# Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-08-2026 (24/1182 en 24/1183)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Identifier: ECLI:NL:GHSHE:2026:2306
- Date: 2026-08-26
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHSHE%3A2026%3A2306
- Canonical: https://overview.legal/posts/603695

## Summary

Belanghebbende is inwoner van Nederland en Duitsland. Het hof oordeelt dat het centrum van zijn levensbelangen (artikel 3 lid 3 van het Verdrag met Duitsland) in Nederland ligt. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet al zijn banktegoeden heeft aangegeven. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

## Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/1182 en 24/1183 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [plaats 1] (Duitsland), hierna: belanghebbende, en op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 juli 2024, nummer BRE 22/1222, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) , hierna: de minister. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/1182. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/1183. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.8. De inspecteur heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van een kennisgeving van een boete bij een navorderingsaanslag over 2013. 1.9. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is sinds 1998 (enig) eigenaar van de woning gelegen aan [adres 1] te [plaats 2] (hierna: de Nederlandse woning). De moeder van belanghebbende woont sinds geruime tijd in de Nederlandse woning. Belanghebbende huurt in 2014 een appartement op het adres [adres 2] te [plaats 3] in Duitsland (hierna: het Duitse appartement). 2.2. Belanghebbende staat in de Basisregistratie persoonsgegevens sinds 30 december 2013 ingeschreven op het adres van het Duitse appartement. Voor die tijd (sinds 29 juni 1998) stond hij ingeschreven op het adres van de Nederlandse woning. 2.3. Belanghebbende werkte in 2014 in dienstbetrekking bij [bedrijf 1] in [plaats 4] . 2.4. Aan belanghebbende is op 2 november 2015 een aangiftebiljet uitgereikt om aangifte IB/PVV te doen over het jaar 2014 als buitenlands belastingplichtige. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet ingevuld en ondertekend met dagtekening 20 februari 2016. Het aangiftebiljet is door de inspecteur ontvangen op 3 maart 2016. 2.5. Het aangiftebiljet vermeldt onder meer: 2.5.1. dat belanghebbende in 2014 in Nederland verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen; 2.5.2. een keuze om behandeld te worden als binnenlands belastingplichtige; 2.5.3. loon naar een bedrag van € 65.729 waarop € 24.808 aan Nederlandse loonheffing is ingehouden; 2.5.4. een eigenwoningschuld op 31 december 2014 van € 105.731 en een daarmee gepaard gaande (hypotheek)renteaftrek van € 4.283; 2.5.5. een eigenwoningschuld op 31 december 2014 van € 57.630 en een daarmee gepaard gaande renteaftrek van € 11.238; 2.5.6. dat de Nederlandse woning de eigen woning is; 2.5.7. een negatief saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning van € 14.226; 2.5.8. bank- en spaartegoeden en premiedepots in Nederland naar een bedrag van € 36; 2.5.9. bank- en spaartegoeden en premiedepots buiten Nederland naar een bedrag van nihil; 2.5.10. aandelen, obligaties en dergelijke naar een bedrag van € 26.760; 2.5.11. een totale rendementsgrondslag voor box 3 naar een bedrag van € 26.796; 2.5.12. een vrijstelling voor groene beleggingen in box 3 naar een bedrag van € 55.000. 2.6. In een brief van 2 oktober 2017 kondigt de inspecteur aan de aanslag IB/PVV over het jaar 2014 vast te zullen stellen in afwijking van de aangifte. De brief vermeldt onder meer: "Eigen woning: kosten van geldleningen In de aangifte hebt u voor hypotheekrente van (hypothecaire) geldleningen voor de eigen woning [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] een bedrag van € 15.521 afgetrokken. U geeft een eigenwoningschuld aan van € 163.361. Uit mijn gegevens blijkt dat u in 2014 aan hypotheekrente een bedrag van € 4.283 heeft betaald. De eigenwoningschuld bedraagt in 2014 € 105.731. Daarnaast blijkt dat voornoemde woning in 2014 verhuurd was. Dit betekent dat de woning aan box 3 toebehoort. Ik heb besloten om vooralsnog geen aftrek te verlenen voor de hele aftrekpost eigen woning. " 2.7. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV over het jaar 2014 met dagtekening 19 oktober 2017 opgelegd zonder aftrek van hypotheekrente toe te staan (hierna: de primitieve aanslag). 2.8. Belanghebbende heeft op 11 november 2017 bezwaar gemaakt tegen de primitieve aanslag. 2.9. Op 11 november 2017 heeft belanghebbende de inspecteur ook verzocht om een bepaling van zijn woonplaats. 2.10. Met een brief van 7 december 2017 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie naar aanleiding van het bezwaar. Omdat belanghebbende niet antwoordde op het verzoek om nadere informatie, heeft de inspecteur met een brief van 18 januari 2018 aangekondigd voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen en heeft hij belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. 2.11. Bij brief van 16 januari 2018 reageert belanghebbende op het informatieverzoek van de inspecteur. 