Rechtbank Noord-Holland, 16-10-2026 (C/15/379740)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van I tot en met IV van [eiser] af, 5.2. verbiedt [gedaagde 4] totdat een kopie zoals bedoeld onder 4.51 door of namens de gerechtsdeurwaarder is gemaakt gegevens die behoren tot het e-mailaccount [e-mailadres] te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken, 5.3. bepaalt dat [gedaagde 4] moet meewerken aan het door de door [eiser] genoemde gerechtsdeurwaarder (laten) maken van een integrale en doorzoekbare kopie van het volledige account [e-mailadres] zonder datumbeperking, zoals bedoeld onder 4.51 en onder de daarin genoemde waarborgen, 5.4. bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder de onder 5.3 bedoelde kopie niet zonder toestemming van [gedaagde 4] dan wel rechterlijke beslissing aan [eiser] ter beschikking mag stellen, 5.5. bepaalt dat partijen uiterlijk 6 november 2026 de voorzieningenrechter dienen te informeren of zij overeenstemming hebben bereikt over de door de gerechtsdeurwaarder te gebruiken zoektermen en in het geval dat zo is een lijst met die overeengekomen zoektermen bij te voegen en in het geval geen (volledige) overeenstemming is bereikt partijen beiden lijsten dienen te verstrekken met zoektermen die wel of niet mogen worden gebruikt voorzien van een korte toelichting, 5.6. verklaart de beslissingen onder 5.2, 5.3, en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026. 1998 https://www.tpimagazine.com/a-new-era-for- [eiser] / ), https://philhaarlem.nl/nieuws/ [eiser] -feest , https://www.iqmagazine.com/2024/08/the-new-bosses-2024- [gedaagde 2] - [bedrijf 1] /
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
Eiser heeft met gebruik van de BOR de aandelen in (de topholding van) zijn onderneming aan zijn dochter en zoon geschonken. De aandelen worden gehouden door een STAK met dochter en zoon als certificaatghouders. Eiser vormde met dochter en zoon het bestuur van de STAK. Eiser komt in dit kort geding op tegen zijn ontslag door medebestuurders van STAK. Ook wil hij hersteld worden in zijn positie als statutair bestuurder van topholding onderneming. Ook vordert hij toegang tot (e-mails van) zijn zakelijke e-mailaccount dat hij ook privé gebruikte. Eiser stelt dat aan ontslagbesluit zowel formeel als materieel gebreken kleven die het ontslag vernietigbaar maken. Verder stelt hij als statutair bestuurder van topholding nooit ontslagen te zijn of te zijn afgetreden. De toegang tot e-mailaccount dient mede ter bepaling procespositie bodemprocedure nav mogelijke dwaling bij de schenking van de aandelen. Gedaagden voeren verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen gericht op herstel statutaire posities af en zal vordering tot toegang e-mailaccount voorwaardelijk toewijzen. Partijen mogen zich uitlaten over te gebruiken zoektermen. 2:8, 2:15 BW, 194 e.v. Rv; uitleg statuten; governance; rol- en taakverdeling.
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/379740 / KG ZA 26-392 Vonnis in kort geding van 16 oktober 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. N. Rensen, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , in haar hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] en tevens als bestuurder van [gedaagde 5] B.V., te [plaats 3] , hierna te noemen: [gedaagde 2] , 3. [gedaagde 3] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] , te [plaats 4] , hierna te noemen: [gedaagde 3] , 4. [gedaagde 4] B.V. , te [plaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 4] , 5. [gedaagde 5] B.V. , in haar hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 4] , te [plaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 5] , 6. [gedaagde 6] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 4] , te [plaats 5] , hierna te noemen: [gedaagde 6] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. R. Duursma. De zaak in het kort [eiser] is oprichter en was (indirect) eigenaar van de [bedrijf 1] , een groep ondernemingen gespecialiseerd in logistiek voor de entertainment- en evenementensector. Hij heeft zijn aandelen in 2024 aan zijn kinderen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geschonken. [gedaagde 1] houdt de aandelen in [gedaagde 4] , een holdingmaatschappij, met [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als (middellijke) certificaathouders. [eiser] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] vormden samen het bestuur van [gedaagde 1] . [gedaagde 2] (via [gedaagde 5] ) en [gedaagde 6] zijn de bestuurders van [gedaagde 4] . [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben [eiser] in mei 2026 als bestuurder van [gedaagde 1] ontslagen. [eiser] vordert dat hij weer in zijn positie als bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 4] wordt hersteld. Ook wil hij toegang tot een voormalig e-mailaccount. [gedaagden] verzetten zich tegen een terugkeer van [eiser] . De voorzieningenrechter wijst de vorderingen gericht op het herstel van de positie van [eiser] af. De vordering tot toegang tot het e-mailaccount zal in gewijzigde vorm worden toegewezen. Partijen mogen zich nog uitlaten over te hanteren zoektermen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende. Voorafgaand aan de eerste mondelinge behandeling op 17 juli 2026 zijn in het geding gebracht: - de afzonderlijke dagvaardingen van 10 juli 2026 met 35 producties - de conclusie van antwoord met 31 producties - producties 36 tot en met 38 van [eiser] 1.2. De zaak is vervolgens mondeling behandeld ter zitting van 17 juli 2026. De advocaten van partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitnota’s. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt. Aan het slot van die zitting is de zaak twee weken aangehouden teneinde partijen in staat te stellen het ter zitting aangevangen gesprek over een regeling in der minne voort te zetten. 1.3. Bij brief van 28 juli 2026 hebben [gedaagden] vonnis gevraagd. Daartegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt. [eiser] heeft aangedrongen op voortzetting van de mondelinge behandeling met het doel te bemiddelen bij het bereiken van een minnelijke regeling. [gedaagden] hebben tegen die voortzetting bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft dat bezwaar verworpen en een voortzetting van de behandeling gelast. 1.4. De vermeerderingen van eis die [eiser] na de eerste mondelinge behandeling heeft ingebracht op 29 juli 2026 en 23 september 2026, zijn bij brief van 24 september 2026 door de voorzieningenrechter wegens strijd met de goede procesorde geweigerd, met uitzondering van de hierna te noemen vordering over de toegang tot het e-mailaccount. Bij de eiswijziging van 29 juli 2026 heeft [eiser] productie 39 en een niet genummerde bijlage gevoegd. 1.5. Partijen hebben voorafgaand aan de voortgezette behandeling op 25 september 2026 producties overgelegd en akten genomen en hebben ter zitting opnieuw over en weer het woord gevoerd. Het gaat om: - de producties 40 tot en met 47 van [eiser] - de akte ten behoeve van de mondelinge behandeling van [gedaagden] met producties 32 tot en met 54 inclusief productieoverzicht - de antwoordakte van [eiser] met producties 48 tot en met 50 en een aanvullend productieoverzicht 1.6. De griffier heeft van de mondelinge behandeling van 25 september 2026 aantekeningen gemaakt. De advocaat van [gedaagden] heeft gebruik gemaakt van een pleitnota. Na verder debat heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op een termijn van drie weken. 2 De feiten 2.1. De feiten zijn gerubriceerd onder de kopjes: 1. Betrokken partijen 2. Bedrijfsopvolging 3. De statuten van [gedaagde 1] 4. Na de schenking en de nieuwe governancestructuur 5. [eiser] en de nieuwe governancestructuur 6. Communicatie tussen [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 6] 7. Minnelijke oplossing 8. Aanloop tot het ontslag 9. De ontslagvergadering 10. Na het ontslag 1. Betrokken partijen 2.2. [gedaagde 4] is enig eigenaar van een aantal Nederlandse en buitenlandse vennootschappen die samen de [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) vormen. 2.3. [bedrijf 1] is actief in gespecialiseerde logistiek voor de entertainment- en evenementensector en opereert binnen Europa, met naast Nederland, vestigingen in België, Frankrijk, Duitsland, Polen en Portugal. 2.4. [eiser] heeft [bedrijf 1] in 1980 opgericht en gedurende de jaren daarna groot gemaakt. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn zijn kinderen. 2.5. [gedaagde 1] houdt de aandelen in [gedaagde 4] , met [gedaagde 2] en [gedaagde 3] via hun persoonlijke houdstermaatschappen als certificaathouders. 2.6. [gedaagde 2] (via [gedaagde 5] ) en [gedaagde 6] zijn statutair bestuurder van [gedaagde 4] . [gedaagde 3] is werkzaam als fleetmanager. 2.7. [gedaagde 6] is in 2023 als CFO voor [bedrijf 1] gaan werken. Hij was toen nog geen statutair bestuurder. 2. Bedrijfsopvolging 2.8. In 2019 heeft [eiser] [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gevraagd om in het bedrijf te komen. [eiser] was toen 64 jaar. Hij wilde een stap terugdoen en geleidelijk aan zijn pensioen gaan denken. Daarnaast moest worden voorzien in de continuïteit van de onderneming voor het geval hem vóór zijn pensionering iets zou overkomen. De gedachte was daarom tijdig toe te werken naar opvolging binnen de familie. 2.9. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zouden daarbij, in de gebruikelijke bewoordingen, „onderaan beginnen”, om zo alle aspecten van de onderneming goed te leren kennen. 2.10. Het eerste gesprek daarover heeft plaatsgevonden tijdens een diner waarbij [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aanwezig waren, alsmede [betrokkene 1] (‘ [betrokkene 1] ’) [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), destijds een vriend van [eiser] . [betrokkene 2] is vervolgens bij de vormgeving van het opvolgingstraject betrokken gebleven. 2.11. [gedaagde 2] , die toen 24 jaar was, had enige twijfel, maar voelde ook verantwoordelijkheid voor het familiebedrijf en loyaliteit jegens haar vader. Voor [gedaagde 3] gold hetzelfde. Zij zijn op verzoek van [eiser] het opvolgingstraject ingegaan. 2.12. De uitwerking van het traject heeft vertraging ondervonden als gevolg van de coronapandemie. Na afloop van de coronaperiode is daarvan serieuzer werk gemaakt. 2.13. [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) is gevraagd te adviseren. Een eerste bespreking heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2021. In oktober 2021 volgde een bespreking over de hoofdlijnen van de fiscale en juridische aspecten van de bedrijfsopvolging. Bij deze besprekingen waren [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] steeds aanwezig. 2.14. Op 14 januari 2022 heeft vervolgens, eveneens in aanwezigheid van [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , een presentatie plaatsgevonden. Daarbij is uitgebreid stilgestaan bij onder meer de relevante aspecten van de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR), de juridische structuur na de schenking, waaronder het gebruik van een stichting die de aandelen van een vennootschap beheert (STAK) voor de governance, en de mogelijke fiscale gevolgen van de schenking voor buitenlandse fiscale autoriteiten. 2.15. Daarnaast is de hulp ingeroepen van [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), adviseur op het gebied van bedrijfsopvolging in familieverband. [betrokkene 3] heeft later vergaderingen van het [gedaagde 1] -bestuur voorgezeten. 2.16. In een door [gedaagden] overgelegd verslag van een overleg van 24 mei 2023 worden de aandachtspunten die bij de inrichting van de nieuwe governancestructuur moeten worden geadresseerd als volgt omschreven: “ We gaan werken aan het bedrijf i.p.v. enkel erin. Het bedrijf is fragiel door de afhankelijkheid van [eiser] en de individualistische kennis. Het bedrijf heeft dringend een stevige fundering nodig. Noodzakelijke New hires voor de groep : 1. Sales manager 2. Finance manager; [gedaagde 6] [ [gedaagde 6] , vz.] 3. Fleet manager / operational manager 4. Full Time HR (…) Uit het eerder geschreven plan van aanpak (Groeipijn, mei 2023), blijkt dat het bedrijf [eiser] een transformatietraject zal moeten ingaan, om meer los van de familie te komen. Belangrijk is dat er een stevig fundament ontstaat waardoor de continuiteit zoveel mogelijk gewaarborgd is. Processen, management, personeel en onderliggende IT moeten hierbij onder de loep worden genomen . (…) We hebben al toestemming van de Belastingdienst voor de BOR faciliteit. We moeten snel handelen, anders verloopt deze en moeten we weer opnieuw beginnen. We spreken af dat we de BOR en aandelenoverdracht – het eigendomsstuk – ook als prioriteit behandelen, Het kan via een STAK constructie, er zijn verschillende mogelijkheden hoe we er invulling aan kunnen geven, afhankelijk van jouw behoeften en wensen hierin (…) [eiser] en [gedaagde 2] maken een afspraak bij [betrokkene 4] van [bedrijf 2] (…) Nr. 7 Overdraagproces [eiser] • Rol verschuift van operationele eigenaar naar adviserende en commerciële rol. • Na de zomer: 4 dagen per week werken • Per januari 2024: 3 dagen p/w • Zomer 2024: 2 dagen p/w • 29 mei 2025 ” 2.17. Om meer vertrouwd te raken met het gebruik van een STAK voor de governance hebben [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich aangemeld voor een masterclass op 20 september 2023. Daarin is onder meer aandacht besteed aan de rol van een STAK, de inrichting van het STAK-bestuur en het samenspel tussen STAK, raad van commissarissen en directie. [eiser] en [gedaagde 2] hebben aan deze masterclass deelgenomen. 2.18. Op 9 oktober 2023 is er door de organisator van de masterclass een andere bijeenkomst georganiseerd gericht op ouder/kindkoppels die in gesprek gaan over de rolverdeling in het familiebedrijf. [eiser] en [gedaagde 2] hadden zich ook hiervoor aangemeld. 2.19. Op 7 oktober 2023 heeft [eiser] zich bij [gedaagde 2] afgemeld voor de bijeenkomst op 9 oktober waarna zij [eiser] schreef: “ Je hebt aangegeven komende 2 jaar bestuurder van de STAK te willen zijn met meerderheid van zeggenschap. Helemaal prima, maar dan moet je je wel verdiepen op dit onderwerp en wat dan jouw rol betekent. Daar is maandag een uitgelezen kans voor ” 2.20. Bij de vormgeving van de bedrijfsoverdracht was voorts notaris mr. [notaris] te [plaats 6] betrokken (hierna: de notaris). Op 24 augustus en 24 oktober 2023 hebben bij hem besprekingen plaatsgevonden. Het contact met de notaris is met name door [gedaagde 2] onderhouden. 