Skip to content
Case Law · Rechtbank Rotterdam ·ECLI:NL:RBROT:2026:13059 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Rotterdam, 21-09-2026 (ROT 26/6930)

Voorlopige voorziening; Participatiewet; maatregel geen bijstand voor periode van één maand; verzoek afgewezen.

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/6930 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de maatregel die het college heeft opgelegd aan verzoekster, inhoudende dat zij geen bijstand ontvang voor de periode van één maand. Verzoekster is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft het college besloten de bijstandsuitkering van verzoekster in te houden voor de periode van één maand. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat het in deze zaak om? 3. Het college heeft met het bestreden besluit besloten om de bijstandsuitkering van verzoekster te weigeren voor de periode van één maand. Vanaf 1 augustus 2026 tot en met 31 augustus 2026 wordt de bijstand verlaagd met 100%. Het college is tot deze maatregel overgegaan omdat verzoekster een geüniformeerde arbeidsverplichting heeft geschonden. Verzoekster heeft niet meegewerkt aan het traject van [uitzendbureau] en heeft zich zodanig gedragen dat het traject is beëindigd. 4. Verzoekster is het niet eens met de opgelegde maatregel. Verzoekster legt maandelijks 16 sollicitaties over aan haar werkadviseur. Deze documenten heeft zij eenmalig op donderdagavond verzonden aan het externe bureau [uitzendbureau] in plaats van de door hen verzocht woensdagmiddag. Verzoekster vindt dat dit geen sanctiewaardige schending van de medewerkingsplicht vormt. Daarnaast is de maatregel in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De korting van 100% staat niet in verhouding tot de feiten. Er heeft een incident plaatsgevonden tijdens een videogesprek met een medewerkster van [uitzendbureau] . Die medewerkster verhief eerst haar stem, waarna verzoekster verbaal heeft gereageerd. Verzoekster heeft geen waarschuwing ontvangen voorafgaand aan de maatregel. Verzoekster wenst met haar verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat haar uitkering voor de maand augustus alsnog wordt uitbetaald. Heeft verzoekster een spoedeisend belang? 5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 6. Verzoekster voert aan dat zij de bezwaarperiode niet kan overbruggen. Om haar financiële situatie stabiel te houden, heeft verzoekster betalingsregelingen getroffen met diverse instanties. Het wegvallen van inkomen betekent dat deze maandelijkse termijnen niet kunnen worden voldaan, waarna de volledige restschulden opeisbaar worden. Daarnaast maakt het wegvallen van de uitkering dat de lopende termijnen voor huur, water en energie niet kunnen worden voldaan. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden voldoende spoedeisend belang om het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen. Wat vindt de voorzieningenrechter van het verzoek? 7. Op de zitting heeft het college aangegeven dat de wettelijke grondslag van het bestreden besluit ligt in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h van de Participatiewet (Pw). Op basis van dat artikel verlaagt het college in ieder geval de bijstand voor de duur van één tot drie maanden als door de belanghebbende de volgende verplichting niet is nagekomen: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Uit artikel 7.2.1 van de Verordening participatiewet Nissewaard 2023 blijkt dat de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bedraagt, wanneer een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt. 8. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h van de Pw heeft overtreden. Verzoekster betwist niet dat tijdens een gesprek tussen haar en [uitzendbureau] de situatie is geëscaleerd en dat zij zich onbehoorlijk heeft uitgelaten. Naar aanleiding van het gesprek heeft [uitzendbureau] het traject met verzoekster beëindigd. Hierdoor kan verzoekster niet langer gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Op de zitting heeft het college bevestigd dat het bestreden besluit enkel gebaseerd is op het gesprek met [uitzendbureau] en de beëindiging van het traject die daarop is gevolgd. De maatregel is niet gebaseerd op het al dan niet te laat aanleveren van sollicitaties bij [uitzendbureau] door verzoekster. 9. Op de zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij begrijpt dat daar een maatregel op volgt. Verzoekster is het alleen niet eens met een verlaging van 100% van de bijstandsnorm gedurende de periode van één maand. Zij vindt dat niet in verhouding staan tot wat er feitelijk gebeurd is. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h dwingendrechtelijk is geformuleerd. Dit betekent dat het college in beginsel niet kan afwijken van de verlaging van 100% en ook niet kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Het college kan op grond van artikel 18, negende lid, van de Pw afzien van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Ook kan het college op basis van artikel 18, tiende lid, van de Pw de maatregel afstemmen wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden, dan wel dringende redenen om dat te doen. Verzoekster heeft vooralsnog niet met stukken onderbouwd dat zij in zeer ernstige betalingsproblemen is gekomen door de maatregel. 10. Omdat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het college gehouden was de maatregel op te leggen, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Verzoekster heeft ook gronden gericht tegen de manier waarop het college bij de oplegging van de maatregel te werk is gegaan. Zo heeft verzoekster onder meer gesteld dat zij geen stukken heeft ontvangen voorafgaand aan het maatregelgesprek, dat het college haar persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt en dat de woorden van verzoekster worden verdraaid. Deze gronden maken het bovenstaande oordeel niet anders. In de bezwaarfase kan het college mogelijke gebreken in de besluitvorming repareren. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de maatregel in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.