2.12. In een brief van 7 maart 2018 heeft de inspecteur een aantal vragen aan belanghebbende gesteld in verband met zijn bezwaar. Hij verzoekt belanghebbende om de volgende gegevens te verstrekken: “- Een specificatie van de in uw bezit zijnde spaar- en beleggingsrekeningen met vermelding van het rekeningnummer en naam van de bank of beleggingsinstelling (zowel uit Nederland en het buitenland). - De bewijsstukken van de door u in het jaar 2013 betaalde lijfrentepremies ad € 2.336 alsmede een kopie van de polis.” De inspecteur kondigt in deze brief tevens aan voornemens te zijn om in ieder geval voor het jaar 2013, maar mogelijk voor meerdere jaren, navorderingsaanslagen op te leggen. 2.13. Bij brief van 21 maart 2018, door de inspecteur ontvangen op 22 maart 2018, trekt belanghebbende zijn bezwaar tegen de primitieve aanslag in. Bij brief van 31 maart 2018, door de inspecteur ontvangen op 6 april 2018, trekt belanghebbende het verzoek om zijn woonplaats te bepalen in. 2.14. Bij brief van 27 maart 2018 herinnert de inspecteur belanghebbende aan het informatieverzoek van 7 maart 2018. De brief vermeldt onder meer: “In mijn schrijven van 7 maart 2018 heb ik u zelfs medegedeeld dat er navorderingsaanslagen zullen worden opgelegd omdat u de hypotheekrente en het voordeel uit sparen en beleggen (Box 3) tot onjuiste bedragen heeft aangegeven. Tevens heb ik u medegedeeld dat ik mij zal beraden over de op te leggen boete(n) in de navorderingsaanslagen maar dat dit afhankelijk is van uw opstelling en medewerking. (…) Ik wijs u erop dat u, ingevolge artikel 47 van de Algemene wet rijksbelastingen, verplicht bent de gevraagde informatie te verstrekken. Derhalve stel ik u nog éénmaal in de gelegenheid de gevraagde gegevens te verstrekken. U mag ook een afspraak met mij maken om één en ander in een persoonlijk gesprek toe te lichten. " 2.15. In een brief van 9 april 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de intrekking van het verzoek woonplaatsbepaling bevestigd. Hij heeft daarbij aangegeven dat belanghebbende verplicht blijft de op 27 maart 2018 gevraagde informatie te verstrekken. 2.16. Bij brief van 12 april 2018 komt belanghebbende terug op zijn keuze voor binnenlandse belastingplicht. 2.17. Met een brief van 12 november 2019 kondigt de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag aan. Tegelijkertijd heeft hij belanghebbende aangekondigd een vergrijpboete op grond van artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) op te zullen leggen van 300% van het na te vorderen bedrag. 2.18. De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.741 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.154. Tevens is bij beschikking € 1.394 belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een vergrijpboete van € 11.620 opgelegd. 2.19. De rechtbank heeft de navorderingsaanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.154, met instandhouding van het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.741, de rentebeschikking evenredig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 2.000. Woonplaats 2.20. In zijn bezwaarschrift tegen de primitieve aanslag geeft belanghebbende onder meer aan: "Klaarblijkelijk is uw afwijking van mijn aangifte gebaseerd op uw veronderstelling dat mijn hoofverblijfplaats zich in Duitsland zou bevinden. Deze veronderstelling is echter onterecht. Mijn eigen woning [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] is sinds het jaar 2000 ononderbroken mijn hoofdverblijfplaats geweest en is dat nog steeds. Hier ligt het centrum van mijn levensbelangen. Mijn inschrijving in de Duitse bevolkingsregistratie per ultimo 2013 maakt dat niet anders. Deze heeft alleen plaatsgevonden om te voldoen aan de Duitse wet- en regelgeving. Dit in verband met mijn doordeweekse verblijf in een klein appartement aan de [adres 2] te [plaats 3] , BRD. De enige reden dat ik dit appartement huur is om de reistijd naar mijn hoofdverblijf te beperken tot de weekenden en vakanties. De huur is van tijdelijke aard, terwijl mijn eigen woning mij verblijf biedt voor de langere termijn. Van enige vorm van huur of verhuur van mijn eigen woning is mij niets bekend. De vermeende huurder heb ik dan ook nooit ontmoet, hoewel ik zelf elk weekend in de woning verblijf. Wel dient de woning tevens tot hoofdverblijf van mijn moeder. " 2.21. Op 11 november 2017 verzoekt belanghebbende de inspecteur om een bepaling van zijn woonplaats. Het verzoek vermeldt onder meer: “ik ben geregistreerd als alleenstaand: ik werk in Nederland ( [bedrijf 2] b.v. te [plaats 5] ): ik huur in Duitsland een kleine huurwoning, zonder balkon en met een vloeroppervlakte van 50 m2; de huur van hiervan is tijdelijk en alleen nodig om de reistijd tot mijn werk te beperken: het energieverbruik van de huurwoning is meer dan 10 keer lager dan dat van mijn eigen woning; de energierekening van mijn eigen woning betaal ik zelf: mijn eigen woning in [plaats 2] heeft een oppervlakte van ca. 150 m2 plus dat van de garage en bijkeuken: vrijwel al mijn eigendommen, huisraad, wasmachine en goederen bevinden zich in de eigen woning; mijn moeder is medebewoner van