Rechtbank Midden-Nederland, 18-09-2026 (UTR 24/5329)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond
- vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2024 en de aanvullende besluiten van 23 juni 2025 en de twee herstelbesluiten van 12 september 2025;
- bepaalt dat eiser inzage krijgt in alle stukken die in de besluiten zijn genoemd, aangevuld met de zes stukken waarin eiser feitelijke inzage heeft gehad op 2 juni 2026;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 26,80;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
beroep, verzoek inzage Wet Politiegegevens, gegrond
Full text
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/5329 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigden: mr. P.M.L. van der Schot). Inleiding en procesverloop 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). 2. Eiser heeft op 22 oktober 2022 bij de korpschef een verzoek gedaan om inzage te krijgen in de gegevens die de politie van hem verwerkt en heeft verwerkt . Na een procedure over dit verzoek, die heeft geleid tot een uitspraak van deze rechtbank van 5 januari 2024 waarbij het beroep niet tijdig beslissen op zijn verzoek gegrond is verklaard en het beroep tegen het reële besluit van 10 januari 2024 ongegrond is verklaard, heeft deze inzage op 27 februari 2024 plaatsgevonden. 3. Naar aanleiding van deze inzage stelt eiser op 12 maart 2024 vragen aan de korpschef, verzoekt hij om correctie/verwijdering van gegevens en geeft hij aan dat er documenten ontbreken. De korpschef heeft eisers verzoek van 12 maart 2024 in behandeling genomen als een verzoek op grond van artikel 28 van de Wpg. 4. Met het besluit van 23 april 2024 wordt eisers verzoek om vernietiging van de informatie over het telefoonnummer en de registraties waarvan de bewaartermijn is verstreken, ingewilligd. Daarnaast licht de korpschef toe over de afnemersindicatie dat van geautomatiseerde raadpleging geen documenten worden opgesteld. De resultaten van de geautomatiseerde bevraging worden niet opgeslagen, de onderliggende bron wordt, tenzij deze optie wordt uitgeschakeld, telkens opnieuw bevraagd. Zo’n onderliggende bron is de Basisregistratie persoonsgegevens (Brp). Uit de aan eiser verstrekte uitdraai van de integrale bevraging kan hij opmaken welke registers bevraagd zijn. Ook kan eiser zien dat de Brp daarbij wordt vermeld als één van de systemen die worden bevraagd. 5. Eiser reageert op het besluit met de brief van 8 mei 2024. Eiser herhaalt hierin dat zijn inzage op 27 februari 2024 niet volledig is geweest en hij verzoekt nogmaals om vernietiging van een specifieke mutatie. 6. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de korpschef het verzoek om afschriften afgewezen. De korpschef licht ook toe dat de ‘uitdraai integrale bevraging’ ook informatie toont die is verzonden aan het Openbaar Ministerie. Die dossiers worden dan niet langer verwerkt op grond van de Wpg en vallen nu onder de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens. Daarom worden die dossiers niet betrokken bij een inzage op grond van artikel 25 van de Wpg. Verder voldoet de korpschef aan het verzoek van eiser om PL0930 2012164066-1 te vernietigen omdat de termijn van artikel 14 van de Wpg is verstreken. Tot slot legt de korpschef uitgebreid uit hoe de afnemersindicatie werkt en waarom eisers verzoek om deze gegevens te verwijderen niet kan worden ingewilligd. 7. Op 2 juli 2024 volgt nog een aanvulling van de korpschef. De korpschef stuurt eiser alsnog een recente uitdraai van de integrale bevraging zodat hij kan controleren of is voldaan aan zijn verzoek om verwijdering van een telefoonnummer. 8. Vervolgens stelt eiser op 7 augustus 2024 beroep in, omdat eiser zich niet kan verenigen met de uitleg in het besluit en daarnaast wenst hij nadere inzage in zijn politiegegevens omdat hij meent dat een eerder overzicht niet compleet is geweest. 9. De korpschef heeft op 16 juni 2025 een volledig nieuwe zoekslag gemaakt waarbij nieuwe registraties zijn aangetroffen en neemt op 23 juni 2025 een aanvullend besluit om eerdere onvolkomenheden te herstellen. 