2.21. De overdracht van de onderneming zou worden vormgegeven door middel van schenking van de aandelen met toepassing van de BOR. Met het oog daarop diende de onderneming te worden gewaardeerd. 2.22. De invulling van de governancestructuur is opnieuw aan de orde gekomen tijdens een familieberaad op15 maart 2024 onder leiding van [betrokkene 3] . Daarbij waren naast [betrokkene 3] aanwezig: [eiser] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ). [betrokkene 5] werkte op interimbasis voor [bedrijf 1] . Blijkens de daarbij gebruikte powerpointpresentatie werd uitgegaan van drie bestuurders en besluitvorming met een tweederde meerderheid. Verder werd erin voorzien dat [gedaagde 2] samen met een CFO de directie van de [gedaagde 4] zou vormen en dat [eiser] zou plaatsnemen in de STAK en een in te stellen raad van advies. 2.23. In de toelichting op het toepassen van een STAK stond vermeld: “ Waarom een STAK? [eiser] een stem na overdracht aandelen.” 2.24. Over de raad van advies vermeldt de presentatie onder meer: “ RVA: operationeel advies en toezicht • Samenstelling [betrokkene 5] en [eiser] • Specifieke onderwerpen besproken • Advies samenstelling directieteam • Advisering over strategie bedrijf • Bewaken Budget • Jaarlijkse flow vs nieuwe investeringen bewaken • Beloning en bonussen directieteam en familieleden • Grote tours • Grote Aan- en verkopen (directiereglement vastleggen) • Advies dividenduitkering aan STAK (…) RVA advies/strategie/budget ” 2.25. In de presentatie van [betrokkene 3] komen de volgende slides voor: {Afbeelding 1} en {Afbeelding 2} (onderliggende dochtervennootschappen zijn weggelaten) 3. De statuten van [gedaagde 1] 2.26. In de eerste door de notaris opgestelde concept statuten van [gedaagde 1] stond [eiser] als haar enige bestuurder vermeld. De notaris heeft [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 6] op 1 mei 2024 gemeld dat hij voorbereidende akten wilde gaan passeren en hen gevraagd of er nog aanpassingen gewenst waren en voor het geval dat zo was dat hij deze dan graag die dag of de dag daarop zou ontvangen. [gedaagde 2] heeft de notaris en [eiser] dezelfde dag een e-mail gestuurd met een bijlage met punten en wijzingen die zij met de notaris wilde bespreken en geschreven dat zij de notaris over een kwartier zou bellen . 2.27. De notaris heeft [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op 7 mei 2024 een e-mail gestuurd met als onderwerp ‘ [gedaagde 1] ’ met als bijlagen aangepaste documenten voor [gedaagde 1] en de administratievoorwaarden. Deze e-mail luidt voor zover relevant: “ Deze wijzigingen zijn als volgt: Statuten stichting [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden gezamenlijk het gehele bestuur van de stichting. Geen beperkte benoemingstermijn voor bestuurders, ontslag enkel in geval van gewichtige redenen (gronden voor ontslag op staande voet). Het besluit tot het verlenen van een volmacht behoeft unanimiteit van het gehele bestuur. Iedere bestuurder blijft zelfstandig bevoegd om de stichting te vertegenwoordigen. Is dat correct of wordt de voorkeur gegeven aan een “twee-handtekeningenstelsel”? Administratievoorwaarden Er wordt nu benadrukt dat het bestuur zich bij de uitoefening van het stemrecht in de vennootschap dient te richten op het belang van de vennootschap, met de nadruk op lange termijn waardecreatie, en de belangen van de certificaathouders. Decertificering behoeft unanimiteit van alle bestuurders. De overige punten uit de mail van [gedaagde 2] worden feitelijk geadresseerd in andere stukken, zoals de prijsbepaling uit de blokkeringsregeling (artikel 9) van de statuten van [gedaagde 4] B.V. en de akte van schenking van de aandelen, waarin bepalingen staan omtrent uitsluiting partners. Ik heb daarnaast de volmacht voor de oprichting en het besluit tot vaststelling van de administratievoorwaarden gewijzigd. Indien de aanpassingen akkoord zijn, zie ik die graag zo snel mogelijk ondertekend retour. Ook dienen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bijgaande personal datacards te tekenen ten behoeve van hun inschrijving in het handelsregister. Zouden jullie mij ook nog kunnen bevestigen dat we inderdaad door kunnen gaan met de herstructurering ondanks de discussie omtrent de waardering? ” 2.28. Op 13 mei 2024 is de akte van oprichting van [gedaagde 1] door de notaris gepasseerd. De statuten van [gedaagde 1] luiden voor zover relevant: “ Artikel 3. Doel (…) 2. De Stichting zal de in administratie genomen aandelen op zodanige wijze beheren en administreren, dat de belangen van de certificaathouders zo goed mogelijk worden gewaarborgd. (…) Artikel 4. Bestuur: samenstelling, benoeming, defungeren . (…) 3. Een bestuurslid defungeert: (…) e. door zijn ontslag verleend door het bestuur om gewichtige redenen; (…) Artikel 5. Bestuur: taak en bevoegdheden: bezoldiging . 1. Het bestuur is belast met het besturen van de Stichting overeenkomstig het doel van de Stichting. (…) Artikel 7. Bestuur: besluitvorming . (…) 2. De bijeenroeping van een bestuursvergadering geschiedt schriftelijk onder opgaaf van de te behandelen onderwerpen op een termijn van ten minste zeven dagen. (…) 4. Toegang tot de vergaderingen hebben de bestuursleden alsmede zij die daartoe door de vergadering zijn uitgenodigd. Een bestuurslid kan zich door een schriftelijk door hem daartoe gevolmachtigd medebestuurslid ter vergadering doen vertegenwoordigen. (…) 5. Ieder bestuurslid heeft één stem. 6. Alle besluiten waaromtrent bij deze statuten niet anders is bepaald worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende de volstrekte meerderheid van het aantal in functie zijnde bestuursleden.. ” 2.29. [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn bij oprichting van [gedaagde 1] als bestuurders aangewezen. 2.30. [gedaagde 4] is ontstaan door splitsing uit [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ). Daarbij is het vermogen van [bedrijf 3] onder algemene titel overgegaan op [gedaagde 4] en is [bedrijf 3] alle aandelen gaan houden in [gedaagde 4] . De akte houdende splitsing en oprichting vennootschap is door de notaris gepasseerd op 15 mei 2024. [eiser] en [gedaagde 2] staan daarin vermeld als bestuurders van [gedaagde 4] . 2.31. [eiser] heeft bij notariële akte van 16 mei 2024 zijn aandelen in [bedrijf 3] in gelijke delen geschonken aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . 2.32. Naast een STAK is besloten tot oprichting van een raad van advies. 4. Na de schenking en de nieuwe governancestructuur 2.33. Op 19 juli 2024 zijn in een vergadering van het bestuur van [gedaagde 1] afspraken gemaakt over de verschillende rollen binnen de organisatie en de honorering van de betrokken functionarissen. Bij deze vergadering waren aanwezig: [eiser] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 6] en [betrokkene 5] , de laatste als lid van de raad van advies. De notulen vermelden daarover onder meer het volgende: “ Te bespreken punten managementvergoedingen: Doel: vaststellen vergoeding en overeenkomsten van directie [bedrijf 1] door de aandeelhouders. [gedaagde 6] en [betrokkene 5] zijn aanwezig voor ondersteuning en advies. [eiser] geeft aan in eerste instantie bezwaar te hebben tegen management overeenkomsten (winkel in winkel), maar gaat na diverse toelichting van/door [gedaagde 6] , [betrokkene 5] en [gedaagde 2] akkoord, als het de wens is van iedereen. [betrokkene 5] vult nog aan dat hij de voorwaarden van [gedaagde 6] & [gedaagde 2] ook heeft neergelegd bij de RVA leden en dat ook die aangeven geen bezwaar hebben en deze contractvorm en de hoogte van de vergoeding passend is. Besluit: De STAK gaat akkoord met de samenwerkingsvorm met management bv’s. (…) [gedaagde 6] wordt per 1/8/2024 ingeschreven als zelfstandig bevoegd bestuurder [eiser] wordt per 1/8/2024 uitgeschreven als zelfstandig bevoegd bestuurder. [eiser] zal het papierwerk ondertekenen. [eiser] is in diverse vestigingen buiten Nederland in Loondienst, we gaan uitzoeken of dit verplicht is, of we [eiser] kunnen/moeten vervangen door [gedaagde 2] . Waar mogelijk willen we geen onnodige (dubbele) dienstverbanden in de buitenlanden. De buitenlanden betalen het hoofdkantoor vervolgens door de maandelijkse managementfee die zij (nu al) betaald aan de moedermaatschappij. De vergoeding van [eiser] is door [gedaagde 6] op een rij gezet en is akkoord, te weten EUR 12.000 per maand tot en met 31 december 2024, gebaseerd op een parttime functie Administratie van [eiser] wordt door [bedrijf 1] gedaan, EUR 1.000,- maandkosten worden in rekening gebracht zoals enkele maanden geleden reeds getoond in de begroting. In ieder geval tot en met 31 december 2024, daarna gaan we met elkaar besluiten wat de beste oplossing is voor de toekomst. (…) RVA – Focusgebieden o [eiser] : (nieuw) business, relaties, fleet management, vastgoed. o [betrokkene 6] : Operationele uitvoering, organisatie, duurzaamheid, coaching CEO o [betrokkene 7] : business finance, due diligence, legal, coaching CFO o [betrokkene 5] : Organisatie, HR-beleid, HR-finance, Arbo, coaching HR manager Wat verder ter tafel komt (…) Studio in Portugal is veel in geïnvesteerd en er komen nog kosten aan. Onduidelijk is wat de verwachte omzet is en de bijdrage aan [bedrijf 1] . [eiser] is bereid om dit project binnen zijn eigen beheer BV voort te zetten. [gedaagde 6] zal dat verder uitwerken. ” 2.34. De raad van advies komt naast [eiser] te bestaan uit [betrokkene 6] ( [betrokkene 6] ), [betrokkene 7] ( [betrokkene 7] ) en [betrokkene 5] . 2.35. De bedrijfsopvolging is in augustus 2024 geëffectueerd. Aan de gewijzigde rolverdeling is in verschillende publicaties (binnen en buiten de branche) aandacht besteed. 2.36. Ook in de interne communicatie is aandacht besteed aan de transitie. In een door [gedaagden] als productie 4 overgelegde presentatie tijdens een Country Manager Meeting in Lodz, Polen, is de nieuwe structuur weergegeven op de pagina met het opschrift “Internal governance as per August 24”: {Afbeelding 3} 2.37. De Kamer van Koophandel heeft [eiser] op verzoek van [gedaagde 6] op 18 februari 2025 uitgeschreven. 2.38. Medio 2025 is de voormalige werkkamer van [eiser] in het hoofdkantoor te [plaats 2] omgevormd tot een vergaderruimte. Het personeel is daarover op 28 mei 2025 door de directie geïnformeerd. 5. [eiser] en de nieuwe governancestructuur 2.39. In de loop van 2025 treedt aan het licht dat [eiser] moeite heeft zich aan te passen aan de hiervoor weergegeven wijzigingen in de governancestructuur. Illustratief daarvoor zijn de volgende documenten: 2.39.1. Een verslag van de raad van advies van de vergadering van 7 mei 2025. Daarin staat onder meer: “ 2. Samenwerking en verhoudingen [eiser] , [gedaagde 2] / [gedaagde 6] De samenwerking en onderlinge verhoudingen tussen [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 6] zijn zorgelijk en worden uitvoerig besproken, mede naar aanleiding van de signalen uit de mail van [gedaagde 2] . Bevindingen en conclusies: • [eiser] deelt de zorgen. • Hij geeft ook aan zich onvoldoende betrokken te voelen en zelfs afgewezen. Hij ervaart een gebrek aan erkenning voor zijn opgebouwde werk en inbreng. • Hij begrijpt dat hij een stap terug moet doen, maar wenst in zijn nieuwe rol als adviseur zijn kennis en ervaring beschikbaar te blijven stellen. • [eiser] is trots op de inzet van [gedaagde 2] . Ze is bijzonder goed bezig met het leggen van contacten en samenwerking opzoeken met andere partijen. Maar [eiser] ziet ook een gebrek aan ervaring en kennis op bepaalde vlakken. • Hij wil niet het gevoel hebben bewust buiten spel gezet te worden. • Specifiek noemt hij het uitblijven van betrokkenheid bij het fleetmanagement, terwijl hier eerder afspraken over zijn gemaakt. Reactie vanuit RVA: • [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 5] benadrukken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 6] als directie hun eigen koers moeten varen. Dat betekent ook dat gemaakte keuzes kunnen afwijken van eerdere werkwijzen. • [eiser] wordt erop gewezen dat hij in zijn nieuwe rol geen zelfstandige acties meer kan nemen zonder overleg met de directie. Dit betreft onder meer: bezoeken aan vestigingen, klant- en leverancierscontacten, financiële en andere besluiten en representatieve taken. • (...) • Tegelijkertijd wordt aangegeven dat [gedaagde 2] en [gedaagde 6] zich ook aan afspraken dienen te houden. Ze moeten zich ook openstellen voor [eiser] ’ inbreng. (…) 2b. Oplossingsrichting en vervolgacties Voorstel: • In de vergadering van juni zal de rolverdeling en de wederzijdse verwachtingen opnieuw besproken worden, in gezamenlijkheid met RVA. • Daarbij wordt ook gekeken naar eerdere afspraken: moeten deze worden herbevestigd of aangepast? Vervolgens wordt besproken hoe de praktische uitvoering ervan eruitziet (…) ”. 