de eigen woning; ik ben nergens lid van enige vereniging: de eigen woning is niet verhuurd, omdat er een achterblijvend familielid is en ik zelf de woning nodig heb en regelmatig gebruik; ik verblijf op vrije dagen en in alle weekenden in de eigen woning; mijn aanwezigheid in de eigen woning in de weekenden noodzakelijk voor: het (constructieve)onderhoud van de woning het huishoudelijk onderhoud van de woning het onderhouden van de tuin het verlenen van thuiszorg aan mijn moeder, die hoogbejaard en hulpbehoevend is en het doen van wekelijkse (voedsel) inkopen voor mijn moeder, die hiertoe zelf niet in staat is; het gemiddeld aantal uren per week dat ik in Duitsland verblijf is ongeveer 65, waarvan 40 slaapuren; het gemiddeld aantal uren per week dat ik in [plaats 2] verblijf is ongeveer 52, waarvan 16 slaapuren; mijn pensioen- en overige verzekeringen lopen nog steeds in Nederland: mijn bank- en beleggingsrekeningen houd ik aan in Nederland; mijn sociale leven vindt plaats in [plaats 2] ; ik sta ingeschreven bij een huisarts in de gemeente [gemeente] ." 2.22. In een brief van 16 januari 2018 schrijft belanghebbende, in reactie op een vragenbrief van de belastingdienst van 7 december 2017 die betrekking heeft op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over 2014: " Mijn auto heeft het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . De Duitse wetgeving voorziet niet in een niet-kentekenverklaring. Deze kan daarom door het KBA niet worden verstrekt. (…) Mijn moeder wordt doordeweeks verzorgd door thuiszorgorganisatie [naam 1] , uit de [adres 3] in [gemeente] , zie bijgevoegde email die dit bevestigt. Mij huisarts is [naam 2] in [plaats 2] (Praktijk [praktijk] ). Een tandarts heb ik niet. In Duitsland heb ik geen inboedelverzekering, omdat er slechts enkele afgeschreven stukken staan. Tevens bijgesloten is een verklaring dat ik elke zaterdag de bakker in [gemeente] bezoek. ” 2.23. Bij de in 2.22 genoemde brief overlegt belanghebbende een verklaring, gedateerd 16 december 2017, waarin [naam 3] stelt: “Hierbij bevestig ik dat [belanghebbende] , wonende te [plaats 2] en hieronder afgebeeld, praktisch elke zaterdag de winkel van bakkerij " [naam 4] " aan de [adres 4] in [gemeente] bezoekt om inkopen te doen. Zijn bezoeken aan deze winkel zijn eind maart 2015 gestart.” 2.24. In een aan belanghebbende gericht e-mailbericht van 20 oktober 2017 schrijft [naam 5] , wijkverpleegkundige bij [naam 1] thuiszorg: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek hierbij de bevestigende mail betreffende onze afwezigheid rondom de weekend zorg aan uw moeder Mw. [naam 6] . Zoals in het zorgplan vermeld leveren wij vanuit [naam 1] thuiszorg maandag tot en met vrijdag in de ochtend en in de avond zorg aan uw moeder. De afspraak is dat in de weekenden de zorg geleverd wordt door u.” 2.25. In een door belanghebbende overgelegde verklaring, gedateerd 22 januari 2018 stellen [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] : “Sinds begin 2013 zijn wij de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 5] te [plaats 2] . Als zodanig is het ons bekend dat onze buurman, behalve op de dagen dat hij werkt, duurzaam de naastgelegen woning met huisnummer [nummer] bewoont. Op grond van diverse en talloze waarnemingen, verklaren wij dan ook dat onze buurman, [belanghebbende] zoals hieronder afgebeeld, sinds begin 2014, op zon-, feest- en zaterdagen telkens in de woning aan [adres 1] te [plaats 2] verblijft.” 2.26. Bij een brief van 10 januari 2022 overlegt de gemachtigde van belanghebbende een opinie van [naam 10] , fiscaal advocaat in Nederland en Duitsland, waarin gesteld wordt dat belanghebbende sinds 2014 als inwoner van Duitsland is aan te merken. Tevens wordt een Duitse aanslag inkomstenbelasting over 2014, gedateerd 18 mei 2020, overgelegd. 2.27. In een door belanghebbende overgelegde verklaring van 20 april 2022 stelt [naam 11] : “Hierbij bevestig ik dat de heer [belanghebbende] sinds 2013 een appartement huurt in het appartementsgebouw met adres [adres 2] . Zelf woon ik al sinds april 1999 in dit huis. Af en toe ontmoet je elkaar 's avonds in het huis en praat je met elkaar. Overdag is hij er zelden omdat hij dan zijn vaste werkzaamheden uitvoert. Hij is al vele jaren eigenaar van een rode Seat stationcar met het huidige kenteken [kenteken 2] . Eerst had de auto nog een Nederlands kenteken. Opvallend is dat hij, in tegenstelling tot de andere bewoners van het huis, zijn auto altijd achteruit parkeert. En daaraan kunnen we altijd zien wanneer hij in zijn appartement aanwezig is. Zelf woon ik op de begane grond met direct zicht op de parkeergarage. Daarom kan ik sinds 2014 bijna elke dag zien wanneer hij thuis is en wanneer hij naar zijn werk rijdt.” 2.28. In een door belanghebbende overgelegde verklaring van 6 juni 2022, stelt [broer] , broer van belanghebbende: “Geheel in lijn met de in 1996 aan mij gepresenteerde plannen, is mijn broer [belanghebbende] in [plaats 6] blijven wonen nadat de eigendomsoverdracht van de ouderlijke woning had plaatsgevonden. Later is hij eerst naar [plaats 4] en kort daarop naar Duitsland verhuisd, omdat hij van baan is veranderd en nu in [plaats 4] werkt. Zijn auto heeft al jarenlang een Duits kenteken. Na de afronding van zijn middelbare schoolopleiding, is hij, net als ik, uit Zeeland vertrokken (hij in 1983) om elders te gaan wonen en dat is nu nog steeds zo. Hij woont, net als ik, al meer dan 30 jaar buiten de provincie Zeeland.” 