10. De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de korpschef. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen de nieuwe registraties in te zien die zijn gevonden naar aanleiding van de zoekslag op 16 juni 2025. 11. Op 25 juli 2025 heeft eiser de documenten ingezien, waarna hij op 2 augustus 2025 en 31 augustus 2025 een emailbericht heeft gestuurd met zijn reactie en aanvullende vragen, waarna door de korpschef op 12 september 2025 twee herstelbesluiten zijn genomen. De korpschef heeft een herstelbesluit genomen over eisers inzageverzoek op grond van artikel 25 van de Wpg en een herstelbesluit over zijn vernietigingsverzoek van 12 maart 2024. Ook heeft de korpschef op 12 september 2025 een uitlegbrief gestuurd aan eiser waarin vragen zijn beantwoord. 12. Vervolgens is een inzagemoment gepland op 8 oktober 2025, maar dit is niet doorgegaan. Eiser heeft zijn beroepsgronden aangevuld op 5 december 2025. 13. De korpschef heeft op 6 februari 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift, waarna eiser op 28 en 29 mei 2026 nog aanvullende stukken heeft ingediend. 14. De korpschef heeft op twee momenten - op 17 september 2024 en op 9 februari 2026 - stukken aan de rechtbank gezonden met een verzoek om beperkte kennisneming. De rechtbank heeft inzage gehad in deze stukken. 15. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de korpschef. Van de kant van de korpschef zijn ook verschenen [A] en [B] . Beoordeling door de rechtbank 16. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 juni 2024. Na dit besluit zijn door de korpschef overzichten verstrekt van gegevens van eiser die zijn verwerkt en vervolgens heeft de korpschef op 23 juni 2025 een aanvullend besluit genomen op eisers verzoek om inzage op grond van artikel 25 van de Wpg. Zoals uit het hiervoor weergegeven procesverloop blijkt, heeft de korpschef vervolgens op 25 juli 2025 feitelijk inzage verleend in de stukken, waarna op 12 september 2025 nog twee aanvullende besluiten zijn genomen. Ook is op de zitting gebleken dat eiser op 2 juni 2026 nog aanvullend inzage heeft gehad in zes stukken, te weten PL1400-2009018581, PL0900-2014084638, PL1400-08007121, PL1400-08007273, PL1400_0707535, PL1400-07028315, PL1400_06077949. Uit de aanvullende besluiten en inzagen volgt al dat het besluit van 27 juni 2024 onvolledig was. Het beroep is alleen al om die reden gegrond. 17. Inmiddels heeft eiser wel inzage gekregen in meer gegevens en zijn er ook gegevens verwijderd. De rechtbank beoordeelt daarom vervolgens of de korpschef eiser inmiddels voldoende inzage heeft gegeven in de gegevens die de politie over eiser verwerkt, en of de korpschef meer gegevens had moeten verwijderen dan wel vernietigen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Bespreking van de beroepsgronden Over de inzage 18. Eiser voert aan dat een Wpg-inzage volgens de Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 en volgens de Wpg een feitelijke, maar op rechtsgevolg gerichte (uitvoerings)handeling is waarbij sprake is van volledigheid (dat wil zeggen inzage in alle verwerkte persoonsgegevens), beknoptheid, een toegankelijke vorm en in duidelijke een eenvoudige taal . Eiser vindt niet dat de inzage die de korpschef hem heeft geboden aan die maatstaven voldoet. Zo is het overzicht van de zoekslag een document dat slechts een schema bevat met door elkaar vermelde, niet eens op (bijvoorbeeld) chronologische volgorde staande registratienummers en daarom niet toegankelijk. Bovendien is ook niet op al zijn vragen een duidelijk antwoord gekomen. 