Rechtbank Amsterdam, 13-10-2026 (13-220337-26)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Executie-EAB uit Polen. Voor alle vonnissen is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-220337-26 Datum uitspraak: 13 oktober 2026 UITSPRAAK op de vordering van 6 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2026 door the Circuit Court in Nowy Sącz , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt de volgende beslissingen: een vonnis van the District court in Nowy Sącz van 17 juli 2019, met kenmerk II K 257/19 (hierna: vonnis a); een vonnis van the District court in Nowy Sącz van 22 oktober 2019, met kenmerk II K 1778/18 (hierna: vonnis b); een vonnis van the District court in Nowy Sącz van 2 juli 2019, met kenmerk II K 1298/18 (hierna: vonnis c). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van: zeven maanden, nog geheel te ondergaan; één jaar en vier maanden, waarvan volgens het EAB nog één jaar, drie maanden en 28 dagen resteren; één jaar en drie maanden, nog geheel te ondergaan. Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen a, b en c. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunten van de raadsman en de officier van justitie De raadsman heeft over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen standpunt ingenomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, nu voor alle vonnissen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van drie beslissingen in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. Voor vonnissen a, b en c geldt dat uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon respectievelijk op 15 april 2019, 7 juni 2019 en 26 april 2019, in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van de voorgenomen processen. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen processen. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: diefstal; poging tot diefstal; diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen; diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 310, 311, 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Nowy Sącz , Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mr. E. de Rooij en mr. L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.