2.29. Tijdens de zitting van de rechtbank heeft belanghebbende verklaard de auto in Duitsland gekocht te hebben in 2015. 2.30. In een door belanghebbende overgelegde verklaring van 29 april 2023, stellen, [naam 12] en [naam 13] , voormalig bewoners van een woning aan de [adres 5] te [plaats 2] : “Op grond van onze ervaringen en waarnemingen, kunnen we daarom niet anders dan bevestigen dat sinds het jaar 2000 tot aan vorig jaar, [moeder] ( [moeder] ) als enige op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats 2] , heeft gewoond.” 2.31. In een door belanghebbende overgelegde verklaring van 29 april 2023, gericht aan gemachtigde van belanghebbende verklaren [naam 14] en [naam 15] , woonachtig te [plaats 2] : “Ook toen heeft ze het één en ander over haar kinderen verteld. Onder andere dat haar zoon [belanghebbende] voor zijn werk vanuit de randstad naar Limburg is getrokken en al snel daarna in Duitsland is gaan wonen. Dat kwam niet als verrassing, omdat we al gemerkt hadden dat er in het weekend soms een auto met Duits kenteken op de oprit stond. Verder werd uit de gesprekken duidelijk dat zij alleen woonde en veel op de hulp van anderen was aangewezen. De staat en inrichting van haar huis aan de [adres 1] paste geheel in het beeld van een oudere vrouw, die al langere tijd alleen woonde. Op grond van onze waarnemingen en de door ons met haar gevoerde gesprekken, bestaat er wat ons betreft geen enkele twijfel, dat zij daar, minimaal de laatste 10 jaar, altijd alleen heeft gewoond. De laatste jaren kwam [belanghebbende] in de weekenden vanuit Duitsland vaak naar zijn moeder. Zij liepen dan ter revalidatie van zijn moeder, soms een stukje door de straat. Ik, [naam 14] heb hun toen meerdere keren gesproken.” 2.32. In een mailbericht van 23 mei 2023 gericht aan gemachtigde van belanghebbende verklaart [naam 16] , van [naam 17] huisartsenpraktijk te [gemeente] : “Door middel van deze mail wil ik u bevestigen dat dhr. [belanghebbende] in de periode 1-1-2014 t/m 31-12-2014 niet bij mijn voorgangster, mevr, [naam 2] , in de huisartsenpraktijk was ingeschreven.” Banksaldi en beleggingsrekeningen 2.33. In zijn brief van 16 januari 2018 aan de inspecteur schrijft belanghebbende: "Bankrekeningen in Duitsland heb ik niet” 2.34. In zijn brief van 14 april 2018 schrijft belanghebbende onder meer: “In antwoord op uw brief van 7 maart 2018 stuur ik u bijgaand een kopie van de betaling van de lijfrentepremies in 2013. Omdat het een bankspaarrekening betreft is er geen polis. Tevens geef ik u een overzicht van de in mijn bezit zijnde spaar- en beleggingsrekeningen inclusief nummer en instellingsnaam: beleggingsrekening [rekeningnummer 1] bij Robeco, beleggingsrekening [rekeningnummer 2] bij Binck Bank, spaarrekening [rekeningnummer 3] bij Ohra Bank, spaarrekening [rekeningnummer 4] bij Argenta Spaarbank n.v. Rekeningafschriften over de jaren 2013 en 2014 heb ik niet meer. Bij mijn weten zijn particulieren niet verplicht deze tot in lengten van jaren te bewaren.” Bij deze brief voegt belanghebbende een overzicht van OHRA (rekeningnummer [rekeningnummer 5] ). Op 24 december 2013 staat er een saldo van € 2.725,04 credit en wordt op dezelfde datum een storting gedaan van € 2.336. 2.35. In een brief van 27 november 2018 heeft belanghebbende nadere informatie verstrekt over zijn spaar- en banktegoeden. In deze brief bevestigt belanghebbende dat hij bank- en beleggingssaldi bezat met een waarde van € 599.536. Bij deze brief is onderstaand overzicht bijgevoegd: Argenta [rekeningnummer 6] € 64.246,64 Crelan [rekeningnummer 7] € 31.184,20 aandelen € 3.000,80 Deutsche Bank [rekeningnummer 8] Deutsche Bank [rekeningnummer 9] Deutsche Bank [rekeningnummer 10] Deutsche Bank [rekeningnummer 11] Deutsche Bank [rekeningnummer 12] Deutsche Bank [rekeningnummer 13] Deutsche Bank [rekeningnummer 14] Deutsche Bank [rekeningnummer 15] ING Bank België [rekeningnummer 16] € 160.190,96 KBL Luxemburg [rekeningnummer 17] KBL Luxemburg [rekeningnummer 18] in euro's KBL Luxemburg [rekeningnummer 19] Keytrade Bank Luxembourg [rekeningnummer 20] € 89.094,42 Lynx [rekeningnummer 21] € 51.860,00 Record Bank [rekeningnummer 22] Ohra Bank NL [rekeningnummer 23] € 15.117,96 Argenta NL [rekeningnummer 24] € 3.406,73 ING Bank NL [rekeningnummer 25] € 36,00 Robeco [rekeningnummer 26] € 6.285,16 Robeco [rekeningnummer 27] € 6.285,30 Robeco [rekeningnummer 1] € 20.190,51 Met betrekking tot de zwart gemaakte cellen geeft gemachtigde van belanghebbende aan: “rekening/portefeuille bestond niet in dit jaar gegevens onbekend/niet relevant voor belastingheffing.” Bij dit overzicht geeft gemachtigde van belanghebbende een toelichting. Deze toelichting bevat onder meer de volgende passages: 1.1. Aangezien de woonplaats van cliënt in het jaar 2014 in Duitsland is gelegen, sturen wij u niet de bankstukken toe van de buitenlandse banken in dat jaar. En: 2.1. Cliënt beschikt over diverse rekeningen bij verschillende banken. Om dit overzichtelijk weer te geven, hebben wij een overzicht opgesteld (bijlage 1). Hieruit blijken de openings- en sluitingsdata en de saldi van het vermogen per einde jaar. En: “7.1. De bankbescheiden van KBL Bank ontvangt u als bijlage 6. Op de rekeningen bij de KBL Bank vinden twee relevante transacties, te weten een tweetal overboekingen naar Keytrade Bank te Luxemburg. 