19. Uit artikel 25, eerste lid, van de Wpg volgt dat een betrokkene recht heeft om op diens schriftelijk verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien. Daarnaast is in dit artikel het recht opgenomen om informatie te verkrijgen over onder andere de doelen en rechtsgrond van de verwerking en de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van de verzoeker betreffende politiegegevens. Het is de korpschef op grond van de Wpg toegestaan om op kantoor fysieke inzage in de documenten te geven. De korpschef kan echter ook volstaan met het geven van een overzicht van de persoonsgegevens, mits dit overzicht in een begrijpelijke vorm en volledig is. 20. De korpschef heeft dus de keuze om eiser inzage te geven in de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens op kantoor, dan wel eiser een overzicht te verstrekken. In dit geval heeft de korpschef eiser de gelegenheid geboden om fysiek op kantoor inzage te krijgen in de stukken. De stukken die het betreft heeft de korpschef opgenomen in de drie besluiten, waarover eiser en korpschef hebben gecorrespondeerd. Eiser heeft drie keer daadwerkelijk inzage gehad in de stukken. Dat dit op een geprotocolleerde manier is afgehandeld, zoals eiser aanvoert, is niet in strijd met de regelgeving in de Wpg en de richtlijn. De rechtbank overweegt dat het feit dat eiser drie keer inzage heeft gehad, te weten op 27 februari 2024, 25 juli 2025 en 2 juni 2026, in plaats van dat het in één keer goed is afgehandeld, natuurlijk niet de ideale situatie is. Dat betekent echter nog niet dat eiser nu niet volledig inzage heeft gehad, of dat de inzage niet aan de maatstaven uit de regelgeving voldoet. Dat wordt gewerkt met registratienummers in besluiten maakt evenmin dat eiser geen inzage heeft gekregen. 21. Eiser heeft naar aanleiding van de inzage ook allerlei vragen gesteld aan de korpschef, onder andere over de werkwijze van de korpschef. De rechtbank begrijpt dat de informatie die eiser ziet bij een inzage vragen kan oproepen, maar dat wil nog niet zeggen dat de korpschef al die vragen moet beantwoorden. Daarmee zijn eisers verwachtingen te hoog gespannen. De inzage zelf moet op een toegankelijke manier plaatsvinden. Daarbij gaat het om inzage in de informatie die wordt opgesomd in artikel 25, eerste lid, van de Wpg. De korpschef is dus verplicht om eiser effectief toegang te geven tot die informatie. In dat kader kan het soms nodig zijn om een toelichting geven. Maar de korpschef is op grond van de Wpg niet verplicht om buiten dat kader vragen van eiser te beantwoorden. De korpschef hoeft aan eiser ook geen verantwoording af te leggen over zijn werkwijze. Zoekslag 22. Eiser voert aan dat hem stukken bekend zijn die hij niet heeft gezien bij de inzage. Hij stelt zich op het standpunt dat hij dus nog steeds geen volledige inzage heeft gekregen. Zo is het eiser niet duidelijk hoe het komt dat de korpschef niet meer beschikt over de gevraagde ID-staat van 16 oktober 2015 en of dit is kwijtgeraakt, verwijderd of vernietigd. Eiser stelt dat er regels zijn hoe met dit soort documenten moet worden omgegaan. 23. De rechtbank overweegt dat de korpschef in het verweerschrift heeft uitgelegd dat de korpschef contact heeft opgenomen met het bij de ID-staat betrokken team Gooi- en Vechtstreek. Dat team heeft een zoekslag gemaakt, maar heeft de desbetreffende ID-staat niet meer in het bezit. Het ligt daarom in deze rede dat deze ID-staat is verwijderd of vernietigd, gelet op het tijdsverloop van tien jaren en de verlopen bewaartermijnen. Artikel 8, zesde lid, van de Wpg, bepaalt hierover dat politiegegevens worden vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak en dat zij in ieder geval uiterlijk vijf jaren na de datum van de eerste verwerking worden verwijderd. Dat niet wordt vermeld wat er met de gevraagde ID-staat is gebeurd komt doordat over dergelijke verwijderingen geen afzonderlijke administratie wordt bijgehouden. Dit hoeft ook niet op grond van de Wpg. Het bijhouden van dergelijke verwijdergegevens zou neerkomen op het creëren van dubbele administratie en zou het doel van verwijdering dan wel vernietiging ondergraven, omdat er dan immers een nieuwe verwerking over gegevens ontstaat die juist verwijderd dan wel vernietigd zouden moeten zijn. Dit past niet binnen het systeem van de Wpg. Deze uitleg komt de rechtbank niet onlogisch voor. De rechtbank ziet in het niet aantreffen van de ID-staat daarom geen aanleiding om te oordelen dat de inzage niet volledig is. 24. Daarnaast heeft de korpschef in het herstelbesluit van 12 september 2025 aangegeven welke databases hij heeft geraadpleegd. Eiser voert hierover aan dat de zoekslag niet in één keer goed is gegaan en dat het hem veel moeite kost om uit alle besluiten te achterhalen welke persoonsgegevens zijn aangetroffen en waar hij nu wel of niet inzage in heeft gehad. Zoals hiervoor is overwogen wordt het beroep al gegrond verklaard omdat uit de aanvullende besluiten en inzagen volgt dat het niet meteen goed is gegaan. De rechtbank begrijpt dat de stapeling aan besluiten eiser energie kost, maar de rechtbank moet nu beoordelen of inmiddels wel op de juiste wijze inzage is gegeven. 