Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9901 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 23-09-2026 (13-201770-26)

Duits vervolgings-EAB. Genoegzaamheidsverweer.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Weigeringsgrond art 13: onvoldoende aanleiding om deze weigeringsgrond toe te passen. Overlevering toegestaan. Verzoek tot afgifte van de in beslag genomen voorwerp toegewezen.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-201770-26 Datum uitspraak: 23 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2026 door het Amtsgericht Duisburg , Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats], inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 september 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een raadsman, mr. T.G.M. Houben, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Duisburg van 15 juli 2026, met referentie: 11 Gs 974/26. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht onvoldoende concreet is omschreven. Uit het EAB blijkt wel dat op 14 juli 2026 verdovende middelen door de Belgische douane zijn onderschept, maar niet wat de opgeëiste persoon daarvan wist of welke betrokkenheid hij daarbij had. De goederen die door een Belgisch bedrijf in Enschede zijn afgeleverd, betroffen legale goederen en bevatten op dat moment geen verdovende middelen, omdat die al in België waren verwijderd. Daardoor is volgens de raadsman onduidelijk of en hoe de opgeëiste persoon bij het feit betrokken was. De overlevering dient daarom te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In het EAB is duidelijk omschreven waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, wat de rol van de opgeëiste persoon was en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. De opgeëiste persoon wordt verdacht van handel in verdovende middelen in de periode van 10 mei 2026 tot 14 juli 2026 in Duitsland, Nederland en België. De opgeëiste persoon zou bij dit feit als dader betrokken zijn geweest. Er is sprake van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is de naleving van het specialiteitsbeginsel daarmee voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman. Artikel 2 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. 4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Duitsland. De opgeëiste persoon heeft namelijk het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Duitsland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De Oberstaatsanwalt bij de Staatsanwaltschaft Duisburg heeft de volgende garantie gegeven: “Pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA), and article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender Act, I hereby guarantee in the name of the Office of the Public Prosecutor in Duisburg, which under German law is responsible for the enforcement of a future irrevocable judgement, that in case [opgeëiste persoon] is sentenced in Germany to an unconditional and irrevocable prison sentence after his surrender, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands should he wish to do so (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht de overlevering van de opgeëiste persoon te weigeren op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, OLW, omdat de observatie en aanhouding in Nederland door de Nederlandse politie zijn verricht. Het Openbaar Ministerie in Nederland dient de opgeëiste persoon zelf te vervolgen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat de vervolging in Duitsland is aangevangen, de medeverdachten in Duitsland worden vervolgd, de verdovende middelen zijn ingevoerd via een Duits bedrijf en het Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen voor het feit. Oordeel van de rechtbank Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling daartoe in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om deze weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. Hieruit volgt dat ook de afgifte van het in beslag genomen voorwerp aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Duisburg voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de afgifte van het in beslag genomen voorwerp aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: Apple Iphone 15 (blauw hoesje) met goednummer PL0600-2026354269-370065. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Sanders, voorzitter, mrs. A.B.M. Wijnveldt en M. Speksnijder, rechters, in tegenwoordigheid van B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47).