7.2. De overboeking op 23 december 2013 van € 64.429,45 van rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 28] en de overboeking op 23 december 2013 van USD 37,86 van rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 29] naar de Keytrade Bank te Luxemburg.” 2.36. In zijn brief van 29 oktober 2019 aan de inspecteur schrijft belanghebbende: “In aanvulling op de data van de bankrekeningen u toegestuurd op 18 en 25 oktober j.l. zend ik u bijgaand de data van de spaar- en beleggingsrekeningen m.b.t. 2014. Of en hoeveel contant geld ik in 2014 zou hebben gehad is mij thans niet bekend.” Bij deze brief voegt belanghebbende rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 30] bij Argenta, pagina 1 van 2 van een jaaroverzicht 2014 van OHRA, een activity statement van Lynx b.v. en een fiscaal jaaroverzicht van Robeco. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: - is de navorderingsaanslag IB/PVV over 2014 terecht en tot het juiste bedrag opgelegd en meer specifiek: - is belanghebbende in 2014 belastingplichtig in Nederland? - is sprake van een nieuw feit en/of kwade trouw dat navordering rechtvaardigt? - heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de grondslag voor inkomen uit sparen en beleggen op 1 januari 2014 ten minste € 600.000 was? - is de box 3-heffing voor belanghebbende in 2014 in strijd met het eerste Protocol van het EVRM? - heeft de inspecteur terecht een boete opgelegd en zo ja, is deze tot de juiste hoogte opgelegd? - heeft de inspecteur in de bezwaarfase een deugdelijke heroverweging gedaan? - had de inspecteur in de bezwaarfase belanghebbende op een tweede hoorzitting moeten horen? - heeft de rechtbank stellingen van belanghebbende ten onrechte als feit aangemerkt? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de navorderingaanslag voor zover die ziet op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23 .154 en vermindering van de boetebeschikking tot een bedrag van € 6.180. 4 Gronden Woonplaats 4.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte de onderhavige navorderingsaanslag heeft opgelegd omdat belanghebbende in 2014 geen inwoner was van Nederland. 4.2. Op grond van de artikelen 1.1 en 2.1 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is een natuurlijke persoon die in Nederland woont binnenlands belastingplichtig. In artikel 4, lid 1, AWR is bepaald dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar iemand woont. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats in Nederland heeft indien deze persoon daarmee een duurzame band van persoonlijke aard heeft. Deze band hoeft niet sterker te zijn dan die met een ander land . 4.3. Vast staat dat belanghebbende in 2014 de Nederlandse nationaliteit bezit, enig eigenaar is van een woning in Nederland en het volledige jaar werkzaam is in Nederland voor een Nederlandse werkgever. Verder heeft belanghebbende begin 2019 verklaard dat hij een auto met Nederlands kenteken heeft (zie 2.22). Het hof gaat ervanuit dat die verklaring mede ziet op het jaar 2014. Belanghebbende heeft daarnaast verklaard (zie 2.20 tot en met 2.25) dat hij in 2014 ieder weekend en alle vakanties in de Nederlandse woning verbleef (onder meer) om voor zijn moeder te zorgen, die op datzelfde adres woonde (zie 2.1). Zijn verblijf in Nederland tijdens weekenden en vakanties is later expliciet bevestigd namens belanghebbende door zijn gemachtigde en volgt ook uit de vastlegging van de zorgafspraak uit 2017 met de thuiszorgorganisatie, inhoudende dat deze thuiszorgorganisatie door de week de verzorging uitvoert, maar niet in het weekend omdat belanghebbende dat doet. 4.4. Na intrekking van zijn bezwaarschrift tegen de primitieve aanslag is belanghebbende van standpunt gewijzigd en heeft hij diverse verklaringen overgelegd, waarmee hij – naar het hof begrijpt – beoogt te bewijzen dat in 2014 zijn woonplaats in Duitsland gelegen is. De later door hem overgelegde verklaringen spreken de eerder door hem overgelegde verklaringen (waaronder die van hemzelf) tegen. De verklaring van [naam 11] (2.27) en de verklaring van [naam 14] en [naam 15] (2.31) spreken van een auto met Duits kenteken. Belanghebbende heeft zelf echter verklaard in 2014 met een Nederlands kenteken te hebben gereden (zie ook 4.3). Niet aannemelijk is dan dat de verklaringen van [naam 11] , [naam 14] en [naam 15] zien op 2014. De verklaring van de huisarts (2.32) geeft geen informatie waar betrokkene wel als patiënt was ingeschreven en geeft derhalve geen aanwijzing voor zijn fiscale woonplaats. De verklaring van de broer van belanghebbende is in 2022 opgemaakt en de verklaring van de heer en mevrouw [naam 12] in 2023, dus acht respectievelijk negen jaar na het jaar waarop deze procedure betrekking heeft. Alle verklaringen en de tegenstrijdigheden daarin tegen elkaar afwegend, hecht het hof meer waarde aan de bij het bezwaar tegen de primitieve aanslag en de bij het woonplaatsverzoek gegeven informatie. Het hof acht dus aannemelijk dat belanghebbende in 2014 tijdens de weekenden, vrije dagen en vakanties in Nederland verbleef. 