2.39.2. Een brief van drie leden van de raad van advies van 26 mei 2025 aan [eiser] waarin onder meer staat: “ Tijdens de laatste RVA-bijeenkomst hebben we met jou de samenwerking tussen jou en de directie besproken. We hebben ruim de tijd genomen, om ook jouw kant van de zaak te horen en ons advies daarin te geven. Ook is afgesproken dat er een vervolgoverleg plaatsvindt waarin we nieuwe afspraken zullen maken en formeel vastleggen. Daarbij was onze verwachting dat jij je tot die tijd terughoudend zou opstellen en je aan de eerder gemaakte afspraken zou houden. Uit de ontvangen communicatie en onze gesprekken met [gedaagde 6] en [gedaagde 2] blijkt echter dat je noch deze terughoudendheid in acht neemt, noch je aan de gemaakte afspraken houdt. En je daarentegen steeds meer met bedrijfszaken bezighoudt, waar je niet meer voor verantwoordelijk ben [t ]. Dit baart ons grote zorgen en heeft geleid tot onze volgende overwegingen: Je bent momenteel niet in staat om voldoende afstand te nemen van het bedrijf - zowel mentaal als operationeel. Jouw handelen leidt tot onduidelijkheid, verwarring, vertraging, wantrouwen en onderlinge onvrede. Jouw handelen is op sommige punten onwettig (handtekeningen zetten, terwijl je geen positie hebt in de directie) Jouw acties brengen financiële risico’s met zich mee, onder meer doordat je zonder afstemming of goedkeuring van de CFO, verplichtingen met leveranciers aan wil gaan, waarvoor je geen mandaat hebt. Er ontstaan ook juridische risico’s, doordat contractuele verplichtingen worden aangegaan zonder formele bevoegdheid. Je eigenzinnig handelen veroorzaakt onrust binnen de organisatie en kan het imago van [bedrijf 1] schaden. In onze rol als RVA moeten we de directie ondersteunen en helpen bij het nemen van ‘moeilijke’ besluiten. We zijn ervan overtuigd dat het belang van [bedrijf 1] daarbij voorop moet staan. Om rust, duidelijkheid en continuïteit te waarborgen, is het daarom wat ons betreft noodzakelijk dat jij je volledig terugtrekt uit de zakelijke kant van het bedrijf. Dat is niet alleen voor [bedrijf 1] , maar ook in jouw eigen belang. We adviseren de directie daarom om een aantal maatregelen formeel aan jou te communiceren, daar hoort onder meer bij: Geen zakelijke activiteiten meer voor [bedrijf 1] : geen uitgaven, toezeggingen of verplichtingen. Geen toegang meer tot de locaties van [bedrijf 1] , tenzij je hiervoor expliciet wordt uitgenodigd. Dat geldt zowel voor Nederland als de locaties in het buitenland. Geen contact meer met leveranciers of klanten namens [bedrijf 1] . Om te voorkomen dat er betalingen worden verricht door jou, zonder afstemming met directie, niet meer de beschikking hebben over bedrijfscreditcard en betaalpas. Leveranciers, klanten, countrymanagers en andere sleutelfiguren bij [bedrijf 1] zullen op de hoogte moeten worden gebracht.” 2.39.3. Naar aanleiding van een verzoek van de directie heeft de Raad van Advies op 11 juni 2025 – [eiser] was op dat moment wegens vakantie afwezig –, opnieuw over [eiser] rol en positie vergaderd. 2.39.4. De resultaten van dat overleg zijn met [eiser] gedeeld op 27 juni en bij brief van 9 juli 2025 op de volgende wijze bevestigd. “ Beste [eiser] , In de afgelopen maanden hebben we meerdere keren overleg gevoerd over de samenwerking tussen jou (oud-eigenaar), [gedaagde 2] en [gedaagde 6] (directie van [bedrijf 1] ). In mei hebben we [gedaagde 2] en [gedaagde 6] al een brief gestuurd met het dringende advies om stappen te ondernemen ter voorkoming van een onwerkbare situatie. We vonden dat de belangen van het bedrijf in het gedrang dreigen te komen, en dat te veel energie moet worden besteed aan gesprekken hierover, het herstellen van communicatie en fouten, en het voorkomen van verwarring. Inmiddels zijn we een aantal maanden verder en is de situatie niet verbeterd, ondanks jouw toezeggingen om te veranderen. In ons laatste gesprek op 27 juni hebben wij daarom duidelijk gemaakt dat voortzetting van jouw betrokkenheid op de huidige wijze niet langer verantwoord is. Ook hebben we jou aangegeven dat wij de directie hebben geadviseerd om hierover een formeel besluit te nemen. De kern van ons advies is dat jij geen betrokkenheid meer kan hebben bij zowel de strategische als de dagelijkse gang van zaken binnen [bedrijf 1] . Twee kapiteins op een schip werkt nu eenmaal niet. Omdat de Raad van Advies hierin geen formele beslissingsbevoegdheid heeft, hebben wij de directie geadviseerd om hierover een besluit te nemen en op korte termijn een gesprek met jou te voeren. Onze overwegingen hierbij zijn: Je blijkt niet goed in staat te zijn om voldoende afstand te nemen van het bedrijf – zowel mentaal als operationeel. Jouw handelen leidt vaak tot onduidelijkheid, verwarring, vertraging, wantrouwen en onvrede binnen het team. In sommige gevallen handel je zonder bevoegdheid, zoals het zetten van handtekeningen. Je gaat financiële verplichtingen aan zonder overleg met of goedkeuring van de CFO, zonder dat je de bevoegdheid hebt. Hiermee ontstaan ook juridische risico’s: want het aangaan van contractuele verplichtingen zonder formele bevoegdheid kan schadelijk zijn voor de onderneming. Jouw aanwezigheid en optreden veroorzaakt onrust; mensen weten niet meer naar wie ze moeten luisteren. Al het bovengenoemde kan het imago van [bedrijf 1] ernstig schaden. Wij zijn van mening dat het belang van [bedrijf 1] nu voorop moet staan. Om rust, duidelijkheid en continuïteit te waarborgen, hebben wij de directie geadviseerd om met jou hierover een gesprek aan te gaan en af te spreken dat jij je volledig terugtrekt uit de zakelijke activiteiten van het bedrijf. Ook hebben we geadviseerd om dit formeel aan jou te bevestigen en het besluit, op een zorgvuldige manier, te communiceren aan klanten, leveranciers en medewerkers. In feite is dit de formele bevestiging van wat informeel tijdens het feest in februari al is gecommuniceerd. Wat betreft je deelname aan de Raad van Advies achten wij het verstandig dat je ook hierin vooralsnog geen actieve rol meer vervult. Aangezien de RVA nog geen formeel statuut en aanstellingsprocedure kent, zal de directie ook hierin een besluit moeten nemen.” 2.40. [betrokkene 5] heeft zich op 23 juli 2025 teruggetrokken uit de raad van advies. 6. Communicatie tussen [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 6] 2.41. De communicatie tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 2] en [gedaagde 6] anderzijds is in de loop van 2025 verslechterd. In dat verband is onder meer het volgende van belang: 2.41.1. [gedaagde 2] heeft [eiser] op 1 mei 2025 per e-mail aangesproken op het overschrijden van zijn bevoegdheden als STAK-bestuurder. Zij schrijft hem onder meer: “1. Bevoegdheidsgrenzen Als bestuurder van de STAK beschik je niet over tekenbevoegdheid voor operationele of financiële verplichtingen namens de dochtermaatschappijen van [gedaagde 4] BV. Je handelt buiten je mandaat wanneer je zonder overleg en formele goedkeuring toezeggingen of uitgaven doet namens deze entiteiten. 2. Reis naar Spanje De boeking van een bezoek aan de trailerhandelaar [bedrijf 4] in Spanje, zonder voorafgaand overleg met of instemming van de aandeelhouders of bevoegde operationele bestuurders, is een overschrijding van je rol. Dergelijke besluiten vallen buiten je bestuursbevoegdheden en worden als ongeoorloofd beschouwd. 3. Ongeldige contracten Contracten die door jou worden ondertekend namens de operationele entiteiten, zonder geldige volmacht of bestuursmandaat, zijn niet rechtsgeldig. Eventuele hieruit voortvloeiende verplichtingen of schade zullen volledig op jou persoonlijk worden verhaald. We verzoeken je met klem om je bestuursrol strikt te beperken tot de taken en verantwoordelijkheden die horen bij je functie binnen de STAK, en af te zien van zelfstandig optreden in operationele of contractuele aangelegenheden van de werkmaatschappijen. Bij herhaling van dit gedrag zullen passende stappen worden overwogen.” [eiser] heeft daarop geantwoord: “ Heb het bezoek aan [bedrijf 4] met [gedaagde 6] overlegd. [betrokkene 8] gaat mee. Dus snap je probleem niet. Ga de week daarna naar Lotz om tevens het concert van [betrokkene 8] te bezoeken. Ga zo door. [eiser] ” [gedaagde 2] heeft daarop onder meer geantwoord: “ Het is belangrijk om de feiten te weergeven hoe ze zijn: Je had het bezoek al gepland en geboekt. Op een dag waarvan je wist dat ik bezig was met [betrokkene 9] , ben je met [gedaagde 6] gaan praten om hem van jouw bezoek te overtuigen. Je had ruim van tevoren om toestemming moeten vragen voor dit werkbezoek, niet last minute dit gaan pushen. Mocht het niet duidelijk zijn, dan voel ik ook de noodzaak om de leverancier te verwittigen dat je niet bevoegd bent om trailers aan te kopen en contracten te tekenen. Noch de directie, noch de STAK heeft jou gevraagd om 10 nieuwe trailers te gaan kopen, dit is een eigen initiatief van jou. De directie en de STAK hebben welgevraagd aan jou om spullen te verkopen . We hebben een bezettingsgraad van 38%, de winstgevendheid gaat naar beneden en we zitten krap qua cash. We hebben allerlei 2-assers flat beds, die we amper kunnen inzetten, want niet geschikt voor staal. Ik zeg al sinds december dat deze zomer een gek jaar wordt, toch zijn er 30 nieuwe flat beds gekocht. [bedrijf 5] neemt maar de helft af en maar ipv 5 maanden. [bedrijf 6] heeft bijna helemaal geen werk voor ons qua staging, vanwege de long stays. We hebben een hele voorraad busjes staan, die je ook ongevraagd , voor de handel hebt gekocht, vanwege de BPM. Deze busjes kunnen we niet eens inzetten op onze rental fleet, omdat het andere modellen zijn. Ik heb je afgelopen jaren alle ruimte gegeven om rustig af te bouwen, alles bedekt onder de mantel der liefde. Wat ik hiervoor terug krijg, is een man die zich i.p.v. als vader, gedraagt als een rebelse puber. De enige manier om de familiesituatie te herstellen, is dat iedereen weer terug stapt in zijn rol. Dat betekent dat ik mij i.p.v. als zorgzame ouder weer als kind in de familie opstellen. En dat jij je weer als vader moet gaan gedragen. Soms zijn de dingen simpeler dan ze lijken. Kan en wil jij je als vader gaan gedragen, of blijf je hangen in de rondschoppende rebel? Mijn mail vloeit voort uit noodzaak, omdat de situatie steeds onwerkbaarder wordt. Mijn gezondheid en mijn thuissituatie lijden eronder. ” Waarop [eiser] antwoordde: “ [gedaagde 2] Wat een kut mail Je weet amper wat er gebeurt. Misschien is praten beter. Fijne vakantie ” 2.41.2. Op 24 juli 2025 hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 2] [eiser] een e-mail gestuurd over het evenement Sail GP. Daar in staat onder meer: “ Hallo [eiser] , [gedaagde 3] en ik sturen je deze mail vanuit onze rol binnen de STAK, omdat we ons als aandeelhouders zorgen maken over jouw voornemen om in augustus naar St. Tropez te gaan en je operationeel te mengen in het SAIL GP-project. We willen je erop wijzen dat de rol van aandeelhouder geen bevoegdheid geeft om je met operationele zaken te bemoeien. Daarnaast vinden we het belangrijk om de relatie met de directie goed te houden — en dat vraagt om duidelijke grenzen in ieders rol. Daarom doen we vanuit de STAK een duidelijke oproep aan jou: ga niet naar de SAIL GP, en vermijd ook de parkings en andere Locaties die met dit project te maken hebben. ” 2.41.3. Op 13 augustus 2025 heeft [gedaagde 2] mede namens [gedaagde 3] [eiser] een e-mail gestuurd met als onderwerp ‘STAK – waarschuwing omtrent berichten aan medewerkers’. Daar staat onder meer: “ Beste [eiser] [gedaagde 3] en ik sturen je deze e-mail als medebestuurders van [gedaagde 1] . We willen je aandacht vragen voor onze gezamenlijke verantwoordelijkheid als bestuurders van de stichting en daarmee als vertegenwoordigers van de aandeelhouders van [gedaagde 4] B.V. We hebben kennisgenomen van een recent contact dat je hebt gehad met een werknemer van (een dochteronderneming van) [gedaagde 4] . De toon en inhoud van dat contact waren ongepast en hebben geleid tot verwarring en spanning binnen de organisatie. Hoewel we begrijpen dat het loslaten van je voormalige rol als DGA niet eenvoudig is, willen we je nadrukkelijk wijzen op de grenzen van je huidige positie. Het behoort niet tot je huidige rol om je te mengen in de operationele planning van de werkplaats of hierover instructies te geven. Daarnaast is het versturen van emotioneel geladen berichten (huile balk) niet gepast en draagt dit niet bij aan een constructieve samenwerking. Als bestuurders van de stichting zijn wij gezamenlijk verantwoordelijk voor het aandeelhouderschap, en niet voor operationele aansturing. Operationele inmenging (in welke vorm dan ook) is niet passend en wordt door ons beiden sterk afgekeurd. We willen je dan ook met klem verzoeken om je volledig te onthouden van direct contact met medewerkers van de operationele groep, tenzij dit expliciet via het bestuur van de operationele groep wordt afgestemd. We hechten veel waarde aan een stabiele en professionele relatie tussen de aandeelhouders en de operationele organisatie. Jouw recente handelen heeft deze relatie onder druk gezet. Daarom zien wij ons genoodzaakt deze e-mail te sturen als een laatste waarschuwing. Mocht zich opnieuw een situatie voordoen waarin sprake is van operationele inmenging, dan zullen wij je positie als bestuurder van de stichting ter discussie stellen. We vertrouwen erop dat je deze boodschap serieus neemt en dat we samen kunnen blijven werken aan een constructieve en respectvolle aandeelhoudersrelatie, waarin ieders rol helder is en wordt gerespecteerd. ” [eiser] heeft dezelfde dag [gedaagde 2] als volgt geantwoord: “ Wat een Fuck mail weer. Ik weet dat je aanstuurt dat ik uit de zaak moet. Daar zijn àlles signalen al geruime tijd op gericht. Dit gaat zelfs voor financieel voordeel van de zaak. Vergeet niet dat ik ook in staat ben iets te doen. Dat wil ik zeker niet, maar als gedwongen wordt veranderd dat . Jammer we hadden in mijn ogen een goed gesprek. Papa ” 2.42. Op 1 september 2025 stuurt [eiser] in antwoord op een e-mail van [gedaagde 6] over trailerbestellingen het volgende bericht: “ Jezus mina [gedaagde 6] Zal je mijn mail van gisteren sturen aan [betrokkene 10] [Country Manager The Netherlands, vz]. Lees die maar eens goed ! [betrokkene 11] wil helemaal geen 3 Assers ‚ [betrokkene 12] [Country Manager France] komt net kijken en heeft nog geen verstand van onze “Branche” en klanten ( [betrokkene 13] wel, ze kent de hele Franse show wereld, haar ex man is/was bekende Tourmanger in Frankrijk FR. [betrokkene 10] is theater man met geen internationale ervaring op het tour gebied. Nu over jou functioneren, je bent financiële man die opeens CFO/COO is en over OG gaat, de productie afdeling en het wagen park. Je hebt van deze zaken geen verstand. Denk dat je je moet beperken tot je vak. Wat [betrokkene 8] betreft, hij zit niet op zijn plaats bij ons ‚ misschien moet je je eens verdiepen in zijn carrière en wat navraag doen. Dus ik zet hem niet in mijn CC’s Groeten [eiser] ” 2.42.1. Op 2 september 2025 antwoordt [gedaagde 6] . Hij schrijft daarin onder meer: “ Beste [eiser] , Ik schrijf je deze mail met respect en in alle openheid. De afgelopen periode heb ik me persoonlijk ingezet om jou betrokken te houden bij het bedrijf via gesprekken, mails, vergaderingen en door je actief te betrekken waar mogelijk. Ondanks dat sommigen eerder al afstand namen, heb ik steeds geprobeerd ruimte te creëren voor samenwerking. In diverse overleggen hebben we duidelijke kaders gesteld en werken we inmiddels op een nieuwe manier. Deelname aan overleg en besluitvorming kan niet langer uitsluitend op jouw voorwaarden plaatsvinden. Als je ervoor kiest om daar niet in mee te gaan, dan is verdere samenwerking helaas niet werkbaar. Wat mij zorgen baart, is de manier waarop je communiceert met collega’s zoals [betrokkene 10] , [betrokkene 14] , [betrokkene 8] , [betrokkene 15] , [betrokkene 11] , [betrokkene 16] en anderen, inclusief mijzelf. Er is weinig ruimte voor dialoog, tegenargumenten worden vaak terzijde geschoven en overleg wordt niet altijd serieus genomen. (…) Je zet mensen continue onder druk en brengt daarmee de gezondheid van onze collega's en daarmee de onderneming in gevaar. Ik kan dit niet langer toelaten. (…) Het spijt me dat je niet trots kunt zijn op het bedrijf, je collega’s en de directie. Ik had graag gebruik gemaakt van jouw ervaring en kennis, maar op deze manier zet je jezelf buiten spel. Ik hoop oprecht dat het je lukt om los te laten wat nodig is, en dat we in de toekomst alsnog een vorm van samenwerking kunnen vinden. Dat zou waardevol zijn. Waar nodig wil ik je graag helpen maar ik zit niet langer te wachten lange mails over mijn functioneren, dat van anderen of meningen over collega’s die in het bedrijf werkzaam zijn. Mocht je twijfels hebben over mijn functioneren, dan verwijs ik je graag naar de STAK - ik heb hen in CC gezet. ” 2.42.2. Op 18 september 2025 heeft [betrokkene 10] , Country Manager the Netherlands, [gedaagde 2] en [gedaagde 6] een e-mail geschreven met als onderwerp ‘ [eiser] in Cadiz’. [betrokkene 10] concludeert dat de aanwezigheid van [eiser] in Cadiz bij de zogeheten load out van Sail GP niet nodig en ook niet gewenst is onder meer vanwege de verwachte uitwerking van zijn bemoeienis met de operatie op werknemers en chauffeurs. 