25. De rechtbank heeft op dit moment geen aanwijzing dat de zoekslag nu niet compleet is geweest. Stukken die eiser niet heeft mogen inzien 26. Eiser voert aan dat de korpschef ten onrechte artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg heeft toegepast om inzage in een deel van de persoonsgegevens die over hem zijn verwerkt te weigeren. Eiser voert aan dat, afgezien van het feit dat hij de ‘derden’ waar het over gaat denkt te kennen en van een aantal registraties ongelakte stukken bezit, het de vraag is waartoe deze weigeringsgrond mag leiden. 27. De korpschef mag op grond van artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg inzage weigeren voor zover dat nodig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. De rechtbank heeft inzage gehad in de stukken die de korpschef met een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft overgelegd. Over de registratie met nummer PL0900-2014084638 heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat inzage in deze registratie gedeeltelijk is toegewezen, ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg. In dit geval zijn naast bijvoorbeeld namen ook de maatschappelijke klasse, rol en datum gelakt, omdat volgens de korpschef deze informatie ook voor eiser herleidbaar is naar derden. 28. Dat eiser een vermoeden heeft dat hij de derde kent, verandert niets aan de weigeringsgrond. Over de weggelakte informatie overweegt de rechtbank dat zij de korpschef kan volgen waarom deze informatie is weggelakt in het belang van de bescherming van de rechten van derden. De rechtbank kan dit niet nader motiveren zonder zelf hierover informatie prijs te geven. Verwijdering/vernietiging van politiegegevens 29. Eiser voert aan dat er verschillende bewaar-, verwijderings- en vernietigingsregimes bestaan. Eiser weet niet welk inzagedocument onder welk regime valt. Daardoor kan hij zelf niet overzien of het klopt welke informatie wel en welke niet is verwijderd of vernietigd en tast hij wat betreft zijn correctierechten in het donker. Ook wil eiser weten waar hij het protocol herkenningsdiensten (HKS) kan vinden. 30. De rechtbank overweegt dat politiegegevens op verzoek van een betrokkene dienen te worden vernietigd als deze in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of als de wet dit voorschrijft. Daarnaast moeten politiegegevens worden verwijderd of vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn verwerkt of dit door enige wettelijke bepaling wordt vereist. In de wet staan daarvoor termijnen. De korpschef heeft in het aanvullend besluit van 12 september 2025 aangegeven welke gegevens van eiser zijn verwijderd dan wel vernietigd. Eiser heeft geen gronden aangevoerd dat ook andere specifieke gegevens vernietigd zou moeten worden. Dat er verschillende regimes bestaan, betekent niet dat de korpschef het in dit geval niet goed heeft gedaan. 31. In het besluit van de korpschef van 12 september 2025 dat ziet op het verzoek van eiser om vernietiging van politiegegevens op grond van artikel 28 van de Wpg heeft de korpschef per registratie uiteen gezet wanneer deze zal worden verwijderd, dan wel vernietigd. Daarmee heeft de korpschef voldoende duidelijkheid gegeven over de bewaartermijn die geldt voor de gegevens van eiser, en ook voldaan aan de verplichting uit artikel 24b, tweede lid, onder b, van de Wpg. De korpschef heeft op grond van de Wpg geen verdergaande verplichting om eiser uitleg te geven over de verschillende regimes en de werkwijzen die daarbij worden toegepast. 32. De korpschef heeft over HKS toegelicht dat dit een intern protocol is. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder c, van het Besluit Politiegegevens is de plicht neergelegd om de termijnen vast te leggen waarin de gegevensverwerking wordt beëindigd. Het protocol HKS heeft alleen betrekking op bewaartermijnen van politiegegevens die op grond van artikel 13 van de Wpg worden verwerkt. Voor politiegegevens die worden verwerkt op grond van artikel 8, 9 en 10 van de Wpg gelden de bewaartermijnen zoals neergelegd in de Wpg. Zo geldt voor gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 8 van de Wpg een bewaartermijn van uiterlijk vijf jaren voordat deze worden verwijderd, waarna de verwijderde gegevens vijf jaar achter een digitaal schot worden bewaard op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wpg, voordat de gegevens definitief worden verwijderd. 33. Over de registratie PL1400-200901851 heeft de korpschef in het herstelbesluit van 12 september 2025 dat ziet op vernietiging aangegeven dat deze registratie inmiddels in aanmerking komt voor vernietiging omdat de bewaartermijn is verstreken. Dit document is nog niet vernietigd omdat eiser deze registratie nog niet had ingezien en de korpschef eiser daar nog de gelegenheid voor wilde geven. Inmiddels is duidelijk dat eiser deze registratie op 2 juni 2026 heeft ingezien. 34. Wat betreft de registratie PL14ND:BPS:08:871, waarvan eiser vindt dat deze gegevens onrechtmatig worden verwerkt omdat de maximale verwerkingstermijn is verstreken, heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat deze registratie betrekking heeft op een aangifte vanwege een poging tot doodslag, wat strafbaar is gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht en een gevangenisstraf kent van ten hoogste vijfentwintig jaren en een geldboete van de vijfde categorie, en dat deze registratie daarom op grond van artikel 13 van de Wpg langer mag worden verwerkt. De rechtbank kan verweerder volgen dat dit ertoe leidt dat een langere bewaartermijn geldt en de maximale verwerkingstermijn dus nog niet is verstreken. Over de registratie 09BLAUW23 begrijpt eiser niet waarom de korpschef dit niet wil verwijderen, omdat hij op geen enkele wijze als getuige heeft kunnen optreden aangezien hij toen in het buitenland verbleef. Na terugkeer is hij ook niet als getuige bevraagd. Volgens eiser is gegevensverwerking onder verwijzing naar artikelen 9 en 10 van de Wpg niet meer nodig omdat er sprake is van een onherroepelijke veroordeling in 2024 van de desbetreffende dronken automobilist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef zich op juiste gronden op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser in het politiesysteem de rol van getuige heeft gekregen niet automatisch betekent dat eiser ook als getuige moet zijn bevraagd. Het kan ook nodig zijn gegevens vast te leggen in verband met eventuele toekomstige bevragingen. De politiegegevens zijn gegevens die worden verwerkt voor de uitoefening van de dagelijkse politietaak en hiervoor geldt op grond van artikel 8, zesde lid, van de Wpg en op grond van artikel 14 van de Wpg een bewaartermijn van vijf jaren. 35. Over de afnemersindicatie heeft eiser aangevoerd dat vaststaat dat de politie tussen 2013 en 2015 talloze bevragingen heeft gedaan van de Brp bij de gemeente waar eiser staat ingeschreven. Deze bevragingen hadden onderwerp van inzage moeten zijn. Een bevraging moet hebben geleid tot iets van politiegegevens. De verwerkingsverantwoordelijke van de Brp is de gemeente en de korpschef is slechts ontvanger op het moment dat de gegevens worden verstrekt. De korpschef kan niet achterhalen waarom een dergelijke Brp-bevraging is gedaan, omdat bij het zoeken in de Brp geen specifieke reden van bevraging kan worden ingevuld. In het besluit heeft de korpschef toegelicht dat de reden van bevragingen van de Brp is om de geregistreerde gegevens ten behoeve van de dagelijkse politietaak juist en volledig te houden. Bovendien wil het gegeven dat de Brp wordt bevraagd nog niet zeggen dat de politie specifiek op zoek is naar informatie over eiser. Het kan ook gaan om iemand met dezelfde of een vergelijkbare achternaam bijvoorbeeld. Dat