4.5. Het hof is van het oordeel dat, gelet op de in 4.3 en 4.4 genoemde omstandigheden, aannemelijk is dat belanghebbende in 2014 in Nederland woont. 4.6. Niet in geschil is dat belanghebbende in 2014 ook inwoner van Duitsland is. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of belanghebbende op grond van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland van 16 juni 1959 (hierna: het Verdrag) als inwoner van Nederland dan wel als inwoner van Duitsland dient te worden aangemerkt. Artikel 3 van het Verdrag, zoals dat in 2014 gold, luidt als volgt: “Lid 1: Voor de toepassing van deze Overeenkomst heeft een natuurlijk persoon een woonplaats in die Staat, waar hij een woning heeft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij de woning zal blijven houden en gebruiken. Lid 2 Indien een natuurlijk persoon in geen van de Staten een woning onder de in het eerste lid bedoelde omstandigheden heeft, maar in een van de Staten gewoonlijk verblijft, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst het gewoonlijk verblijven als woonplaats beschouwd. Iemand verblijft gewoonlijk in een Staat, indien hij daar verblijft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij in deze Staat niet slechts tijdelijk vertoeft. Lid 3: Indien een natuurlijk persoon volgens de voorgaande leden zijn woonplaats in beide Staten heeft, heeft hij voor de toepassing van de artikelen 4 tot en met 19 van deze Overeenkomst zijn woonplaats in die Staat, waarmede de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt van de levensbelangen). Indien het niet mogelijk is het middelpunt van de levensbelangen vast te stellen, zullen de hoogste belastingautoriteiten van de Staten overeenkomstig artikel 25 in onderlinge overeenstemming een regeling treffen.” 4.7. Belanghebbende beschikt over woonruimte in beide landen. De beoordeling die artikel 3, lid 3, van het Verdrag in die situatie voorschrijft is in welke staat de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt van de levensbelangen). 4.8. Belanghebbende huurt een klein appartement in Duitsland en overnacht daar door de week tijdens werkweken. Belanghebbende heeft zich in Duitsland ingeschreven. Belanghebbende heeft stukken overgelegd, waaruit geconcludeerd kan worden, dat hij ook in Duitsland over (een deel van) zijn inkomen en/of vermogen inkomstenbelasting heeft betaald. 4.9. Echter, naar het oordeel van het hof zijn, gelet op de in 4.3. 4.4, en 4.8 genoemde omstandigheden, zowel de economische als de persoonlijke banden met Nederland sterker dan de banden met Duitsland. Het hof oordeelt op grond hiervan dat het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in 2014 in Nederland is gelegen en dat hij om die reden ook op grond van het Verdrag als inwoner van Nederland en dus als belastingplichtige in Nederland is aan te merken. Nieuw feit / kwade trouw 4.10. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een nieuw feit of kwade trouw die een navorderingsaanslag rechtvaardigt. 4.11. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. 4.12. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur. De inspecteur stelt dat hem na het opleggen van de primitieve aanslag is gebleken dat belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV 2014 onjuiste informatie heeft verstrekt. Daartoe is volgens de inspecteur van belang de inhoud van de aangifte IB/PVV 2014 van belanghebbende: - bij vraag 31a (Bank- en spaartegoeden en premiedepots in Nederland) heeft belanghebbende in zijn aangifte IB 2014 een bedrag van € 36 aangegeven (zie 2.5.8). - bij vraag 31b (Bank- en spaartegoeden en premiedepots buiten Nederland) heeft belanghebbende in zijn aangifte IB 2014 nihil aangegeven (zie 2.5.9). - bij vraag 31c (Aandelen, obligaties e d) heeft belanghebbende in zijn aangifte IB 2014 een bedrag van € 26.760 aangegeven (zie 2.5.10). In totaal heeft belanghebbende in zijn aangifte € 26.796 als box 3 vermogen aangegeven (zie 2.5.11). 4.13. Bij de brief van 27 november 2018 heeft de gemachtigde van belanghebbende een overzicht gevoegd waaruit blijkt dat belanghebbende op 1 januari 2014 effecten en banktegoeden bezat ter waarde van € 599.536 (zie 2.35). 4.14. Het hof stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een belastingaanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. De rechtbank heeft hierover overwogen: “6.4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in dit geval niet gehouden was nader onderzoek te doen. De stelling van belanghebbende dat voorafgaand aan de oplegging van de primitieve aanslag op 19 oktober 2017 al sprake was van een discussie omtrent diens woonplaats maakt voorgaande niet anders. Het nieuwe feit betreft namelijk niet de woonplaats van belanghebbende, maar het gegeven dat de inspecteur onbekend was met de door belanghebbende in het buitenland aangehouden spaar- en beleggingstegoeden. Bovendien hoefde de inspecteur niet te twijfelen aan het (fiscaal) inwonerschap van belanghebbende, omdat belanghebbende op dat moment zelf nog bepleitte (uitsluitend) inwoner te zijn van Nederland op dat moment. De discussie waaraan belanghebbende refereert zag op dat moment op de aftrek van hypotheekrente, niet op zijn woonplaats.” Het hof acht deze overweging op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. 