2.42.3. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben [eiser] op 1 oktober 2025 een e-mail gestuurd met als onderwerp ‘Dringende oproep tot gedragsverandering binnen de STAK’. Die e-mail luidt: “ Beste [eiser] , Gegeven de recente ontwikkelingen zien [gedaagde 3] en ik, als jouw medebestuurders in de STAK [eiser] , ons genoodzaakt je opnieuw een formele waarschuwing te sturen. In deze e-mail lichten we toe waarom we tot deze stap zijn gekomen. Wij constateren dat je [gedaagde 3] , [gedaagde 6] en mij blijft bestoken met e-mails die niet alleen denigrerend zijn, maar ook schadelijk voor de onderlinge samenwerking en het functioneren van de organisatie. De toon en inhoud van je berichten, waaronder uitlatingen als “jullie zijn knettergek”, “stop [gedaagde 3] ”, “jullie vermoorden mij” en “stop de kapitaalvernietiging”, zijn niet passend binnen een professionele omgeving. Daarnaast baart het ons grote zorgen dat je collega’s binnen de [bedrijf 1] herhaaldelijk op een denigrerende wijze benoemt. Termen als “Mammoettanker”, “Brilletje”, “Boekhoudertje”, “Snotjong”, “Huilebalk” en “Dikke Smookie” zijn enkele voorbeelden van kwalificaties die je per e-mail hebt geuit. Het behoeft geen nadere toelichting dat dit gedrag onacceptabel is en het bestuur van [gedaagde 4] eist dat dit per direct stopt. Tot slot hebben wij tot onze spijt moeten constateren dat je in een recente e-mail letterlijk hebt aangegeven dat, indien het bestuur van [gedaagde 4] jouw wensen niet volgt, je jouw contacten zult doorverwijzen naar concurrenten. Met deze uitlating geef je aan bereid te zijn te handelen in strijd met het belang van de STAK , hetgeen een directe overtreding vormt van artikel 3.2 van de statuten van de stichting. Als certificaathouders in de STAK achten [gedaagde 3] en ik dit gedrag volstrekt onacceptabel. Wij verzoeken je dan ook dringend om schriftelijk te bevestigen dat je deze opmerking niet in de praktijk zult brengen en dat je je zult houden aan de statutaire verplichtingen die voortvloeien uit jouw rol binnen de STAK. Om voorgaande redenen sturen [gedaagde 3] en ik je hierbij opnieuw een officiële waarschuwing. We moeten helaas vaststellen dat jouw gedrag in toenemende mate schadelijk is voor onze investering en de continuïteit van de onderneming. Deze waarschuwing wordt dan ook toegevoegd aan het dossier dat wij hierover bijhouden. Wij doen een dringend beroep op je om je communicatie voortaan op een respectvolle en constructieve wijze te voeren, zodat we gezamenlijk kunnen werken aan een gezonde en professionele werkomgeving. ” 2.42.4. Op 10 november 2025 vond wat [gedaagden] aanduiden als het taartincident plaats. [eiser] heeft die dag aan (delen van) het personeel taart uitgedeeld. Naar aanleiding daarvan hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 6] het volgende aan het personeel geschreven: “ Dear colleagues, Earlier today, [eiser] shared cake with several teams and made a light-hearted comment suggesting upcoming news on December 1st and a decision involving [gedaagde 2] . We want to clarify that these remarks do not reflect any actual plans or decisions from the leadership team. There is no announcement scheduled for December 1st, and no recent change in direction regarding [gedaagde 2] ’s role or input. To create clarity and prevent further confusion, we have prepared the attached formal statement. This document was not originally planned for release today, but given the circumstances, we felt it was important to share it now. In the coming days, key suppliers and, if necessary, clients will also be informed to ensure alignment and transparency. Finally, we thank [eiser] for the gesture of bringing cake. While we appreciate moments of connection, we want to emphasize that all formal updates will continue to be shared through the appropriate channels. ” [eiser] heeft dezelfde dag het personeel als volgt bericht: “ Dear colleagues and employees, A well-intentioned cake and innocent jokes during a pleasant coffee break unfortunately turned into an overblown drama. I meant absolutely nothing with the jokes. To clarify: I've given my company to my children. [gedaagde 2] is now the boss, she works very hard, and I have complete confidence in her. I'm 70 years old and I'm not coming back. My position, with 50 years of experience, is purely advisory. The panic email from management last Wednesday at 1:00 PM is, in my opinion, disrespectful and inappropriate. I expect everyone to treat each other with respect .” 2.42.5. In de notulen van een door [betrokkene 3] voorgezeten vergadering van het bestuur van [gedaagde 1] van 10 februari 2026 staat onder meer: “5 . Onderlinge relaties binnen STAK De vergadering staat grotendeels in het teken van relationele spanningen tussen de Bestuurders. Geconstateerd wordt: Verschillen in communicatie leiden tot wederzijdse frustratie. Er wordt verschillend tegen feiten en besluitvorming aangekeken. Familie-, operationele- en bestuursrollen lopen door elkaar. [eiser] ervaart buitensluiting en onvoldoende informatie. [gedaagde 2] ervaart onvoldoende steun en erkenning in haar rol als CEO. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] geven aan behoefte te hebben aan duidelijke rolafbakening. [eiser] geeft aan dat zijn kennis en ervaring naar zijn mening onvoldoende wordt benut. De discussie verloopt emotioneel. [eiser] geeft aan dat hij zijn betrokkenheid bij operationele aangelegenheden van de [bedrijf 1] niet kan en wil loslaten. Het beëindigen van zijn actieve ondernemende rol binnen of rondom de onderneming is voor hem geen reële optie. Hij geeft aan dat hij graag actief wil blijven ondernemen. In dat kader verwijst hij naar de activiteiten in Portugal, waar hij mogelijkheden en potentieel ziet en waarin hij een rol voor zichzelf zou willen vervullen. Tijdens de bespreking wordt de metafoor gebruikt van “twee kapiteins met verschillende visie op één schip”. Vastgesteld wordt dat een situatie waarin [gedaagde 2] en [eiser] feitelijk formeel en informeel invloed uitoefenen op de operationele aansturing, terwijl de formele eindverantwoordelijkheid bij de CEO ligt, spanning en onrust veroorzaakt binnen de organisatie en bestuurlijk niet duurzaam is. De vergadering wordt door alle aanwezigen als niet-constructief ervaren. Conclusie voorzitter De voorzitter constateert dat: De vergadering niet conform agenda is verlopen. Een groot deel van de geplande agendapunten niet behandeld kon worden. De relationele spanningen effectieve besluitvorming belemmeren. Voor een goed functionerende governance een heldere en gerespecteerde rolafbakening noodzakelijk is tussen: o STAK-bestuur (toezicht en formele bevoegdheden), o Directie (operationele leiding), o Aandeelhouders (economisch belang). Voor de operationele aansturing van de onderneming één duidelijke eindverantwoordelijke noodzakelijk is, om consistentie in beleid en rust binnen de organisatie te waarborgen. Vraagstukken die [eiser] in privé-hoedanigheid raken, niet binnen de STAK- vergadering thuishoren maar separaat en in passende hoedanigheid besproken dienen te worden. Wenselijk is om een voorstel te doen om de bestuurlijke effectiviteit te herstellen en de rolafbakening te verduidelijken. ” 2.42.6. Op 14 februari 2026 stuurt [eiser] een e-mail aan onder meer [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 6] met als onderwerp ‘Spoed STAK’ over [betrokkene 10] , Country Manager The Netherlands. Daarin staat: “ Beste STAK leden, Graag wil ik een spoedvergadering op zeer korte termijn. Maandag 16 februari of dinsdag 17 februari 2026. Ik wil verzoeken om [betrokkene 10] per direct op non-actief te zetten en de ontslag procedure in gang te zetten. Vrijdag 13 februari jl. heb ik [betrokkene 10] gesproken over de situatie die is ontstaan met [betrokkene 17] [planner, vz] . [betrokkene 10] heeft hierbij uitspraken gedaan die enorm grote gevolgen zullen hebben voor het voortbestaan van de [bedrijf 1] . ” 2.42.7. [gedaagde 2] heeft [eiser] op 15 februari 2026 als volgt geantwoord: “Beste [eiser] , Ik had oorspronkelijk een e-mail klaarstaan die ik na het weekend wilde versturen, omdat ik het belangrijk vind dat iedereen ook zijn rust en vrije tijd heeft. Sinds vrijdagmiddag 17.00 uur heb ik echter al drie nieuwe e-mails van je ontvangen. Voor de volledigheid wil ik benadrukken dat het STAK-bestuur geen bevoegdheid heeft over operationele rollen. De verantwoordelijkheid van de STAK beperkt zich tot het benoemen en ontslaan van de directie. Daarom zie ik niet hoe een STAK-vergadering over dit onderwerp tot een besluit kan leiden. Hierbij mijn oorspronkelijke reactie t.o.v. een aantal zaken van afgelopen week: Afgelopen dinsdag heeft de STAK een vergadering gehouden waarin jouw rol als STAK-bestuurder opnieuw is besproken. We hebben toen benadrukt dat deze rol wezenlijk anders is dan de voormalige operationele rol die je als DGA vervulde, en je gevraagd je strikt aan deze rol te houden. In deze vergadering, gaf jezelf aan dat je dat niet kan. Dat is in de opeenvolgende dagen gebleken en helaas hebben wij moeten constateren dat je deze week meerdere grenzen hebt overschreden: Je hebt een ontmoeting gehad met onze voormalige fleetmanager, [betrokkene 8] , terwijl je destijds zelf zeer regelmatig en dringend hebt aangedrongen op beëindiging van zijn contract, omdat je zijn functioneren als onvoldoende beoordeelde. Je hebt je direct gemengd in een operationele kwestie rondom een planner, waarbij je diverse medewerkers in de operatie rechtstreeks hebt benaderd. Dit heeft tot aanzienlijke verwarring geleid. Je bent zonder overleg op bezoek gegaan bij een klant waarbij de betreffende planner voor diens projecten verantwoordelijk is. Deze gebeurtenissen zijn ernstig en vergroten de bestaande spanningen binnen de STAK rondom rolverwarring. Ik stuur je deze e-mail namens de andere STAK-bestuurders en aandeelhouders. Met dit gedrag schaad je de onderneming. Je hebt dinsdag aangegeven dat je moeite hebt met loslaten, maar het blijft noodzakelijk dat je je volledig houdt aan de afgesproken rol. Wij vinden de situatie ernstig verwijtbaar en verzoeken je dringend deze grensoverschrijdingen onmiddellijk te stoppen. Volgende week reis je naar Polen om drie trekkers te verkopen, dat stellen we zeer op prijs en veel dank daarvoor. Wij stellen het niet op prijs als blijkt dat je je daar met andere zaken bemoeit, waaronder de kwestie rondom de Poolse planner, waar momenteel de ontvangen klachten van worden onderzocht. We willen dan ook dat je in geen enkele vorm contact hebt met deze planner .” 2.42.8. [gedaagde 6] heeft [eiser] 31 maart 2026 een e-mail geschreven met als onderwerp ‘Stop met inmenging… Portugal-deal staat op het spel’. [gedaagde 6] schrijft daarin: “ Hi [eiser] , Ik moet je helaas opnieuw wijzen op het effect van je handelen. En dat vind ik oprecht jammer, omdat het de afgelopen weken juist rustiger leek te worden. Het bevestigt wel het beeld dat een diepgaande samenwerking op de lange termijn niet zal werken, we moeten je helpen om geforceerd afstand te nemen. Een constructie waarbij [bedrijf 1] Portugese drivers gaan inhuren bij jou is bij deze definitief géén optie meer. Met name sinds we samen spreken over Portugal (overname studio) had ik het gevoel dat we elkaar beter vonden. We hadden het over rust en ruimte, vertrouwen in het proces, en de mogelijkheid om eindelijk een deal tot stand te brengen. Daar heb ik hard aan getrokken, en ik was eerlijk gezegd ook trots dat het leek te lukken. De laatste dagen zie ik echter opnieuw het oude patroon terugkomen. (...) Ik wil hier weer heel duidelijk over zijn: de aansturing van medewerkers, planning, operatie en personele zaken ligt bij de directie. Dat is geen discussiepunt, maar een randvoorwaarde om het bedrijf rustig en goed te laten draaien. (…) Ik ga ervan uit dat dit helder is .” 7. Minnelijke oplossing 2.43. Partijen hebben in het eerste kwartaal van 2026 met betrokkenheid van [betrokkene 3] , [betrokkene 6] (namens [bedrijf 1] ), en [betrokkene 5] (namens [eiser] ) gesproken over een volledige terugtrekking van [eiser] uit [bedrijf 1] , het wederzijds overnemen van vastgoed in Nederland en Portugal en het overnemen van de vestiging in Portugal (verhuur- en studioactiviteiten) door [eiser] . [gedaagde 2] en [gedaagde 6] wilden deze vestiging namelijk sluiten. 