Rechtbank Amsterdam, 07-10-2026 (13-130053-26)
Executie-EAB uit Polen. Geen sprake van artikel 12, onder b, OLW nu niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de tijd en plaats van de zitting.
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Poolse detentieomstandigheden: Geen algemeneen gevaar ten aanzien van executie-EAB's. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-130053-26 Datum uitspraak: 7 oktober 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 april 2026 door de District Court in Wrocław, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.F.L. Jansen, die waarneemt voor mr. K.C. van de Wijngaart, beiden advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een judgement of the Regional Court in Środa Śląska of 30 July 2024, met referentie II K 200/23, in stand gelaten bij een judgement of the District Court in Wrocław of 4 December 2024 , met referentie IV Ka 1191/24. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en 28 dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijkheid bestaat of de opgeëiste persoon op de hoogte is geraakt van de uitspraak. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, nu ten aanzien van artikel 12, onder b, OLW niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van het tijdstip en de plaats van de zitting. De officier van justitie heeft evenwel verzocht om van de weigeringsgrond af te zien. De opgeëiste persoon was namelijk op de hoogte van de procedure, heeft een advocaat gemachtigd om zijn verdediging te voeren, heeft ten behoeve van de procedure het adres van zijn ouders opgegeven, de oproep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gegaan en de opgeëiste persoon heeft met zijn ouders contact gehad over de procedure. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van de District Court in Wrocław van 4 december 2024 toetsen aan artikel 12 OLW. Uit het dossier en verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om in hoger beroep zijn verdediging te voeren. Uit het dossier blijkt ook dat deze advocaat het hoger beroep heeft ingesteld en tijdens het proces de verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd. Bij de vaststelling of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het van het voorgenomen proces dient, gelet op het Khuzdar-arrest, voldaan te worden aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het Hof van Justitie van de Europese Unie benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. Het feit dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld betekent niet noodzakelijkerwijs dat de voorwaarde, dat de opgeëiste persoon van het tijdstip en de plaats van het proces is kennis moet zijn gesteld, niet is vervuld. Bij die beoordeling moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Wanneer uit duidelijke en objectieve aanwijzingen blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan die persoon worden geacht aan de voorwaarde te voldoen, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de opgeëiste persoon te lokaliseren en hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn proces. Uit het dossier en verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek ten behoeve van de procedure het adres van zijn ouders heeft opgegeven en dat deze oproep is gezonden aan dat adres. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks in kennis is gesteld als bedoeld in het Khuzdar-arrest. Daarnaast is niet gebleken van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet heeft vermeden dat hij officieel in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW doet zich daarom niet voor. De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gekregen, waarbij hij het adres van zijn ouders heeft opgegeven. De oproep is vervolgens gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgeven adres. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij een raadsman heeft gemachtigd om hem te verdedigen. Ook heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij van de veroordeling door zijn ouders op de hoogte is gebracht, maar dat hij toen al in Nederland was. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon toen hij naar Nederland is gegaan, een adreswijziging aan de Poolse autoriteiten heeft doorgegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Nu de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd, had het op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de Poolse autoriteiten over de datum van de zitting. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. 5 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994; overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6 Artikel 11 OLW 6.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2. Poolse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Momenteel ontbreekt er namelijk informatie over waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd, zodat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in Barzcewo zal worden geplaatst, terwijl uit het rapport van the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland (NMPT) in 2022 zorgelijke detentieomstandigheden in deze detentie instelling blijken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank Amsterdam heeft in haar uitspraak van 14 februari 2025 namelijk reeds geoordeeld dat ten aanzien van de detentie-instelling in Barczewo geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling meer bestaat. Door de raadsvrouw is geen nieuwe informatie verstrekt die tot een ander oordeel zou moeten leiden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in een andere zaak vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, waarin zij tot het oordeel komt dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden die daar worden gedetineerd worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.. Derhalve is de vraag of de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis in Barczewo wordt gedetineerd niet langer relevant. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 5, 8, 176, 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Wrocław, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. van den Brink, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 32. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie Khuzdar , punt 71 – 72. Zie Khuzdar , punt 75-76 en 80. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909. Rb. Amsterdam d.d. 16 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:326). Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.