Skip to content
Case Law · Rechtbank Overijssel ·ECLI:NL:RBOVE:2026:6179 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Overijssel, 15-10-2026 (ZWO 26/883)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Inzageverzoek artikel 15 AVG door ambtenaar Belastingdienst aan werkgever. De werkgever is de Staat en dus geen bestuursorgaan. Geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Rechtbank onbevoegd.

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 26/883 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], hierna: [eiser], (gemachtigde: [gemachtigde 1]), en de Staat der Nederlanden, verweerder, hierna: de Staat, (gemachtigden: mr. G.E.C. van Brenk en [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat [eiser] heeft ingediend omdat volgens haar niet volledig op haar inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming is beslist. [eiser] is werkzaam bij de Belastingdienst en heeft om inzage van gegevens uit haar personeelsdossier verzocht. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank is van oordeel dat de Staat als werkgever van [eiser] terecht op het inzageverzoek heeft gereageerd. De Staat is geen bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en daarom is er geen sprake van een besluit in de zin van die wet. Dat betekent ook dat het inzageverzoek niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is aan te merken en dat er geen andere bestuursrechtelijke besluitvorming is uitgebleven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding en procesverloop 2. [eiser] werkt bij de Belastingdienst. Zij heeft bij de Belastingdienst op 12 september 2025 een verzoek tot inzage gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming EU (2016/6790) (AVG). 2.1. Op 17 februari 2026 heeft het directoraat-generaal Belastingdienst namens de Staat gereageerd op het inzageverzoek. 2.2. [eiser] heeft de Belastingdienst in gebreke gesteld en op 25 februari 2026 beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit ingediend, omdat volgens haar nog geen volledige beslissing was genomen op haar inzageverzoek. De reactie die zij op haar verzoek heeft gekregen is volgens haar geen inhoudelijk en volledig besluit. 2.3. De Staat heeft op 1 april 2026 een verweerschrift ingediend. 2.4. [eiser] heeft op 2 en 27 april 2026 en op 18 augustus 2026 nadere stukken ingediend. 2.5. De Staat heeft op 6 augustus 2026 nadere stukken ingediend. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigden van de Staat. 2.7. Na de zitting heeft [eiser] op 4 september 2026 een nader stuk toegestuurd en verzocht om heropening van het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Beoordeling door de rechtbank 3. [eiser] heeft bij de Belastingdienst een inzageverzoek gedaan op grond van artikel 15 van de AVG. De AVG is van toepassing op bestuursorganen en niet-bestuursorganen. Als een bestuursorgaan beslist op het inzageverzoek, dan is sprake van een besluit in de zin van de Awb. Dit volgt uit artikel 34 van de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). 3.1. In deze zaak ligt de vraag voor of een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb op het inzageverzoek van [eiser] heeft beslist, dan wel had moeten beslissen maar dat nog niet heeft gedaan. Alleen dan kan namelijk sprake zijn van een bestuursrechtelijk besluit of het uitblijven daarvan in de zin van artikel 1:3 en artikel 6:2 van de Awb. En alleen dan kan beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend en is de rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen. Daarbij beperkt deze zaak zich dus tot de vraag of voor [eiser] in het kader van haar inzageverzoek de bestuursrechtelijke weg openstaat. Aan wie is het verzoek gericht? 4. De rechtbank acht eerst van belang om te beoordelen aan wie [eiser] haar inzageverzoek heeft gericht. Daarbij betrekt de rechtbank ook de inhoud van het verzoek. 4.1. De rechtbank constateert dat het inzageverzoek is gericht aan de Belastingdienst, ter attentie van ‘HR / verzuimcoördinator’ en ‘de Functionaris Gegevensbescherming’. Het verzoek ziet op gegevens die betrekking hebben op haar arbeidsrelatie, zoals gegevens over verzuim en re-integratie. Het verzoek ziet niet op fiscale gegevens. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. 4.2. Gelet op deze inhoud en adressering is de rechtbank van oordeel dat het inzageverzoek is gericht aan de werkgever van [eiser]. Wie is de werkgever? 5. Vervolgens is van belang wie de werkgever van [eiser] is. 5.1. De rechtbank stelt vast dat de Staat de formele werkgever is van [eiser] en niet de Belastingdienst als zodanig. De arbeidsrechtelijke positie van [eiser] is sinds de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) op 1 januari 2020 gewijzigd en geregeld in de Ambtenarenwet 2017. Op grond van deze wet is een ambtenaar iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst met een overheidswerkgever werkzaam is. Overheidswerkgevers zijn, voor zover hier van belang, onder andere de Staat en overige krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen. De Belastingdienst wordt niet als specifieke overheidswerkgever genoemd en is ook geen krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon. Dat volgt immers niet uit de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 die de inrichting van de Belastingdienst regelt. Dit betekent dat de Staat de formele werkgever is van [eiser]. Wie heeft op het inzageverzoek gereageerd of had daarop moeten reageren? 6. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het inzageverzoek aan de werkgever is gericht en de Staat de formele werkgever is van [eiser], betekent dit dat de Staat als (eind)verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG kan worden aangemerkt. 6.1. Op 17 februari 2026 is door de Belastingdienst namens de Staat, en daarmee als werkgever, beslist op het inzageverzoek. De rechtbank acht dat juist. Dat betekent ook dat het inzageverzoek niet als aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb is aan te merken en er geen besluitvorming door een ander is uitgebleven, nog daargelaten de vraag of die ander als een bestuursorgaan kan worden aangemerkt. Daarmee bestaat er ook geen grondslag voor het vaststellen van een rechterlijke dwangsom. 6.2. Dat het verzoek om inzage ook ziet op de periode van vóór de inwerkingtreding van de Wnra maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het moment van indiening van het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank bepalend, ongeacht of de arbeidsrechtelijke verhouding in het verleden een publiekrechtelijk karakter had en het verzoek ook op die periode ziet. De huidige werkgever, in dit geval de Staat, kan immers als verantwoordelijke voor het gehele personeelsdossier worden aangemerkt. Is de Staat een bestuursorgaan? 7. Tot slot moet de rechtbank beoordelen of de Staat een bestuursorgaan is. Dat is niet het geval. De Staat is géén bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Awb. De Staat is een publiekrechtelijke rechtspersoon en alleen organen van de Staat (en niet de Staat zelf) kunnen bestuursorganen zijn. Dit betekent dat de reactie van de Staat op het inzageverzoek geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat daartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Verzoek tot heropening 8. De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting op 3 september 2026 gesloten. De rechtbank heeft nadien nadere stukken ontvangen van [eiser], waarin zij onder andere een verzoek tot heropening van het onderzoek heeft gedaan. De rechtbank wijst dit verzoek af. [eiser] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de Staat op de zitting voor het eerst de stelling heeft ingenomen dat de Staat een rechtspersoon is en geen bestuursorgaan. Dat maakt echter niet dat het onderzoek onvolledig is geweest, onder meer omdat dit onderwerp op de zitting is behandeld. Conclusie en gevolgen 9. De brief van 17 februari 2026 is géén besluit in de zin van de Awb, omdat de Staat geen bestuursorgaan is. [eiser] kan zich dus niet bij de bestuursrechter verzetten tegen deze brief. Omdat de Staat terecht op het inzageverzoek heeft beslist, is er is ook geen andere bestuursrechtelijke besluitvorming uitgebleven. De rechtbank is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. 9.1. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet verder inhoudelijk behandelen. [eiser] krijgt ook geen vergoeding van proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier en uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017. Dit volgt uit artikel 2:1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.