8. Aanloop tot het ontslag 2.44. Op 12 mei 2026 is [eiser] onaangekondigd op de zaak verschenen, vergezeld van een personeelslid dat kort daarvoor op non-actief was gesteld en later door de directie is ontslagen vanwege een geweldsincident op de werkvloer. [eiser] heeft twee medewerkers die in zijn voormalige werkkamer met een sollicitatiegesprek bezig waren verzocht de kamer te verlaten omdat hij die nodig had. Daarna heeft hij op zeer luide toon en voor overige medewerkers goed hoorbaar tegen [gedaagde 2] gesproken over wat hij vond van haar functioneren. Dat heeft hij ook gedaan tegenover [gedaagde 6] . Ook is hij uitgevallen tegen een tijdelijke HR-medewerker die hij abusievelijk aanzag voor een andere medewerker die hij verweet verantwoordelijk te zijn voor vele ontslagen die vielen, ontslagen waarmee [eiser] het niet eens was. Op enig moment is [eiser] met het later ontslagen personeelslid in de kantine gaan lunchen. Toen [gedaagde 2] hem sommeerde te vertrekken uit de kantine waar [eiser] met het personeelslid had plaatsgenomen, heeft [eiser] in laten weten dat hij dat weigerde en dat zij moest „oprotten”. 9. De ontslagvergadering 2.45. Dit incident is voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aanleiding geweest om een voorstel tot ontslag van [eiser] als bestuurder van [gedaagde 1] te agenderen voor de bestuursvergadering van 26 mei 2026. 2.46. [betrokkene 3] heeft de uitnodiging voor die vergadering op 15 mei 2026 om 19.19 uur per e-mail aan de bestuurders gezonden, onder gelijktijdige toezending van de conceptagenda en een memorandum van drie pagina’s houdende de redenen voor ontslag. 2.47. Op 18 mei 2026 heeft [eiser] zijn reisagent gevraagd naar de beschikbaarheid van vluchten naar Portugal in week 22 en 23. 2.48. Mr. Rensen heeft mr. Duursma namens [eiser] op 20 mei 2026 een e-mail gestuurd. Daarin ia onder meer verzocht om een toelichting op de bevoegdheid van [betrokkene 3] een vergadering van het bestuur van [gedaagde 1] bijeen te roepen en om het overleggen van relevante stukken. Ook staat daarin dat [eiser] de inhoud van het memorandum bij gebreke aan onderbouwing vooralsnog betwist en [eiser] op het standpunt staat dat hij niet rechtsgeldig is gedefungeerd als bestuurder van [gedaagde 4] . Ook verzoekt [eiser] daarin om constructief overleg om een minnelijke oplossing. 2.49. Op 22 mei 2026 heeft de reisagent drie data genoemd voor een vlucht naar Lissabon: 25 en 26 mei of 3 juni. [eiser] heeft dezelfde dag gekozen voor een vlucht naar Portugal met vertrek op 25 mei 2026 om 16.40 uur. 2.50. Vlak voor zijn vertrek heeft [eiser] [gedaagde 3] bezocht en geprobeerd hem ertoe te bewegen tegen zijn ontslag als bestuurder te stemmen. Daarbij heeft [eiser] een verband gelegd met het ontvangen van een erfenis en met de mogelijkheid voor [gedaagde 3] om te blijven wonen in de woning die hij van [eiser] huurt. 2.51. Bij e-mail van 25 mei 2026 om 22.24 uur heeft [eiser] zich via mr. Rensen afgemeld voor de vergadering van het [gedaagde 1] -bestuur. Daarbij is meegedeeld dat mr. Rensen wel bij de vergadering aanwezig zou zijn. Mr. Duursma heeft daarop bericht dat de statuten van [gedaagde 1] dat niet toestaan. 2.52. De vergadering heeft op 26 mei 2026 plaatsgevonden. Op verzoek van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] is deze voorgezeten door [betrokkene 3] als onpartijdig voorzitter zonder stemrecht. Mr. Rensen is als toehoorder tot de vergadering toegelaten. Het voorgestelde ontslagbesluit is besproken. Daarbij is onder meer aan de orde gekomen dat een constructieve samenwerking met [eiser] binnen het bestuur van [gedaagde 1] en binnen de onderneming niet langer mogelijk werd geacht en dat het belang van de onderneming daardoor ernstig in gevaar werd gebracht. Mr. Rensen is in de gelegenheid gesteld het (afwijzende) standpunt van [eiser] toe te lichten, maar niet als formele vertegenwoordiger van [eiser] in de vergadering van het bestuur (“off the record”). Het voorstel tot ontslag is vervolgens in stemming gebracht. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben voor het te nemen besluit gestemd om [eiser] met onmiddellijke ingang als bestuurder van [gedaagde 1] te ontslaan. 10. Na het ontslag 2.53. Op 1 juni 2026 heeft [gedaagde 2] [eiser] onder meer geschreven dat vanwege zijn ontslag als bestuurder van [gedaagde 1] de toegang tot zijn e-mailadres ( [e-mailadres] ) wordt geblokkeerd en op termijn zal worden beëindigd. 2.54. Mr. Rensen heeft de notaris per e-mail verzocht een feitelijke toelichting te geven op de gang van zaken rondom de wijziging in de totstandkoming van de definitieve notariële stukken. Mr. Rensen heeft daarin 21 vragen geformuleerd. De notaris heeft als volgt gereageerd (de vragen van mr. Rensen zijn niet gecursiveerd weergegeven; alleen de vragen die door [notaris] zijn beantwoord zijn geciteerd): “1. Welke uitgangspunten zijn bij aanvang van uw werkzaamheden aan u meegegeven over de positie van [eiser] na overdracht en certificering van de aandelen? Op 24 augustus 2023 heeft een eerste kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Wat ik uit mijn notities van dat gesprek herleid, was het de bedoeling dat [eiser] gefaseerd zou uittreden en dat er wel al vanaf het begin middels een participatie-overeenkomst een vorm van medezeggenschap voor de certificaathouders zou moeten komen. Er is bijvoorbeeld gesproken over een besluitenlijst. Ik maak daaruit op dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in eerste instantie niet in het bestuur van de STAK zitting zouden nemen, ook gezien het concept dat ik opgesteld heb. Dit participatiereglement is er uiteindelijk overigens niet gekomen. 2. Waarom is in het eerste concept van de akte van oprichting [eiser] als enig bestuurder van de STAK aangewezen? Gezien het vorenstaande. 3. Klopt het dat in het door [gedaagde 2] op 1 mei 2024 toegezonden concept met opmerkingen nog steeds [eiser] als enig bestuurder van de STAK was opgenomen? Dat klopt. 4. Heeft het aangekondigde telefoongesprek van 1 mei 2024 tussen [gedaagde 2] en u plaatsgevonden? Dat heeft plaatsgevonden. 5. Zo ja, wat is in dat telefoongesprek besproken over de samenstelling van het STAK-bestuur, de positie van [eiser] , volmachten, besluitvorming, benoemingstermijnen, ontslag en de verhouding tussen certificaathouders en het belang van het bedrijf? Ik heb geen notities van dit gesprek, maar gezien de aanpassingen die ik in het concept heb doorgevoerd ten aanzien van de samenstelling van het bestuur van de STAK, zal in dit gesprek de samenstelling van het bestuur besproken zijn. 6. Wie heeft voorgesteld of verzocht om de inrichting te wijzigen van [eiser] als enig STAK-bestuurder naar een gezamenlijk STAK-bestuur bestaande uit [eiser] , [gedaagde 2] en [eiser] ? Het gesprek was tussen [gedaagde 2] en mijzelf. Ik zou dit niet zelfstandig hebben gewijzigd, dus deze wijziging zal uit het gesprek zijn voortgevloeid. Gezien de vanaf het begin voorgenomen gefaseerde overdracht van de zeggenschap en het tijdsverloop van het dossier, dat door externe factoren langer duurde dan gebruikelijk, kwam dit niet uitzonderlijk op mij over. (…) 12. Waarom is ervoor gekozen om alleen voor het verlenen van volmacht en decertificering unanimiteit voor te schrijven, maar niet voor alle wezenlijke besluiten of voor besluiten waarmee [eiser] feitelijk buiten de zeggenschap kon worden geplaatst? Dat zou ik niet kunnen zeggen. (…) 14. Heeft iemand op uw vraag over het twee-handtekeningenstelsel gereageerd? Zo ja, wie en wat was die reactie? Nee. (…) Ten aanzien van de vragen 7 tot en met 21, kan ik enkel bevestigen dat mijn e-mail van 7 mei 2024 de enige toelichting betreft die ik naar aanleiding van de wijzigingen heb gegeven. Aangezien de wijzigingen mijns inzien pasten in de voorgenomen gefaseerde overdracht van de zeggenschap, alle partijen steeds bij alle communicatie betrokken waren en ik bovendien met geïnformeerde, professionele partijen van doen had die in mijn ogen op een constructieve manier samenwerkten op basis van wederzijds vertrouwen, heb ik verder geen persoonlijk contact gehad met de verschillende partijen om een en ander verder toe te lichten. Zoals in die e-mail aangegeven, achtte ik de ontvangst van de getekende volmachten en besluiten als voldoende instemming met de aanpassingen. ” 2.55. Mr. Rensen heeft namens [eiser] op 11 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen de door de Kamer van Koophandel verwerkte uitschrijving van [eiser] als bestuurder van [gedaagde 4] en onmiddellijke rectificatie geëist. Tekst Tekst 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert na wijziging van eis dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagden] , ieder voor zover het hem of haar aangaat, te veroordelen om binnen twee (2) werkdagen na betekening van het vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan herstel en handhaving van [eiser] als bestuurder van [gedaagde 1] en als statutair bestuurder van [gedaagde 4] , waaronder het doen of mede doen van de benodigde opgaven aan het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, totdat in een bodemprocedure anders is beslist; II. [gedaagden] , ieder voor zover het hem of haar aangaat, te gebieden [eiser] vanaf betekening van het te vonnis te behandelen als bestuurder van [gedaagde 1] en als statutair bestuurder van [gedaagde 4] , en hem als zodanig toe te laten tot alle vergaderingen, besluitvorming, informatievoorziening, correspondentie en stukken die bij die functies behoren, totdat in een bodemprocedure anders is beslist; III. [gedaagden] te verbieden om, hangende een bodemprocedure, opnieuw een besluit te nemen of uit te voeren dat strekt tot ontslag van [eiser] als bestuurder van [gedaagde 1] op dezelfde feitelijke grondslag als het besluit van 26 mei 2026, tenzij vooraf een nieuwe, volledige en zorgvuldige besluitvormingsprocedure wordt gevolgd waarin [eiser] tijdig alle concrete verwijten en onderliggende stukken ontvangt en daadwerkelijk in de gelegenheid wordt gesteld daarop te reageren; IV. [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zover het hem of haar aangaat, te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan een of meer van de hiervoor genoemde veroordelingen, met een maximum van € 250.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; V. [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zover het hem of haar aangaat, te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris advocaat en de noodzakelijke verschotten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende (15e) dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling; VI. [gedaagde 4] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis het e-mailaccount [e-mailadres] te reactiveren en [eiser] de gebruikelijke toegang tot het account en de bestaande mappen, berichten en bijlagen te geven, zonder gegevens te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken, althans een volledige, doorzoekbare digitale kopie te verstrekken van alle nog beschikbare berichten, mappen, bijlagen en metadata van het account tot de datum van verstrekking, althans te bepalen dat, voor zover [gedaagde 4] stelt dat gewichtige redenen aan volledige verstrekking van gegevens uit het account in de weg staan, de selectie wordt uitgevoerd door een gerechtsdeurwaarder verbonden aan gerechtsdeurwaarderskantoor [bedrijf 7] , kantoorhoudende aan de [adres] [plaats 6] , die uitsluitend de gegevens afschermt waarvan verstrekking op grond van die gewichtige redenen achterwege moet blijven; VII. [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zover het hem of haar aangaat, te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien deze kosten niet binnen veertien (14) dagen na aanschrijving zijn voldaan. 3.2. [gedaagde 1] c.s. voeren verweer. [gedaagde 1] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. 4.2. Het spoedeisend belang bij de voorzieningen is, voor zover betwist, voldoende aannemelijk. Statutair bestuurderschap [eiser] bij [gedaagde 4] en [gedaagde 1] Niet aannemelijk dat [eiser] nog statutair bestuurder van [gedaagde 4] is 4.3. Over de stelling dat [eiser] nog steeds statutair bestuurder is van [gedaagde 4] wordt het volgende opgemerkt. 4.4. Niet bestreden is dat de feiten onder 2.33 tot en met 2.36 passen in het beeld dat [eiser] geen statutair bestuurder meer is van [gedaagde 4] . Een en ander is volstrekt conform de opzet van de governance, waar partijen langjarig naartoe hebben gewerkt. Daarmee verdraagt zich niet dat [eiser] nog steeds bestuurder zou zijn. 4.5. [gedaagden] betwisten niet dat geen sprake is geweest van een formeel besluit van de verantwoordelijke AVA of een ondubbelzinnige, eenzijdige ontslagname door [eiser] , maar zij hebben voldoende aannemelijk weten te maken dat betrokken partijen in het kader van de gehele bedrijfsoverdracht zijn overeengekomen dat [eiser] geen statutair bestuurder meer zou zijn binnen [gedaagde 4] . Zijn betrokkenheid bij [bedrijf 1] zou vorm krijgen in zijn rol als bestuurder van [gedaagde 1] en lid van de raad van advies. [gedaagden] hebben voldoende voorbeelden genoemd waaruit volgt dat [eiser] zelf ook wist dat hij geen statutair bestuurder meer was, die behoudens het ontvangen van een brief van de Kamer van Koophandel over zijn uitschrijving als bestuurder, niet voldoende door [eiser] zijn weersproken. 