eiser een niet veel voorkomende achternaam heeft, wil niet zeggen de korpschef iedere Brp-bevraging moet vastleggen. De korpschef heeft in het verweerschrift toegelicht dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wpg blijkt dat het inzage- en rectificatierecht bestemd is om te achterhalen welke over de verzoeker betreffende politiegegevens worden verwerkt zodat de verzoeker vervolgens aan de verwerkingsverantwoordelijke kan vragen de hem betreffende gegevens te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen dan wel te vernietigen. De rechtbank kan volgen dat niet iedere Brp-bevraging leidt tot de vastlegging van politiegegevens Nu de korpschef niet beschikt over de informatie die eiser heeft opgevraagd, kan hij deze niet verstrekken. De beroepsgrond slaagt ten aanzien van de geautomatiseerde bevragingen niet. 36. Over het standpunt van eiser dat het relevant is om afkortingen weer te geven van de politiesystemen en waarvoor deze dienen en dat hij wil weten binnen welke systemen politiegegevens worden verwerkt overweegt de rechtbank dat uit de wet- en regelgeving volgt dat de korpschef inzage moet geven in de politiegegevens die van eiser worden verwerkt. Dit betekent niet dat op de korpschef de plicht rust om bij elk gegeven te melden in welk systeem het gegeven wordt verwerkt en waar dat systeem allemaal voor wordt gebruikt. De korpschef heeft wel vermeld wat de doelen en de rechtsgronden zijn van de verwerking. Tijdens het inzagemoment heeft de korpschef toelichting gegeven over de gegevensverwerking in de systemen. De enkele betwisting dat dit niet is gebeurd is daartoe onvoldoende. Ook heeft eiser in beroep niets specifieks aangegeven waarop de korpschef geen antwoord heeft gegeven. 37. De rechtbank stelt vast dat eiser veel vragen heeft gesteld aan de korpschef. Dit heeft geleid tot een informatiebrief van de korpschef van 12 september 2025 waarin vragen zijn beantwoord. Anders dan eiser betoogt staat het de korpschef vrij dit op deze wijze te doen, omdat er geen wettelijke plicht van de korpschef is om hierover een besluit te nemen. De informatiebrief is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Conclusie en gevolgen 38. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van 27 juni 2024 en de aanvullende besluiten van 23 juni 2025 en de twee herstelbesluiten van 12 september 2025 worden vernietigd. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van die besluiten in stand te laten. De korpschef heeft na de besluiten van 12 september 2025 alsnog feitelijke inzage verleend in zes stukken op 2 juni 2026, anders dan volgde uit de besluiten van 12 september 2025. Dat betekent dat de inzage zoals daartoe was besloten nog niet volledig was. Dit betekent dat de rechtbank zelf zal voorzien door te bepalen dat eiser inzage krijgt in alle stukken die in de besluiten zijn genoemd, aangevuld met de zes stukken waarin eiser feitelijke inzage heeft gehad op 2 juni 2026. Die inzage heeft inmiddels dus wel plaatsgevonden. Eiser krijgt daarom het griffierecht terug. 39. Omdat het beroep gegrond is moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 26,80 (te weten € 11,60 en € 15,20) aan reiskosten voor de beide keren dat eiser de zitting heeft bijgewoond. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond - vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2024 en de aanvullende besluiten van 23 juni 2025 en de twee herstelbesluiten van 12 september 2025; - bepaalt dat eiser inzage krijgt in alle stukken die in de besluiten zijn genoemd, aangevuld met de zes stukken waarin eiser feitelijke inzage heeft gehad op 2 juni 2026; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten; - veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 26,80; - bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 25 van de Wpg. ECLI:NL:RBMNE:2024:136. Op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 24a van de Wpg. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:220, onder 3.3 Artikel 28 van de Wpg. Artikel 4 van de Wpg. Artikel 8 en 14 van de Wpg. Kamerstukken 2005/2006, 30327, nr. 3, pagina 17