te dicht op de perceelsgrenzen wordt gebouwd. Omvang van het geding 4. Deze zaak gaat alleen over de beslissing op bezwaar van 6 augustus 2025 waarin het college heeft besloten de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning in stand te laten. De rechtbank kan alleen oordelen over de beslissing op bezwaar en de beroepsgronden die daartegen gericht zijn. 4.1. Eisers 2 hebben een beroepsgrond aangevoerd over de inrit. Er is met de omgevingsvergunning geen vergunning verleend voor het aanleggen van een inrit. Dit valt daarom buiten de omvang van het geding. 4.2. Eisers 2 hebben een beroepsgrond aangevoerd over de controle door een landmeter. De betreffende landmeter was bij eerdere metingen betrokken. Volgens eisers 2 heeft het college niet aan de vergewisplicht voldaan. In deze beroepsprocedure staat de verleende omgevingsvergunning ter discussie. De landmeter zet de punten uit waar gebouwd mag worden. Dat vindt plaats nadat de omgevingsvergunning is verleend en maakt daarom ook geen onderdeel uit van de besluitvorming. Dit valt buiten de omvang van het geding. 4.3. Tot slot hebben eisers 2 een aantal vragen gesteld over de vaststelling van de perceelsgrenzen, de feitelijke breedte van de bouwkavel en het verschil in verkoopinformatie en daadwerkelijke levering van het perceel. Dit zijn geen vragen die de bestuursrechter kan beantwoorden, omdat deze civielrechtelijk van aard zijn. Dit valt dus ook buiten de omvang van het geding. Voor zover relevant heeft het college op de zitting toegelicht dat bij de beoordeling van het bouwplan wordt uitgegaan van de website ‘regels op de kaart’. De basiskaart komt uit het Kadaster. Er wordt dus uitgegaan van de door het Kadaster vastgestelde perceelsgrenzen. Is er sprake van strijd met het bestemmingsplan? Afstand perceelsgrens 5. Eisers betogen dat de woning een afstand van minimaal 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrenzen moet aanhouden. Dit volgt volgens eisers uit de toelichting bij het bestemmingsplan. Volgens eisers 2 geldt dat een afstand van 6 meter tussen de buitengevels moet worden aangehouden. 5.1. In artikel 4.2.1, onder a, van de planregels staat dat de woning binnen het bouwvlak gebouwd moet worden. Het bestemmingsplan kent geen bouwregel waaruit volgt dat enige afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet worden aangehouden. 5.2. Voor zover eisers betogen dat uit de plantoelichting volgt dat 3 meter afstand moet worden aangehouden tot [adres 2] , merkt de rechtbank op dat de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor de vraag of de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Pas als de planregel op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met andere planregels, dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. De toelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. 5.3. De rechtbank oordeelt dat de verbeelding en de planregels voldoende duidelijk zijn. Omdat de woning binnen het bouwvlak wordt gebouwd is er geen sprake van strijd met het bestemmingsplan. Het bouwvlak is zo gepositioneerd dat aan weerszijden enige afstand overblijft. Dat is weliswaar niet de door eisers gewenste 3 meter, maar dat is ook geen vereiste. Uit het bestemmingsplan volgt ook niet dat een afstand van 6 meter moet worden aangehouden tussen hoofdgebouwen onderling. Op dit punt is het bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet. Vrijstaande woning 6. Eisers 2 betogen dat geen sprake is van een vrijstaande woning. De feitelijke afstand tot hun woning bedraagt 4,86 meter gemeten vanaf het overstek van de woning van de derde-partij. Volgens eisers 2 is dat onvoldoende om van een vrijstaande woning te spreken. 6.1. Er is sprake van een vrijstaande woning als de woning niet tegen een andere woning is aangebouwd. Dat is hier het geval. De planregels schrijven geen afstandsmaten voor tussen woningen onderling. Ook op dit punt is het bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college een belangenafweging moeten maken? 7. Eisers betogen dat zij gevolgen ondervinden door privacyschending, lichttoetreding, ruimtelijke kwaliteit en gebruiksmogelijkheden. Het college heeft deze belangen volgens eisers onvoldoende onderkend. 7.1. De rechtbank oordeelt dat het bouwplan voldoet aan de regels van de woonbestemming. De enige afwijking van het bestemmingsplan die er is, is dat er een bouwverbod geldt vanwege mogelijke ontplofbare oorlogsresten. De gronden van eisers zijn daar niet tegen gericht. Omdat het bouwplan past binnen de regels van de woonbestemming, hoeft het college geen belangenafweging te maken. De belangenafweging van de ruimtelijke effecten is al gemaakt bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet. Is het bestemmingsplan onverbindend? 8. Eisers betogen dat het bestemmingsplan onzorgvuldig tot stand is gekomen. In de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is steeds besproken dat de nieuwe woning op 3 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrenzen gebouwd gaat worden. Vanwege onjuiste informatievoorziening bij de totstandkoming van het bestemmingsplan, is het fair play-beginsel volgens eisers geschonden. Eisers 1 betogen ook dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is, omdat op andere percelen wel een afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens aangehouden moet worden. Ook is het vertrouwensbeginsel geschonden, omdat tijdens de commissievergadering van 9 maart 2023 door de wethouder en een stedenbouwkundige is toegezegd dat de woning op 3 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd. Tot slot hebben eisers 1 op de zitting betoogd dat geen participatie heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. 8.1. Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals dat is neergelegd in het bestemmingsplan, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien dit evident in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, of een algemeen rechtsbeginsel. 8.2. De rechtbank vat het betoog van eisers op als een beroep op onverbindendheid van het bestemmingsplan, voor zover er geen bouwregel is opgenomen die inhoudt dat voor de bouw van de woning 3 meter afstand moet worden aangehouden tot de zijdelingse perceelsgrenzen. Dat wat eisers hebben aangevoerd over de wijze van totstandkoming van het bestemmingsplan is er op gericht dat eisers willen dat een afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrenzen wordt aangehouden. Dat een woning enige afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen moet aanhouden, is een vraag die vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet worden gesteld. Uit het bestemmingsplan volgt niet dat er afstandsmaten zijn voorgeschreven, behalve dat binnen het bouwvlak gebouwd moet worden. Het bouwvlak houdt enige afstand aan tot de zijdelingse perceelsgrenzen, maar zoals eerder opgemerkt niet de door eisers gewenste 3 meter. Omdat dit een vraag is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, kan dit in het kader van een exceptieve toetsing van het bestemmingsplan niet aan de orde komen. Dit betekent dat de beroepsgronden dat gehandeld is in strijd met het fair play-beginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, buiten het toetsingskader van de verleende omgevingsvergunning vallen. Het bestemmingsplan is onherroepelijk en daarom moet van de rechtmatigheid van het bestemmingsplan worden uitgegaan. Voor wat betreft de onduidelijkheid voor eisers in de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, merkt de rechtbank ten overvloede op dat het college op de zitting heeft toegelicht dat de verwijzingen van eisers zien op de plannen van een andere initiatiefnemer. De derde-partij heeft voor een iets andere positionering gekozen dan de eerste initiatiefnemer. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente Barneveld. Artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel 22.281 van het omgevingsplan in samenhang met artikel 9.2.2. van het bestemmingsplan. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3201. Uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:434. Uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1474.