4.6. Het gaat om: de in- en externe presentatie vanaf 2024 over de nieuwe rollen van [gedaagde 2] , [gedaagde 6] en [eiser] in de gremia betrokken bij [gedaagde 4] / [bedrijf 1] , het transformeren van de voormalige werkkamer van [eiser] naar een algemene bespreekkamer, afspraken omtrent de afbouw en het niet voorkomen van [eiser] als directielid in het jaarverslag van [gedaagde 4] dat [gedaagde 1] heeft goedgekeurd en het niet deelnemen aan bestuursvergaderingen. Ook het feit dat [eiser] het bestuur van [gedaagde 1] bijeen wilde roepen voor een vergadering in verband met het op non-actief stellen en ontslaan van country manager [betrokkene 10] toont aan dat [eiser] ook zelf niet meende nog bestuurder van [gedaagde 4] te zijn. Als hij nog meende dat wel te zijn had hij als bestuurder van [gedaagde 4] [gedaagde 2] en [gedaagde 6] als medebestuurders kunnen aanspreken over dit onderwerp. Alles wijst erop dat Pas nadat [eiser] bekend raakte met het voornemen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om het als bestuurder van [gedaagde 1] te ontslaan is hij zich tegenover hen en [gedaagde 4] op het standpunt is gaan stellen dat hij nog steeds statutair bestuurder van [gedaagde 4] was. Eerder niet. 4.7. Gezien: de betrokkenheid van zowel [eiser] als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij de besluitvorming zoals die blijkt uit het onder 2.33 weergegeven [gedaagde 1] -verslag, de omstandigheid dat zowel uit die weergave als uit een veelheid van hiervoor genoemde andere feitelijkheden volgt dat [eiser] ook zelf ervan uitging geen bestuurder meer van [gedaagde 4] te zijn, de bepalingen die betrekking hebben op het nemen van besluiten door het bestuur van [gedaagde 4] en de AVA in de statuten van [gedaagde 4] (artikel 11 lid 5 en artikel 18 van de statuten), is de voorzieningenrechter van oordeel dat (ook) de redelijkheid- en billijkheidsnorm van artikel 2:8 BW in de weg staat aan een succesvol beroep van [eiser] op het ontbreken van een conform de statuten van [gedaagde 4] formeel tot stand gekomen en vastgelegd besluit tijdens een vergadering van de AVA van [gedaagde 4] tot het ontslag van [eiser] als bestuurder dan wel het ontbreken van een door [eiser] opgesteld bericht of brief aan [gedaagde 4] waarin hij laat weten als bestuurder af te treden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond om [eiser] voorlopig in zijn positie als bestuurder van [gedaagde 4] te herstellen. Terugkeer van [eiser] in bestuur [gedaagde 1] ? Juridisch kader 4.8. Het komt de voorzieningenrechter nuttig voor om alvorens in te gaan op de inhoudelijke bespreking van de standpunten een kort resumé te geven van het juridisch kader waarbinnen die standpunten moeten worden beoordeeld. 4.9. Juridisch gezien kenmerkt de door [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gekozen structuur zich door de volgende elementen: De certificaathouders hebben geen direct stemrecht in de werkvennootschap (in dit geval [gedaagde 4] ), maar houden certificaten. Zij kunnen in de STAK-vergadering bindende steminstructies geven aan het bestuur van de STAK, mits dit in de administratievoorwaarden van de STAK is vastgelegd. Het bestuur van de STAK is juridisch eigenaar van de aandelen in de werkmaatschappij. Zij oefent als aandeelhouder het stemrecht uit in de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van de werkvennootschap. In deze vergadering brengt het STAK-bestuur de stemmen uit namens de onderliggende certificaathouders. 4.10. In het Nederlandse vennootschapsrecht (Boek 2 BW) is de bevoegdheidsverdeling tussen de AVA en het bestuur van de werkvennootschap als volgt geregeld: Het bestuur van de werkvennootschap is in beginsel zelfstandig belast met het besturen van de vennootschap (artikel 2:239 BW). Dit betekent dat het bestuur bepaalt welke strategie wordt gevoerd. De AVA kan het bestuur van de werkvennootschap enkel verplichten om instructies op te volgen als dit expliciet in de statuten van de werkvennootschap is opgenomen (artikel 2:239 lid 4 BW). Zelfs als er statutaire instructierechten bestaan, is het bestuur niet verplicht om instructies op te volgen die in strijd zijn met het vennootschappelijk belang (het belang van de onderneming en de bij de onderneming betrokken stakeholders). Het bestuur van de STAK heeft wel een indirect machtsmiddel: het heeft de bevoegdheid de bestuurders van de werkmaatschappij benoemen of ontslaan. 4.11. Gesteld noch gebleken is dat in de statuten van [gedaagde 4] is opgenomen dat de AVA het bestuur van [gedaagde 4] kan verplichten instructies op te volgen. 4.12. Zoals [eiser] op zichzelf terecht heeft betoogd, kan hij op grond van de statuten van [gedaagde 1] slechts als bestuurder van [gedaagde 1] worden ontslagen indien daarvoor ‘gewichtige redenen’ bestaan. De andere in de statuten genoemde gevallen zijn hier niet aan de orde. Partijen verschillen van mening over de uitleg van die norm. Volgens [eiser] moet gelet op de toelichting van de notaris worden aangesloten bij de maatstaf die geldt voor een ontslag op staande voet van een werknemer (een dringende reden, artikel 7:677 en 7:678 BW). [gedaagden] weerspreken dat en stellen dat gelet op de aan te leggen uitlegmaatstaf (eerder) moet worden aangesloten bij de maatstaf die geldt voor het ontslag van een stichtingsbestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechter (artikel 2:298 BW). Volgens [gedaagden] heeft de notaris de vergelijking met een ontslag op staande voet gemaakt om aan leken als [eiser] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] een idee te geven bij deze ontslaggrond. Volgens [gedaagden] kan deze strenge arbeidsrechtelijke norm niet binnen het vennootschapsrecht worden toegepast. 4.13. Het is vaste rechtspraak dat bepalingen in statuten zoals die van [gedaagde 1] in beginsel moeten worden uitgelegd aan de hand van objectieve maatstaven. Die statuten hebben immers niet alleen invloed op de rechtspositie van de opstellers daarvan, maar raken ook de rechtspositie van derden, die niet bij het opstellen ervan betrokken zijn geweest. Dat betekent dat aan de toelichting van de notaris bij de uitleg van de hier aan de orde zijnde bepaling geen betekenis kan toekomen. 4.14. Naar gangbare uitleg is van gewichtige redenen sprake indien de aan de bestuurder verweten gedragingen en de daardoor ontstane situatie, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien meebrengen dat van [gedaagde 1] redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat de betrokkene nog langer als bestuurder aanblijft. Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang worden meegewogen. De rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] en haar bestuurders wordt daarbij mede beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Die bepaling verlangt dat degenen die bij de rechtspersoon zijn betrokken zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Die norm wordt mede ingevuld door de aard van de rechtsverhouding, de wijze waarop de samenwerking is ingericht en de gerechtvaardigde verwachtingen die partijen redelijkerwijs over en weer mochten hebben. 4.15. De zaak is een spinoff van een bedrijfsopvolging binnen een familiebedrijf, waarbij de aandelen niet aan een derde zijn verkocht, maar in het kader van estate planning aan de volgende generatie ter uitvoering van een schenking zijn overgedragen, terwijl tegelijkertijd een STAK-structuur is ingericht. Dat betekent dat de wijze waarop [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] binnen de governance van de onderneming met elkaar zijn omgegaan niet los kan worden gezien van de afspraken en verwachtingen die partijen destijds bij die bedrijfsopvolging over en weer hebben gehad. Ontslag - formeel 4.16. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat niet is voldaan aan de formele vereisten om in de vergadering van het [gedaagde 1] -bestuur van 26 mei 2026 rechtsgeldig besluiten te kunnen nemen heeft hij dat onvoldoende onderbouwd gedaan. De uitnodiging is tijdig uitgegaan. Tussen de uitnodiging en de vergadering lagen meer dan de statutair voorgeschreven zeven dagen. Het is [eiser] zelf geweest die heeft besloten om naar Portugal af te reizen terwijl hij wist dat een vergadering was uitgeschreven waarvan het enige agendapunt het voorstel van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] tot zijn ontslag als bestuurder betrof. Ook heeft mr. Duursma op verzoek van mr. Rensen voorafgaand aan de vergadering enige, aan het memorandum ten grondslag liggende stukken toegezonden. Zoals hierna zal worden overwogen is het memorandum voor [eiser] voldoende concreet en duidelijk geweest om zich te kunnen verweren. Dat het besluit op grond van het bepaalde in artikel 2:15 BW vernietigbaar is omdat [eiser] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zich te kunnen verweren heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd en kan dan ook niet worden volgehouden. Ontslag – materieel 4.17. Het ontslagbesluit is in de bijlage bij de brief waarbij dit [eiser] is meegedeeld, naar de kern samengevat, als volgt toegelicht. [eiser] heeft volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn taken als [gedaagde 1] -bestuurder verzaakt door niet in het belang van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] te handelen, maar in zijn eigen belang. Dat is in dat memorandum geïllustreerd aan de hand van twaalf voorvallen/geconstateerde problemen. Het gaat samengevat op de bejegening van [eiser] van diverse personeelsleden van [bedrijf 1] , van [gedaagde 2] en [gedaagde 6] , het ondanks door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geven van waarschuwingen zich zonder ruggespraak of toestemming van [gedaagde 2] of [gedaagde 6] inlaten met operationele activiteiten, het in november 2025 bij het uitdelen van taart aan personeel de indruk te wekken weer als directeur terug te keren, het betrekken van privé-zaken in de vergadering van het [gedaagde 1] -bestuur op 10 februari 2026 en – de druppel – het voorval op 12 mei 2026 op het hoofdkantoor van [bedrijf 1] . In deze vermeldingen zijn een groot aantal van de hiervoor onder 2.40 t/m 2.43 weergegeven feitelijkheden samengevat. 4.18. [eiser] heeft betoogd dat het ontslagbesluit, gegeven het hiervoor vermelde toetsingskader en de inhoud van het memorandum, geen stand kan houden. Volgens [eiser] bevat het memorandum grotendeels kwalificaties en conclusies, maar onvoldoende concrete en controleerbare feiten en onderliggende stukken. Uiteenlopende gebeurtenissen over een periode van ongeveer een jaar worden volgens hem achteraf samengevoegd om zijn onmiddellijke verwijdering uit het bestuur van [gedaagde 1] te rechtvaardigen. 4.19. Voor zover de verwijten betrekking hebben op de rolverdeling en zijn operationele betrokkenheid bij de onderneming, voert [eiser] aan dat die rolverdeling op dat moment nog onvoldoende duidelijk was uitgewerkt. Een overschrijding van zijn positie kan hem daarom volgens [eiser] niet worden tegengeworpen. [eiser] verwijst in dit verband naar een verklaring van [betrokkene 5] , voormalig lid van de raad van advies, die voor zover relevant luidt: “ Binnen de RVA bestond destijds op basis van de signalen van [gedaagde 2] en [gedaagde 6] begrip voor hun wens om meer zelfstandigheid en bewegingsruimte te krijgen bij het besturen van de organisatie. Volgens hen werden zij daarin belemmerd door [eiser] . Toen de directie de RVA vroeg om hierbij ondersteuning te bieden en hierover met [eiser] in gesprek te gaan, was de RVA daartoe bereid. Er hebben vervolgens één of meerdere gesprekken met [eiser] plaatsgevonden. Toen het gedrag van [eiser] volgens de directie aanhield, en daarover signalen afgaf aan de RVA heeft de Raad een schriftelijk advies uitgebracht. Daarin werd de directie geadviseerd een aantal stappen te zetten, waaronder het voeren van een formeel gesprek met [eiser] . In dat gesprek zou de directie – als formele opdrachtgever van de RVA – hem meedelen dat zijn lidmaatschap van de Adviesraad zou worden beëindigd. Voor zover mij bekend heeft dit gesprek uiteindelijk nooit plaatsgevonden. Terugkijkend constateer ik dat het advies van de RVA vrijwel volledig was gebaseerd op de signalen en e-mails van [gedaagde 2] en [gedaagde 6] . De Raad was oprecht gericht op het vinden van een oplossing voor de ontstane situatie, maar heeft daarbij nauwelijks stilgestaan bij de gevolgen die de voorgestelde maatregelen voor [eiser] zouden hebben. Er heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden en evenmin is onderzocht of de geschetste problemen en verwijten feitelijk juist waren. Later werd mij duidelijk dat de directie het proces bewust heeft gestuurd en gemanipuleerd, met als doel de kring ‘ [eiser] ' te zuiveren. Die wetenschap werpt voor mij een ander licht op de gebeurtenissen en op de rol die de RVA daarin heeft gespeeld. Daarnaast was de RVA zich er destijds niet van bewust dat [eiser] zelf een fundamenteel andere verwachting had van zijn positie binnen het bedrijf. Pas achteraf is mij duidelijk geworden dat hij bij de overdracht van de aandelen niet de bedoeling had de feitelijke zeggenschap over de onderneming prijs te geven. Dat uitgangspunt is destijds onvoldoende onderkend en daardoor ook niet meegenomen in de beoordeling van de ontstane situatie. Mijn conclusie is dan ook dat de RVA destijds heeft gehandeld vanuit de informatie die zij van de directie ontving, maar dat zij onvoldoende kritisch heeft onderzocht of die informatie juist en volledig was. Daardoor heeft de Raad, onbedoeld, bijgedragen aan de ontstane situatie tussen [eiser] , [gedaagde 2] e.a. ” 4.20. Volgens [eiser] bouwt het ontslagmemorandum bovendien voort op een eenzijdig gevoerd proces, waarin de feiten niet onafhankelijk zijn vastgesteld en waarin zijn positie en gerechtvaardigde verwachtingen onvoldoende zijn meegewogen. 4.21. [eiser] heeft de grondslag van zijn vordering in zoverre uitgebreid dat hij daaraan thans ook ten grondslag legt dat hij steeds heeft begrepen dat door het gebruik van een STAK het economische belang en de zeggenschap aldus van elkaar zouden worden gescheiden dat hij, ook na de overdracht van het economische belang, de beslissende stem ten aanzien van de zeggenschap zou behouden, terwijl achteraf is gebleken dat de opzet van meet af aan is geweest om hem uit de onderneming te verwijderen. Voor [eiser] was duidelijk hoe de samenwerking vorm moest krijgen. [gedaagde 2] zou, met deskundige ondersteuning, de dagelijkse leiding verder opbouwen. [gedaagde 3] zou onder begeleiding van [eiser] verantwoordelijkheid krijgen voor het wagenpark. [eiser] zou het laatste woord behouden. Wat daarna is gebeurd, is iets anders. [gedaagde 2] had [gedaagde 6] al vóór de overdracht een statutaire functie aangeboden. [gedaagde 6] heeft later verklaard dat hij die functie alleen wilde aanvaarden als [eiser] terugtrad. [eiser] kende die voorwaarde niet. Hij stemde in met versterking van [gedaagde 2] , niet met zijn eigen vervanging. Daar ligt volgens [eiser] de kern van dit geschil. [eiser] heeft [gedaagde 2] en [gedaagde 3] laten delen in zijn levenswerk, maar nooit aanvaard dat hij daardoor zijn gehele positie zou verliezen. Hij is nu volledig uit de onderneming verwijderd. Als hij de huidige situatie moet aanvaarden, aanvaardt hij niet alleen dat de overdracht anders is uitgepakt dan hij voor ogen had, maar ook dat de schenking is gebruikt om hem alles te ontnemen wat hem nog met zijn onderneming verbond. 