Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-09-2026 (200.360.953/01)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Artikelen 3 lid 4 en 29 Wgbz Verzet tegen de beslissing van de griffier tot het heffen van griffierecht. Beroep op betalingsonmacht niet gehonoreerd omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar netto-inkomen minder bedraagt dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat zij verder niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald.
Full text
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.953 beschikking van 29 september 2026 in de zaak van [appellante] ( [appellante] ) zonder vaste woon- of verblijfplaats advocaat: mr. N.V.C. Haneveld (onttrokken) en de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (de griffier) 1 Het verloop van de procedure 1.1. In een geschil tussen [appellante] en Shurgard Nederland B.V. (de hoofdzaak) is op 27 juni 2025 een beschikking gewezen door de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen. 1.2. Tegen deze beschikking heeft [appellante] met een op 26 september 2025 ontvangen beroepschrift hoger beroep ingesteld bij dit hof. 1.3. Bij brief van 26 september 2025 heeft de griffier [appellante] verzocht een bedrag van € 362 aan griffierecht te voldoen in verband met het hoger beroep in de hoofdzaak. 1.4. Bij brief van 14 oktober 2025 heeft mr. Haneveld namens [appellante] een beroep op betalingsonmacht gedaan en verzocht om vrijstelling van het geheven griffierecht. In deze brief heeft mr. Haneveld aangevoerd dat [appellante] een beperkt inkomen heeft ter hoogte van 85,7% van de participatiewet uitkering en niet over enig vermogen beschikt. Bij de brief van 14 oktober 2025 is een viertal screenshots van een betaal- en spaarrekening gevoegd. 1.5. Bij e-mail van 22 oktober 2025 heeft mr. Haneveld aan het hof laten weten dat zij diezelfde dag het griffierecht had voldaan om er zeker van te zijn dat het hoger beroep in de hoofdzaak doorgang kon hebben. Daarbij heeft mr. Haneveld het hof verzocht het betaalde griffierecht terug te storten zodra het verzoek om betalingsonmacht wordt toegewezen. Het hof heeft het griffierecht ontvangen op 24 oktober 2025 en dit aan partijen bevestigd in de brief van 27 oktober 2025. 1.6. Op 29 oktober 2025 heeft mr. Haneveld zich onttrokken. 1.7. In zijn reactie van 8 december 2025 op het beroep van [appellante] op betalingsonmacht heeft de griffier te kennen gegeven zich te zullen refereren aan het oordeel van het hof. 1.8. Bij brief van 8 december 2025 heeft het hof de mondelinge behandeling bepaald op 25 februari 2026. 1.9. Bij e-mail van 24 februari 2026 heeft [appellante] haar onvrede geuit over de handelwijze van het hof in deze zaak. 1.10. Op 25 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij is de griffier wel maar [appellante] niet verschenen. 1.11. Bij brief van 26 februari 2026 heeft het hof gereageerd op het e-mailbericht van 24 februari 2026 van [appellante] en de procedure rondom het beroep op betalingsonmacht toegelicht. Daarbij heeft het hof [appellante] verzocht om (alsnog) te reageren op de volgende vragen: “(…) Zijn de screenshots/kopieën van de bankrekening (bijlagen bij de brief van uw advocaat) inderdaad allemaal van uw bankrekening? Dat is voor het hof niet helemaal duidelijk. Waarom krijgt u een lagere uitkering dan de gewone bijstandsuitkering? Dat heeft uw advocaat niet uitgelegd. Heeft u geen andere inkomsten en heeft u ook geen vermogen?(…)” Daarnaast heeft het hof [appellante] verzocht om bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat haar inkomen in oktober 2025 niet meer bedroeg dan € 1.114,81. Als bijlage bij de brief heeft het hof een afschrift gevoegd van de brief van 14 oktober 2025 van mr. Haneveld met bijlagen. 1.12. Ondanks toezending zowel per gewone en aangetekende post aan de bij het hof laatst bekende twee adressen van [appellante] als per e-mail naar het door haar gehanteerde e-mailadres heeft het hof geen reactie ontvangen van [appellante] op de brief van 26 februari 2026. 1.13. Daarop heeft het hof een dag voor deze beschikking bepaald. 1.14. Inmiddels heeft het hof op 7 april 2026 een beschikking gewezen in het hoger beroep in de hoofdzaak. 2 De beoordeling 2.1. Een partij die van mening is dat hij het geheven griffierecht niet kan betalen, kan binnen een periode van vier weken nadat hij het griffierecht heeft betaald in verzet komen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht (artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)). Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als het op grond van de door de partij te verstrekken: a. persoonsgegevens van zowel zichzelf als van een eventuele fiscale partner (volledige voornamen en achternaam, adresgegevens en burgerservicenummer), en b. actuele gegevens die een beeld geven van het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn voorzien van bewijsstukken van dat inkomen en vermogen, aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat: het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. 2.2. Met de brief van 14 oktober 2025 heeft (mr. Haneveld namens) [appellante] het beroep op betalingsonmacht al gedaan voordat het hof de betaling van het griffierecht heeft ontvangen. Daarmee wordt de brief van 14 oktober 2025 aangemerkt als een tijdig ingesteld verzet in de zin van artikel 29 Wgbz. 2.3. In de brief van 14 oktober 2025 en de daarbij gevoegde screenshots zijn geen actuele gegevens opgenomen, die een beeld geven van het inkomen en vermogen van [appellante] in de periode tussen het instellen van het hoger beroep in de hoofdzaak op 26 september 2025 (zie hiervoor onder 1.2) en het einde van de betalingstermijn van het griffierecht op 24 oktober 2025 (artikel 3 lid 4 Wgbz in combinatie met 1.2). Uit de screenshots van de betaal- en spaarrekening die als bijlage bij de brief van 14 oktober 2025 zijn gevoegd, kan het hof niet opmaken of deze allemaal betrekking hebben op de bankrekening(en) van [appellante] . Bovendien kan het hof hieruit niet afleiden dat ze een beeld geven van de periode tussen 26 september 2025 en 24 oktober 2025. De noodzakelijke informatie over haar inkomens- en vermogenspositie in de betreffende periode is ook op een later moment niet door [appellante] overgelegd. Ook niet nadat het hof haar daar met de brief van 26 februari 2026 om had verzocht. 2.4. Het voorgaande brengt mee dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar netto-inkomen minder bedraagt dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat zij verder niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Dit betekent dat het beroep op betalingsonmacht niet wordt gehonoreerd en het verzet tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ongegrond wordt verklaard. 3 De beslissing Het hof: 3.1. verklaart het verzet ongegrond. Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Verkijk, G.A. Diebels en M. Schoemaker en is in het openbaar uitgesproken op29 september 2026. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2026 ECLI:NL:GHARL: 20026:2059 Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651