4.15. Over het voor de navorderingsaanslag benodigde nieuwe feit beschikte de inspecteur pas na het opleggen van de primitieve aanslag, namelijk op het moment dat hij op 27 november 2018 informatie ontving op grond waarvan hij bekend is geworden met de door belanghebbende aangehouden buitenlandse spaar- en beleggingsrekeningen. Het hof oordeelt op grond hiervan dat de inspecteur over het voor het opleggen van de navorderingsaanslag benodigde nieuwe feit beschikte. Grondslag voor inkomen uit sparen en beleggen 4.16. De inspecteur stelt dat belanghebbende een grondslag voor inkomen uit sparen en beleggen heeft van ten minste € 600.000. De bewijslast hiervan rust op de inspecteur. 4.17. Belanghebbende heeft verschillende overzichten overgelegd met verschillende bedragen. Bij de brief van 27 november 2018 heeft de gemachtigde van belanghebbende nadere informatie verstrekt over de spaar- en banktegoeden van belanghebbende, waarmee hij bevestigt dat belanghebbende bank- en beleggingstegoeden bezat met een waarde van € 599.536 (zie 2.35). 4.18. In de toelichting bij de brief van 27 november 2018 geeft belanghebbende aan onder het kopje “KBL Bank” “7.2. De overboeking op 23 december 2013 van € 64.429,45 van rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 28] en de overboeking op 23 december 2013 van USD 37,86 van rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 29] naar de Keytrade Bank te Luxemburg. De rekeningnummers [rekeningnummer 28] en [rekeningnummer 29] die gemachtigde van belanghebbende onder dit kopje noemt zijn in het overzicht zoals genoemd onder 2.35 niet opgenomen. Hieruit concludeert het hof dat het overzicht niet compleet is en belanghebbende over meer bankrekeningen beschikte dan in het overzicht aangegeven. Bovendien sluit de optelling van de bedragen in de cellen die niet zwart zijn gemaakt niet aan bij het genoemde totaalbedrag van € 599.536, zodat mogelijk -anders dan in de toelichting aangegeven- een aantal van deze rekeningen wel bestond op 1 januari 2014. 4.19. Het hof leidt hieruit af dat het overzicht niet alle relevante informatie over de vermogenstoestand van belanghebbende op 1 januari 2014 weergeeft. 4.20. Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande aannemelijk dat belanghebbende op 1 januari 2014 over banktegoeden en een effectenportefeuille beschikte met een gezamenlijke waarde van (ten minste) € 600.000. Aan de vraag of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat de vereiste aangifte niet is gedaan komt het hof dan niet toe. Box 3 4.21. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de navorderingsaanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld, omdat de inspecteur uitgaat van een hoger rendement dan hij met het vermogen heeft behaald. 4.22. De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond overwogen: “De rechtbank overweegt dat gezien de in het betreffende jaar geldende vermogensrendementsheffing het daadwerkelijk behaalde rendement niet van belang is. Immers er wordt uitgegaan van een forfaitair rendement voor de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. Ook de stelling van belanghebbende dat de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen over 2014 op stelselniveau in strijd is met artikel 1, eerste protocol, bij het Europees verdrag van de rechten van de mens verwerpt de rechtbank. [voetnoot: Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de aanslag - na vermindering - is opgelegd naar een te hoog bedrag.” Het hof acht deze overweging van de rechtbank juist en neemt deze over. Boete 4.23. De inspecteur heeft bij de navorderingsaanslag een vergrijpboete opgelegd van € 11.620, dat is 150% van de verschuldigde belasting. De boete is door de rechtbank verminderd tot € 2.000. De inspecteur stelt in hoger beroep dat een boete van € 7.726, te verminderen met 20% naar € 6.180 wegens een overschrijding van de redelijke termijn, passend en geboden is omdat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. 4.24. Op grond van artikel 67e AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag van een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven, tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen. 4.25. De bewijslast dat sprake is van opzet, rust op de inspecteur. De bestanddelen van het beboetbare feit die de inspecteur ten grondslag legt aan de opgelegde boeten moeten daarbij door de inspecteur overtuigend worden aangetoond. 