4.22. [eiser] stelt verder dat hij niet heeft beseft dat de toetreding van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot het bestuur van [gedaagde 1] meebracht dat hij die beslissende stem verloor. Volgens hem had een afwijking van het door hem veronderstelde uitgangspunt uitdrukkelijk met hem moeten worden besproken. Dat is niet gebeurd, aldus [eiser] . 4.23. [eiser] stelt ook dat hij het onder 2.16 vermelde verslag van 24 mei 2023 niet kent en zich niet kan herinneren dat de inhoud ervan ooit met hem is besproken. Hij stelt dat het stuk niet het karakter heeft van een zakelijk verslag van gezamenlijk overleg waarin bindende afspraken over de toekomstige samenwerking zijn vastgelegd. Het leest volgens hem als een door [gedaagde 2] opgesteld pakket van persoonlijke gedragsregels en voorwaarden waaraan hij zich voortaan diende te houden. 4.24. [eiser] beroept zich op een door [betrokkene 18] , voormalig algemeen directeur, ingevulde vragenlijst. Op de vraag “Zijn er andere feiten of omstandigheden die naar jouw mening relevant zijn voor het geschil over de zeggenschap van [eiser] ?” heeft [betrokkene 18] geantwoord: “ De structuur van de aandelen, de structuur van het beleid en de zeggenschap, alsmede de concrete plannen rond de overdracht zijn mij nooit in detail meegedeeld. Mij is verteld dat [eiser] een deel zou behouden en dat daarnaast een transitie zou plaatsvinden waarbij [gedaagde 3] en [gedaagde 2] over de komende jaren een steeds groter deel van de aandelen zouden verkrijgen, maar dat [eiser] altijd een rol en een plek binnen het geheel zou behouden. Bij de details en de inhoudelijke uitwerking van dat proces ben ik echter niet betrokken geweest .” 4.25. [gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat in essentie inhoudt dat [eiser] heeft gedemonstreerd dat hij niet in staat en bereid is om zich binnen de grenzen van zijn formele positie als een van de bestuurders van [gedaagde 1] te blijven bewegen, maar zich voortdurend met de operatie bemoeit, althans zich met veel meer bemoeit buiten de zakelijke aangelegenheden waarvoor vanuit [gedaagde 4] opdracht of toestemming is gegeven, zich daarbij onbehoorlijk en onprofessioneel opstelt richting (mede)bestuurders en personeel van de onderneming. Herstel van [eiser] in zijn positie is volgens [gedaagden] strijdig met het belang van [bedrijf 1] , nu [eiser] intimideert en ontregelt en zijn terugkeer door het personeel breed wordt afgekeurd en naar verwachting tot een uitloop van medewerkers zal leiden. [gedaagden] hebben ter onderbouwing van deze stellingen diverse verklaringen van personeelsleden overgelegd. 4.26. Omtrent een en ander wordt overwogen als volgt. Huidige zeggenschapsstructuur is uitgangspunt 4.27. Gelet op de door de notaris gegeven antwoorden op vragen van mr. Rensen – zie onder 2.54 –, sluit de voorzieningenrechter niet uit dat de implicaties van de wijziging in de zeggenschapsstructuur binnen [gedaagde 1] , zoals die in de communicatie tussen [gedaagde 2] en de notaris vorm heeft gekregen, bij [eiser] medio mei 2024, toen die wijziging formeel is vastgesteld, onvoldoende zijn doorgedrongen. Dat brengt echter niet mee dat in dit kort geding niet van die gewijzigde structuur moet worden uitgegaan. Die structuur wordt in dit geding als zodanig immers niet aangevochten. [eiser] heeft weliswaar een bodemprocedure op grond van dwaling in het vooruitzicht gesteld, maar zolang in die procedure niet anders is beslist, brengt de rechtszekerheid mee dat de vennootschappelijke structuur zoals die medio 2024 met medeweten van [eiser] is vastgesteld en vervolgens daadwerkelijk is doorgevoerd, het kader is waarbinnen het handelen van de betrokkenen in hun formele rollen moet worden beoordeeld. Dat geldt temeer omdat, bij juistheid van hetgeen hiervoor als mogelijkheid is aangenomen, van [eiser] had mogen worden verwacht dat hij in een veel eerder stadium had aangegeven dat de structuur waarmee in augustus 2024 is gestart en waarin hij [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als uitvloeisel van zijn keuze al jaren had meegenomen, niet spoorde met wat hij voor ogen had. 4.28. De voorzieningenrechter acht het volstrekt onaannemelijk dat het overgelegde gespreksverslag van 24 mei 2023 – dat inhoudelijk meer het karakter heeft van een praatstuk dan een verslag – niet als zodanig is gebruikt bij de voorbereiding van de transitie. Het moet [eiser] dan ook duidelijk zijn geweest dat en wat zijn terugtred in essentie betekende, temeer nu de overgang van de zeggenschap naar ‘de volgende generatie’ geruime tijd omringd met adviezen is voorbereid en zowel intern als extern de nodige aandacht heeft gekregen. 4.29. Dat neemt niet weg dat de vraag in hoeverre [eiser] de strekking en consequenties van de wijzigingen destijds daadwerkelijk heeft overzien, binnen zekere grenzen wel betekenis kan hebben bij de beoordeling van de inhoudelijke merites van het ontslagbesluit. Daarbij moet tevens onder ogen worden gezien dat de invoering van de nieuwe governancestructuur, naar uit de overgelegde stukken naar voren komt, een moeizaam proces is geweest. Zo valt op dat de werkwijze van de raad van advies nergens duidelijk is beschreven en dat evenmin een gezamenlijk gedragen opvatting op schrift is gesteld over de wijze waarop de onderneming op hoofdlijnen zou worden bestuurd, over de rol die [gedaagde 1] daarin zou vervullen en over de betrokkenheid van [eiser] bij specifieke operationele activiteiten. Niet in geschil is dat [eiser] ook door [gedaagde 2] en [gedaagde 6] is gevraagd om zich in te laten met bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld in het kader van het wagenparkbeheer Ook de overgang van de voormalige algemeen directeur [betrokkene 18] naar [gedaagde 2] als nieuwe bestuurder is, blijkens de door de voormalige directeur afgelegde verklaring, moeizaam verlopen. 4.30. Een en ander roept de vraag op of [eiser] voldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn positie binnen de gewijzigde structuur te vinden en zich aan de daarmee samenhangende nieuwe rolverdeling aan te passen. Ook dat aspect dient binnen zekere grenzen bij de beoordeling van het ontslagbesluit te worden betrokken. Binnen zekere grenzen: [eiser] moet dan die nieuwe rol wel wíllen zoeken. Geen voorlopig herstel 4.31. De voorzieningenrechter stelt de uitkomst van de hierna te verantwoorden beoordeling voorop. Hoewel begrijpelijk is dat [eiser] de gang van zaken en het verlies van zijn positie binnen de onderneming die hij heeft opgebouwd als bijzonder ingrijpend ervaart – en de emotionele impact van die ervaring mogelijk niet heeft voorzien –, rechtvaardigt dat niet dat het ontslagbesluit in dit kort geding wordt teruggedraaid. Daarbij weegt zwaar dat sinds de herstructurering inmiddels ruim twee jaar zijn verstreken en dat het belang van de onderneming vergt dat zij binnen de gekozen governancestructuur zonder voortdurende stoornis verder kan functioneren. 4.32. Gaandeweg deze procedure is de voorzieningenrechter ervan overtuigd geraakt dat dit niet zal gaan wanneer [eiser] betrokken blijft. Uit hetgeen hierna wordt besproken komt het beeld naar voren dat de wijze waarop [eiser] zijn positie en rol binnen de onderneming invult en wenst te blijven invullen niet verenigbaar is met de governancestructuur waarbinnen die onderneming thans opereert. [eiser] doet voorkomen dat hij begrijpt wat zijn rol is. Zo heeft hij in het kader van het door partijen genoemde ‘taartincident’ in november 2025 waarbij reuring ontstond over een eventuele terugkeer van [eiser] aan alle medewerkers geschreven: “ [gedaagde 2] is now the boss, she works very hard, and I have complete confidence in her. I'm 70 years old and I’m not coming back. My position, with 50 years of experience, is purely advisory .” Maar de voorzieningenrechter kan er niet omheen dat in dit geding voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] er niet in zal slagen zich in de nieuwe structuur te voegen. 4.33. Bij de beoordeling ven het gegeven ontslag zijn uiteraard in de eerste plaats de gebeurtenissen van belang die voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de directe aanleiding hebben gevormd om tot het ontslag van [eiser] over te gaan. Die zijn genoemd in het memorandum bij de vergadering van het bestuur van [gedaagde 1] op 26 mei 2026 en hiervoor samengevat weergegeven. De essentie van dat memorandum is, als gezegd, dat [eiser] volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn taken als [gedaagde 1] -bestuurder heeft verzaakt door niet in het belang van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] te handelen, maar in zijn eigen belang zich daarbij aan de beperkingen van zijn formele rol in de gewijzigde structuur niets gelegen laat liggen. 4.34. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat het memorandum relatief beknopt is en niet is voorzien van onderliggende stukken, maar de voorvallen zijn wel voldoende concreet beschreven, waarbij in de meeste gevallen concrete data zijn genoemd. Voor zover het feitelijk substraat van die verwijten in het memorandum zelf niet wordt beschreven is het in deze procedure beschreven en konden die feiten geacht worden bij [eiser] bekend te zijn. 4.35. Die gebeurtenissen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de spanningen die reeds langer bestonden over de wijze waarop [eiser] zich na de overdracht tot de onderneming, haar bestuurders en haar medewerkers verhield. De kern van het probleem ligt naar voorlopig oordeel niet zozeer in een of enkele afzonderlijk in het memorandum genoemd incident(en), maar in het verschil van opvatting over de consequenties die de overdracht voor de positie van [eiser] binnen de onderneming heeft gehad (of maximaal mag hebben gehad). Uit de stukken komt het beeld naar voren dat [eiser] moeite heeft gehad de daaruit voortvloeiende begrenzing van zijn rol te aanvaarden. Heel tekenend is wat dit betreft de volgende passage uit een verklaring van [betrokkene 19] , general counsel van [bedrijf 1] , d.d. 14 juli 2026 over een gesprek tussen [eiser] , [gedaagde 2] en [betrokkene 19] bij [gedaagde 2] thuis op 7 november 2025: “Het gesprek verschoof echter al snel naar de rol van [eiser] binnen de onderneming en de wijze waarop hij zich met de bedrijfsvoering bleef bemoeien. Daarbij kwam nadrukkelijk aan de orde dat [eiser] van [gedaagde 2] verwachtte dat zij bepaalde beslissingen zou nemen omdat hij dat wilde. (…) De discussie liep uiteindelijk hoog op. (…) Nadat de emoties enigszins waren bedaard, gaf [eiser] aan dat zijn boosheid voortkwam uit het feit dat [gedaagde 2] niet naar hem luisterde. Dit moment is mij bijzonder bijgebleven. Ik heb [eiser] toen uitgelegd dat een belangrijk onderdeel van mijn functie bestaat uit het adviseren van de directie, Ik heb hem uitgelegd dat mijn adviezen niet dwingend zijn. Een adviseur geeft een advies, waarna degene die verantwoordelijk is voor de besluitvorming zelf bepaalt of dat advies wordt opgevolgd. Ik heb daarbij uitgelegd dat ik de directie dagelijks adviseer, maar dat de directie uiteindelijk zelf bepaalt welke keuzes zij maakt. Wanneer ik een bepaalde richting adviseer en de directie kiest voor een andere richting, dan is dat onderdeel van mijn rol als adviseur. Vervolgens heb ik aan [eiser] gevraagd of hij kon accepteren dat zijn positie als adviseur van de directie een vergelijkbare betekenis had en dat zijn adviezen daarom soms wel en soms niet zouden worden opgevolgd. Zijn reactie op die vraag is mij onmiskenbaar bijgebleven. [eiser] antwoordde namelijk dat iemand “ongelofelijk stom” zou zijn wanneer die niet naar zijn advies luisterde. Voor mij vormde die reactie een belangrijk inzicht. Ik kreeg toen de indruk dat [eiser] moeite had met het onderscheid tussen adviseren en beslissen. Juist omdat hij ervan uitging dat zijn adviezen gevolgd moesten worden, ontstond naar mijn waarneming spanning zodra [gedaagde 2] (en [gedaagde 6] ) zelfstandig een andere keuze maakten.” 4.36. Illustratief voor de spanningen die daardoor zijn ontstaan is niet alleen de hiervoor weergegeven communicatie tussen [eiser] [gedaagde 2] en [gedaagde 6] , maar ook het overgelegde app-/mailverkeer tussen [eiser] en [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is destijds als vriend van [eiser] bij de bedrijfsoverdracht betrokken geraakt en is gedurende een reeks van jaren bij de onderneming betrokken geweest. In een bericht van 17 februari 2026, dat onmiskenbaar vanuit die persoonlijke betrokkenheid is geschreven, houdt hij [eiser] indringend voor dat diens optreden niet alleen zijn verhouding tot zijn kinderen, maar ook de onderneming schaadt. Hij sluit af met de woorden: “ Als je voor je kinderen kiest, wat hele mooie en leuke kinderen zijn, laat dat dan ook blijken. Je bent 70 jaar. Hoe wil jij nou later herinnerd worden door je kinderen en oud-collega's? Aan jou de keus. Het doet mij pijn als ik zie hoe dat nu gaat. Dit wil je zelf toch niet? [eiser] , dit komt uit een goed hart, maar dit kan zo niet doorgaan. Een ieder, ook in het bedrijf, heeft er last van. Start met bouwen en hou op met afbreken…. ” 4.37. Dit bericht staat niet op zichzelf. Het vormt het sluitstuk van een berichtenwisseling waarin [betrokkene 2] reageert op de bemoeienis van [eiser] met beslissingen van [gedaagde 2] in een personeelskwestie en hem probeert duidelijk te maken dat zijn positie binnen de nieuwe structuur niet verder strekt dan die van adviseur. Juist omdat deze boodschap afkomstig is van iemand die niet alleen langdurig bij de onderneming, maar ook persoonlijk bij [eiser] betrokken is geweest, komt daaraan in dit verband betekenis toe. Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat er verschillende pogingen zijn ondernomen om met [eiser] in een mediationachtige setting tot verbetering te komen van de communicatie en de onderlinge verhoudingen met met name [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Daarbij is kennelijk zelfs familiesysteemtherapie betrokken. Deze trajecten hebben niet tot een bestendige oplossing geleid en zijn in een aantal gevallen voortijdig geëindigd doordat [eiser] wegliep. 4.38. In dit verband kent de voorzieningenrechter tevens betekenis toe aan de door [gedaagden] aangehaalde berichten van de huidige partner van eiser aan [gedaagde 2] in de periode april-augustus 2025. Zij schrijft onder meer: “ Het is [eiser] allemaal wel te veel. Daarom reageerde hij nog intenser. Hij weet niet hoe hij los moet laten. Hij wil het echt wel en beseft nu ook dat hij wel moet, voor iedereen om hem heen, maar vooral ook voor zichzelf .” Verder schrijft zij: “ Heb al meerdere keren aangegeven dat hij met iemand moet gaan praten, psycholoog o.i.d. Hij kan dit niet oplossen zelf, heeft geen idee hoe dat te doen. … ” en: “ Hij wil dat alles op zijn manier gaat, maar de conclusie is dat het dan nooit verandert. … ” en: “ Hij verwacht dat iedereen aan hem aanpast en niet andersom. Ik moet hem er constant op wijzen dat hij ook rekening moet houden met hoe iets voor een ander is. Hij doet het niet expres. Het is een patroon van jongs af aan. Omdat hij er geen last van heeft, ziet hij ook niet in dat hij iets moet veranderen in zijn gedrag. ” Deze berichten zijn relevant omdat zij zijn geschreven door iemand die geacht moet worden dicht bij [eiser] te staan en het beste met hem voor te hebben. Gegeven de bron van de met die berichten verstrekte informatie wettigen de uitlatingen tegen de achtergrond van de voorvallen zoals die hiervoor zijn uitgelicht de aanname dat de kans groot is dat [eiser] , indien hij zou terugkeren in de rol die hij binnen de gewijzigde governancestructuur geacht wordt te vervullen – ook na verdere uitwerking daarvan in beleid en documentatie, in de geest als hiervoor sub 4.9 en 4.10 – niet in staat zal zijn zich zonder strubbelingen binnen de daaruit voortvloeiende begrenzingen te bewegen. 4.39. Ook de gebeurtenissen ná het ontslag wijzen daarop. Uit de stukken komt naar voren dat [eiser] zich vanuit zijn overtuiging dat het bestuur van de onderneming niet in goede handen is, met operationele aangelegenheden is blijven bemoeien. Daarmee heeft hij hernieuwde onrust binnen de onderneming veroorzaakt en het gezag van degenen die thans met het bestuur daarvan zijn belast onder druk gezet. Illustratief is in dat verband dat [eiser] een aantal personeelsleden die als gevolg van reorganisatiebeslissingen op een zijspoor waren geraakt naar de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft meegenomen. Daarmee werd het geschil over de wijze waarop de onderneming wordt bestuurd ook tijdens de behandeling van dit geding zichtbaar naar het niveau van de werkorganisatie getrokken. 4.40. In hetzelfde beeld past de verdere escalatie die is ontstaan rond de afgifte van voertuigen die -dat werd niet bestreden- aan de onderneming toebehoorden en waarover vervolgens afzonderlijk in kort geding moest worden geprocedeerd, notabene in een periode waarin in het onderhavige kort geding juist werd geprobeerd ruimte te creëren voor herstel van de ernstig verstoorde verhoudingen. 4.41. Het zijn mede deze omstandigheden geweest die de voorzieningenrechter ertoe hebben gebracht een vervolgzitting te gelasten teneinde nog een uiterste poging te doen partijen tot een werkbare oplossing te brengen. Daarbij is aan partijen voorgehouden dat onder de vennootschappelijke verhoudingen die in dit kort geding centraal staan een diepere laag ligt, namelijk de verhouding tussen een vader en zijn kinderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon (en kan) een duurzame oplossing van het zakelijke conflict moeilijk los worden gezien van die onderliggende familiale problematiek. Om die reden zijn aan partijen profielen van mediators ter hand gesteld en is hun gevraagd te onderzoeken of langs die weg nog een opening kon worden gevonden. 4.42. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben zich tijdens een schorsing van de zitting daarover beraden en vervolgens beiden eensluidend meegedeeld dat zij in die aanpak, gelet op hetgeen in de voorafgaande jaren is gebeurd en de pogingen tot oplossing langs andere weg die reeds zijn ondernomen, geen reëel perspectief meer zien. Tegen deze achtergrond acht de voorzieningenrechter ook de door de [gedaagden] uitgesproken vrees dat herstel van [eiser] in zijn positie binnen [gedaagde 1] en een daaropvolgende hernieuwde bemoeienis met de operationele gang van zaken aanzienlijke nadelige gevolgen voor de onderneming zou kunnen hebben, niet zonder grond. Volgens [gedaagden] bestaat het risico dat in dat geval een aanzienlijk deel van het personeel de onderneming zal verlaten. Of dat daadwerkelijk in die omvang zou gebeuren, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. Gelet op hetgeen uit de terzake overgelegde producties naar voren komt over het draagvlak binnen de onderneming voor een terugkeer naar de eerdere verhoudingen, kan die vrees echter ook niet als louter speculatief terzijde worden geschoven. 4.43. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat [eiser] door een betere aankleding van de zeggenschapsstructuur binnen [gedaagde 1] een verdergaande of voor hem inzichtelijker zeggenschapspositie had behouden, zou dat hem niet de bevoegdheid hebben gegeven zich (ongevraagd) op operationeel niveau met de bedrijfsvoering te blijven bemoeien en al helemaal niet om dat de doen op de eigengereide manier en vaak minst genomen zeer bruuske wijze waarop hij dat wenst te blijven doen. 4.44. Het komt aldus uiteindelijk aan op een belangenafweging. Aan de zijde van [eiser] staat een zwaarwegend belang. Het gaat om de onderneming die hij heeft opgebouwd en om een positie waarvan hij kennelijk heeft verwacht dat hij die, ook na de overdracht aan zijn kinderen, in betekenisvolle mate zou behouden. Daarbij komt dat niet kan worden uitgesloten dat de consequenties van de gewijzigde zeggenschapsverhoudingen hem bij de totstandkoming daarvan onvoldoende duidelijk zijn geweest en dat de invoering van de nieuwe governance ook overigens niet in alle opzichten helder en zorgvuldig is verlopen. 4.45. Daar staat inmiddels echter een zwaarwegend vennootschappelijk belang tegenover. De onderneming ( [bedrijf 1] ) moet kunnen worden bestuurd binnen een werkbare en door alle betrokkenen gekende en geaccepteerde verdeling van verantwoordelijkheden. De ontwikkelingen van de afgelopen twee jaar geven volstrekt onvoldoende grond voor de verwachting dat herstel van [eiser] in zijn positie binnen [gedaagde 1] tot herstel van de verhoudingen zal leiden. Veeleer bestaat een reëel risico dat de inmiddels bestaande bestuursverhoudingen daarmee opnieuw onder druk komen te staan. 4.46. Bij afweging van deze belangen dient het belang van de onderneming om op basis van de huidige governance verder te kunnen functioneren in dit kort geding zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] bij herstel in zijn positie binnen [gedaagde 1] . De rol van het bestuur van [gedaagde 1] binnen de gekozen structuur is immers een andere dan die van het bestuur vanuit [gedaagde 4] van de onderneming. Zij brengt niet mee dat via [gedaagde 1] wordt gestuurd op de dagelijkse operatie. 4.47. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het besluit van het bestuur van [gedaagde 1] [eiser] vanwege gewichtige redenen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in een bodemprocedure standhouden. De op herstel van die positie gerichte vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Vordering e-mailaccount 4.48. Deze vordering heeft een tweeledig karakter: enerzijds wil [eiser] weer kunnen beschikken over e-mails die zijn privésfeer raken, anderzijds wil hij kunnen beschikken over een aantal stukken om te kunnen vaststellen of zijn procespositie te kunnen bepalen in verband met een aantal gestelde specifieke vorderingen op [gedaagden] 4.49. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv e.v.). De drempel om een daarop gerichte vordering te kunnen toewijzen ligt relatief laag. Onder andere gewichtige redenen aan de zijde van de wederpartij kunnen zich daartegen verzetten. 4.50. Niet in geschil is dat [eiser] het door hem genoemde e-mailaccount [e-mailadres] zowel zakelijk als privé heeft gebruikt. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat die [eiser] over privémail moet kunnen beschikken, ook los van een beroep op artikel 194 Rv e.v. [gedaagden] hebben dat ook niet betwist. Tegelijkertijd lopen privé en zakelijk bij [eiser] door elkaar, althans kan dat zeker niet worden uitgesloten. [gedaagden] stellen dat [eiser] bezig is een eigen concurrerende onderneming op te zetten en daarbij oud-personeel van [bedrijf 1] heeft ingeschakeld. [gedaagden] erkennen dat dit [eiser] vrijstaat maar willen hun commerciële belangen beschermen. [eiser] heeft niet weersproken dat hij bezig is een nieuwe onderneming op te zetten en bereid is oud en bestaand personeel in dienst te nemen alsook klanten van [bedrijf 1] te gaan bedienen als zij dat willen. Volgens [eiser] is van bedrijfsgevoelige informatie geen sprake, althans is hij daar in feite al mee bekend. [eiser] vordert geen afgifte van stukken van [gedaagde 4] waarmee hij niet bekend is, in die zin stukken die niet naar zijn e-mailaccount zijn gestuurd dan wel door hem vanaf dat account zijn verstuurd. 4.51. De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser] toewijzen waarbij ter bescherming van de commerciële belangen van [gedaagden] gebruik zal worden gemaakt van de volgende, deels zelf door [eiser] gestelde beperkingen: de te verstrekken bescheiden betreffen enkel vanaf het account verstuurde en/of daarop ontvangen e-mails inclusief bijlagen vanaf 1 januari 2023 tot de datum waarop door of namens de gerechtsdeurwaarder een digitale kopie is gemaakt, de te verstrekken stukken zullen moeten worden geselecteerd door een gerechtsdeurwaarder, dan wel onder leiding van de gerechtsdeurwaarder door een betrouwbare, deskundige en daarvoor goed toegeruste hulppersoon, bijvoorbeeld DigiJuris, dit moet gebeuren aan de hand van een vooraf vastgestelde lijst zoektermen die is toegespitst op 1) de privé-e-mails van [eiser] en 2) de vorderingen ter zake waarvan hij zijn procespositie nader wil bepalen: de vordering tot vernietiging van de schenkingsovereenkomst wegens dwaling, de vordering tot betaling van de provisievergoeding en de managementvergoeding, onder de privé-e-mails vallen ook alle e-mails inclusief bijlagen die [eiser] in de hiervoor genoemde periode via dit account heeft gestuurd aan of ontvangen van [betrokkene 3] , de notaris en [bedrijf 2] , de gerechtsdeurwaarder zal een volledige doorzoekbare kopie moeten (laten) maken van het volledige account zonder datumbeperking; het gaat om een volledige, doorzoekbare digitale kopie van alle nog beschikbare berichten, mappen, bijlagen en metadata van het account tot de datum van het maken van de kopie en erop toezien dat deze kopie op een veilige en verantwoorde wijze wordt bewaard; [gedaagde 4] zal hieraan de benodigde medewerking moeten verlenen, de gerechtsdeurwaarder mag die kopie zonder toestemming van [gedaagde 4] dan wel zonder rechterlijk bevel niet integraal aan [eiser] ter beschikking stellen, maar enkel de e-mails inclusief bijlagen die het resultaat zijn van de te maken zoekslagen aan de hand van de vooraf vastgestelde lijst met zoektermen, het is [gedaagde 4] niet toegestaan e-mails behorende tot het e-mailaccount te verwijderen of onbruikbaar te (laten) maken of dit toe te staan voordat succesvol een volledig doorzoekbare kopie van de bestanden die tot het e-mailaccount behoren is gemaakt. De kosten verbonden aan het werk van de gerechtsdeurwaarder en een eventueel in te schakelen hulppersoon komen ten laste van [eiser] . 4.52. [gedaagden] hebben geen bezwaar geuit tegen inschakeling van de door [eiser] genoemde gerechtsdeurwaarder [bedrijf 7] te [plaats 6] . Uit de website van [bedrijf 7] blijkt dat dit kantoor zich onder meer richt op het leggen van bewijsbeslag. 4.53. Partijen worden eerst zelf in de gelegenheid gesteld overeenstemming te bereiken over de toe te passen zoektermen, als dat niet lukt zal de voorzieningenrechter aan de hand van de door partijen opgestelde en per zoekterm kort toegelichte lijsten een selectie maken. Partijen krijgen hiervoor drie weken de tijd. 4.54. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van I tot en met IV van [eiser] af, 5.2. verbiedt [gedaagde 4] totdat een kopie zoals bedoeld onder 4.51 door of namens de gerechtsdeurwaarder is gemaakt gegevens die behoren tot het e-mailaccount [e-mailadres] te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken, 5.3. bepaalt dat [gedaagde 4] moet meewerken aan het door de door [eiser] genoemde gerechtsdeurwaarder (laten) maken van een integrale en doorzoekbare kopie van het volledige account [e-mailadres] zonder datumbeperking, zoals bedoeld onder 4.51 en onder de daarin genoemde waarborgen, 5.4. bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder de onder 5.3 bedoelde kopie niet zonder toestemming van [gedaagde 4] dan wel rechterlijke beslissing aan [eiser] ter beschikking mag stellen, 5.5. bepaalt dat partijen uiterlijk 6 november 2026 de voorzieningenrechter dienen te informeren of zij overeenstemming hebben bereikt over de door de gerechtsdeurwaarder te gebruiken zoektermen en in het geval dat zo is een lijst met die overeengekomen zoektermen bij te voegen en in het geval geen (volledige) overeenstemming is bereikt partijen beiden lijsten dienen te verstrekken met zoektermen die wel of niet mogen worden gebruikt voorzien van een korte toelichting, 5.6. verklaart de beslissingen onder 5.2, 5.3, en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026. 1998 https://www.tpimagazine.com/a-new-era-for- [eiser] / ), https://philhaarlem.nl/nieuws/ [eiser] -feest , https://www.iqmagazine.com/2024/08/the-new-bosses-2024- [gedaagde 2] - [bedrijf 1] /