Rechtbank Rotterdam, 05-08-2026 (NL:TZ:2610084:R-RK)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Verzoek dwangakkoord afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het aanbod niet goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Daarnaast is niet het maximaal haalbare aangeboden.
Full text
RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 5 augustus 2026 afwijzen gedwongen schuldregeling in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] , verzoekster. 1 De procedure Verzoekster heeft op 20 april 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten: Total Gas and Power; ESSO t.a.v. debiteurenbeheer met zes vorderingen; Van der Belt Tankstations; die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. LAVG Tankcollect heeft de vorderingen van de weigerende schuldeisers in behandeling. Zij heeft namens EG Services (Netherlands) B.V., Klik Services B.V. en Servauto Nederland B.V. (hierna: verweerders) voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend. In haar verweerschrift heeft LAVG Tankcollect medegedeeld dat het verzoekschrift zich richt tegen de verkeerde partijen. De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 13 juli 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden. Ter zitting van 29 juli 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Gemeente Nissewaard (hierna te noemen schuldhulpverlening); de heer C.J. Cnossen, beschermingsbewindvoerder. De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. 2 Het verzoek Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift veertien schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en dertien concurrente schuldeisers met tweeëntwintig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 53.077,96 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 11 juni 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 8,56% aan de preferente schuldeisers en 4,28% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt parttime en heeft een arbeidscontract voor bepaalde tijd. Ter zitting is gebleken dat verzoekster al 1,5 jaar niet meer werkt. Haar inkomsten bestaan op dit moment uit een Participatiewet-uitkering. Er is geen officiële ontheffing van de sollicitatieplicht vanuit de gemeente. In de aanbodbrief staat dat de aangeboden regeling voorziet in een prognosepercentage, maar tevens dat het aanbod bestaat uit een saneringskrediet dat wordt betaald door het Rijk. Ter zitting heeft de schuldhulpverlening dat laatste bevestigd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan. Elf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Verweerders stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van in totaal € 1.377,15 op verzoekster. 3 Het verweer Verweerders stellen in hun verweerschrift dat het verzoek moet worden afgewezen. Het verweerschrift is gericht aan de verkeerde rechtspersonen. Ook stellen verweerders in hun verweerschrift zich op het standpunt dat de vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoekster heeft getankt en is zonder te betalen weggereden. Daarnaast heeft verzoekster volgens verweerders niet gemotiveerd heeft waarom zij niet in redelijkheid hebben kunnen weigeren met instemming met het aangeboden akkoord. Een dergelijke motivering is onontbeerlijk. Verder voeren verweerders aan dat bij het aangeboden aanbod door schuldhulpverlening wordt aangegeven dat verzoekster gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat zij onder de kindregeling valt. In de aanbodbrief stelt schuldhulpverlening dat er een saneringskrediet wordt ingezet en wordt betaald door het Rijk. Het aangeboden aanbod voorziet echter (ook) op een prognose voor 2,36%. Het is verweerders onduidelijk welk voorstel er nu door verzoekster is gedaan. In de visie van verweerders heeft verzoekster bovendien niet het maximaal haalbare aangeboden. Verweerders hebben geen onderbouwde toelichting ontvangen waarom verzoekster niet (fulltime) zou kunnen werken. Daarnaast is niet duidelijk of een eventuele schadevergoeding van de kindregeling in het minnelijk traject ten goede zal komen aan de schuldeisers. In de Wsnp geldt dat een schadevergoeding krachtens artikel 295 lid 1 Faillissementswet in de boedel valt. De Wsnp biedt derhalve een beter vooruitzicht voor de schuldeisers dan het huidige aanbod. Tot slot is toewijzing van het dwangakkoord in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Verzoekster heeft meerdere keren getankt zonder te betalen bij de tankstations. Gelet op de aard van de vordering, in samenhang met de omstandigheden van het geval, kan niet in redelijkheid van verweerders worden verlangd dat zij instemmen met een voorstel waarbij voor een gedeelte van haar vordering finale kwijting wordt verleend. Toewijzen van het dwangakkoord zou bovendien een verkeerd beeld afgeven aan de maatschappij. Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben verweerders geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten. 4 De beoordeling Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van verweerders bij hun weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of verweerders in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van verweerders een aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 2,7% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat verweerders in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. LAVG Tankcollect heeft namens verweerders een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift is onder meer gesteld dat het verzoekschrift niet gericht is tegen de oorspronkelijke schuldeisers, namelijk EG Services (Netherlands) B.V., Klik Services B.V. en Servauto Nederland B.V. Daarnaast is onduidelijk welk aanbod er precies is gedaan aan de schuldeisers. In de aanbodbrief staat dat er een prognosevoorstel wordt gedaan maar ook dat er sprake is van een saneringskrediet dat wordt betaald door het Rijk. Bovendien is er een aanbodbrief aangeleverd met de datum 11 juni 2026. Uit de correspondentie met verweerders blijkt dat er op 9 januari 2025 al geweigerd is met het aanbod in te stemmen. De aanbodbrief waarmee verweerders niet hebben ingestemd ontbreekt bij de rechtbank. Het is de rechtbank dan ook onduidelijk welk aanbod er destijds is gedaan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een prognosepercentage gebaseerd op de inkomsten uit hoofde van een parttime dienstverband. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoekster heeft geen medische stukken of een officiële ontheffing van de sollicitatieplicht van de gemeente overgelegd, waar blijkt dat zij arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van verweerders als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om verweerders te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen. 5 De beslissing De rechtbank: - wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.