4.26. De inspecteur heeft gesteld dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende wist dan wel heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat zijn gedrag tot gevolg had dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, dat anderszins te weinig belasting zou worden geheven of dat de aangifte onjuist of onvolledig was, aldus de inspecteur. Als onderbouwing heeft de inspecteur gesteld dat: belanghebbende meer dan € 500.000 aan (aanvullende) bank- en beleggingstegoeden niet heeft vermeld, waar daar in de aangifte wel expliciet om werd gevraagd in verband met de gemaakte keuze voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige, belanghebbende (op zijn minst) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er hierover te weinig belasting zou worden geheven. belanghebbende zicht heeft (gehad) op wat de fiscale consequenties zijn van zijn handelwijzen en stellingen en op punten zelfs berekenend te werk is gegaan, gelet op de aftrek van de hypotheekrente en de wisselende verklaringen rondom zijn woonplaats. 4.27. Het hof acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. 4.28. Belanghebbende heeft een bedrag van nihil aangegeven in zijn aangifte IB/PVV, waar gevraagd werd naar buitenlandse effecten en spaartegoeden. Belanghebbende heeft met zijn brief van 16 januari 2018 (zie 2.33) expliciet ontkend buitenlandse (Duitse) rekeningen te hebben. Met het overzicht dat belanghebbende in zijn brief van 28 november 2018 stuurde, is vast komen te staan dat belanghebbende over aanzienlijke spaartegoeden in het buitenland, waaronder in Duitsland, beschikte. 4.29. Voormelde gedragingen worden door het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg dat over deze inkomsten uit spaartegoeden geen belasting wordt betaald, dat het – bij gebrek aan contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat hij dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijk kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De inspecteur heeft gelet op het voorgaande overtuigend aangetoond dat het aan belanghebbendes (voorwaardelijk) opzet is te wijten dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. 4.30. Het hof is van oordeel dat een boete van € 7.726, te verminderen met 20% naar € 6.180 wegens een overschrijding van de redelijke termijn, in deze situatie passend en geboden is. Tweede hoorzitting 4.31. Belanghebbende stelt dat artikel 7:9 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden omdat na overlegging van aanvullende stukken in de bezwaarprocedure geen tweede hoorzitting is gehouden. De inspecteur weerspreekt dat een tweede hoorzitting nodig was, omdat de overgelegde stukken nadere onderbouwing van eerder ingenomen stellingen bevatten. 4.32. Artikel 7:9 Awb bepaalt dat een nadere hoorzitting moet worden gehouden als na het horen nadere feiten of omstandigheden bekend worden, die voor de beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn. De stukken die belanghebbende heeft overgelegd, betroffen stukken ter verdere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Het feit dat belanghebbende feitelijk belasting betaalde in Duitsland was eerder ter sprake gekomen en was niet in geschil. Dit zijn in deze situatie geen stukken die voor de beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. De inspecteur heeft de hoorplicht niet geschonden door geen tweede hoorzitting te houden. Motivering beslissing 4.33. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar ondeugdelijk gemotiveerd is, omdat daaruit niet blijkt dat alle aangevoerde standpunten zijn beoordeeld. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist en heeft gesteld dat een integrale heroverweging is gedaan en dat alle argumenten zijn meegewogen. Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om er aan te twijfelen dat de heroverweging voldoende grondig en diepgaand is geweest. Immateriële schadevergoeding 4.34. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak . 4.35. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met drie weken is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. 4.36. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende, zodat de minister wordt veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500. Tussenconclusie 4.37. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.38. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.39. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond; verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten en de vergoeding voor immateriële schade; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de navorderingsaanslag, voor zover die ziet op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.154. vermindert de boetebeschikking naar een bedrag van € 6.180, veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500. De uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, R.J.M. de Fouw J. Rietveld Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Hoge Raad, 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824 brief Hertoghs Advocaten van 3 september 2019 Trb. 1959, 85 Artikel 16 lid 1 AWR Hoge Raad, 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad, 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379 Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.13.2. Het hogerberoepschrift van belanghebbende is ingekomen op 26 juli 2024.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/603695 · 2026-10-22
