# Gerechtshof Den Haag, 13-10-2026 (200.357.373/01)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:GHDHA:2026:3069
- Date: 2026-10-13
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2026%3A3069
- Canonical: https://overview.legal/posts/603713

## Summary

Verzoek voorlopige bewijsverrichtingen. Overwogen procedures tegen bestuurder en zustervennootschappen van gefailleerde onderneming. Toepasselijkheid sinds 1 januari 2025 geldende bewijsrecht. Art 200 Rv. Overgangsrecht voor openstaan van en termijn voor instellen hoger beroep. Ontvankelijkheid verzoeker in hoger beroep. ECLI:NL:HR:2026:996. Tegen faillissementscurator gerichte verzoeken voorlopig getuigenverhoor en vestrekking afschriften. Geen verschoningsrecht curator. Gewichtige reden die zich verzet tegen horen curator over en verstrekking van afschriften van gegevens uit onregelmatighedenonderzoek abi art 68, lid 2 aanhef en onder a, Fw. Art 194 lid 2 en 196 lid 2 Rv. Bevoegdheid rechter te beletten dat aan vraag gevolg wordt gegeven abi art 179 lid 2 Rv. (On)gecensureerd afschrift. Tegen bestuurder en zustervennootschappen gerichte verzoeken voorlopig getuigenverhoor en verstrekking afschriften. Door rechtbank gehoorde getuigen. Verstrekking afschrift overeenkomst tussen curator en zustervennootschap en afschrift bankafschriften, offerteaanvragen, offertes, opdrachten, verkoopfacturen, grootboekkaarten, auditfiles, jaarrekeningen en correspondentie. Concurrentiegevoeligheid informatie. Voldoende belang. Voldoende bepaaldheid. Fishing expedition.

## Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.357.373/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/672992/HA RK 24-526 Beschikking van 13 oktober 2026 in de zaak van [verzoekster] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: [verzoekster], advocaat: mr. R.A.G. de Vaan, kantoorhoudend in Eindhoven, tegen 1. Mr. K. Verheij, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Studio [naam ] B.V. , kantoorhoudend in Leiden, verweerster in hoger beroep, hierna ook te noemen: de curator en [studio], advocaat: mr. S.M. Güzel, kantoorhoudend in Leiden, 2 JEZ Holding B.V., gevestigd in Den Haag, 3. MAAN Design B.V., gevestigd in Den Haag, 4. Yume Atelier B.V., gevestigd in Oegstgeest, 5. [verweerster 5] , wonende in [woonplaats ], verweersters in hoger beroep, hierna te noemen: JEZ, MAAN, Yume en [verweerster 5], en gezamenlijk: [verweersters], advocaat: mr. J.J. Dijkman, kantoorhoudend in Leiden. 1 De zaak in het kort 1.1 Deze zaak gaat over verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen. De verzoekster overweegt procedures te beginnen tegen de bestuurder van een gefailleerde onderneming en tegen zustervennootschappen van die onderneming. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen voor zover die zijn gericht tegen de faillissementscurator en voor het overige deels toegewezen. De verzoekster is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan. 1.2 In verband met het op 1 januari 2025 in werking getreden bewijsrecht rijst de vraag of de verzoekster in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. De in hoger beroep gewijzigde verzoeken wijst het hof grotendeels toe, op één onderdeel ook voor zover het de curator betreft. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, met producties, ter griffie van het hof ingekomen op 22 juli 2025, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 april 2025 van de rechtbank Den Haag (hierna ook: de bestreden beschikking). 2.2 [verweersters] hebben een verweerschrift ingediend dat op 24 september 2025 is ontvangen ter griffie van het hof. 2.3 De curator heeft geen verweerschrift ingediend. In haar brief van 22 augustus 2025 heeft zij dit toegelicht. 2.4 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 11 november 2025. De advocaten van partijen hebben daartoe pleitnota’s voorgedragen en overgelegd. Vervolgens is de zaak aangehouden tot 24 februari 2026 en zijn partijen in de gelegenheid gesteld uiterlijk op die datum zich schriftelijk uit te laten over de betekenis voor deze zaak van de toen door de Hoge Raad te geven beschikking in de zaak met nummer 25/02135 waarin op 12 september 2025 conclusie is genomen (ECLI:NL:PHR:2025:996). Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. 2.5 [verzoekster] en [verweersters] hebben zich bij (op 24 februari 2026 gemailde) akten uitgelaten over de betekenis van de in rov. 2.4 bedoelde, op 6 februari 2026 gegeven beschikking van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:201). Een akte van de curator is niet binnengekomen. 2.6 Vervolgens is de uitspraak van de beschikking in deze zaak nader aangehouden tot vandaag. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Het hof zal bij de beoordeling uitgaan van de volgende, als vaststaand aan te merken feiten. 3.2 [studio] is bij vonnis van 12 september 2023 van de rechtbank Den Haag failliet verklaard (hierna ook: het faillissement) met benoeming van mr. K. Verheij tot curator. Enig aandeelhouder van [studio] is JEZ. Alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [studio] is [verweerster 5]. [studio] exploiteerde een onderneming die zich richtte op interieurontwerp. 3.3 [verweerster 5] is indirect (via JEZ) enig aandeelhouder en alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van MAAN en Yume. MAAN is opgericht op 27 oktober 2014 en exploiteert een onderneming die zich richt op reclameactiviteiten. Yume is opgericht op 11 september 2023 en exploiteert een onderneming die zich richt op interieurontwerp. 3.4 Alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [verzoekster] is de heer [bestuurder]. [verzoekster] exploiteert een onderneming die zich richt op het realiseren van interieurprojecten. 3.5 [verzoekster] en [studio] hebben tussen 2019 en 2022 met elkaar samengewerkt aan meer dan vijftien interieurprojecten. Op enig moment hebben [verzoekster] en [studio] een geschil met elkaar gekregen over betalingen. 3.6 Op 15 april 2022 hebben [verzoekster] en [studio] een betalingsregeling getroffen voor door [studio] onbetaald gelaten facturen van [verzoekster]. Na een eerste betaling heeft [studio] aan deze regeling geen verdere uitvoering gegeven. Vanaf 30 juni 2022 heeft [studio] [verzoekster] voor geen enkel nieuw project ingezet. 3.7 Op 16 mei 2023 heeft [verzoekster] verlof gekregen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag om conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank te leggen ten laste van [studio] in verband met door [studio] volgens [verzoekster] onbetaald gelaten facturen. Hierbij is de vordering ter zekerheid waarvan het beslag gelegd mocht worden voorlopig begroot op € 222.214,37. [verzoekster] heeft op 17 mei 2023 het conservatoir beslag onder de Rabobank gelegd, maar dit beslag heeft geen doel getroffen. Vervolgens heeft [verzoekster] op haar verzoek op 19 juli 2023 nog aanvullend verlof gekregen van de voorzieningenrechter om conservatoir derdenbeslag te leggen onder de Rabobank, JEZ en MAAN en op de kantoorinventaris van [studio]. 3.8 [verzoekster] heeft bij dagvaarding van 30 mei 2023 bij de rechtbank Den Haag een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [studio] over de volgens [verzoekster] door [studio] onbetaald gelaten facturen van [verzoekster]. 3.9 Na de faillietverklaring van [studio] op 12 september 2023 is de bodemprocedure geschorst en zijn de ten laste van [studio] gelegde conservatoire beslagen vervallen. 3.10 In verband met het faillissement heeft de curator een onregelmatighedenonderzoek verricht. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Bij inleidend verzoekschrift van 20 september 2024 heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht, verkort weergegeven, om bij beschikking I. over de in het verzoekschrift genoemde feiten een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, van zestien in het verzoekschrift genoemde getuigen; II. de curator en [verweerster 5] te bevelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan [verzoekster] een afschrift te verstrekken van: (1) de in het verzoekschrift genoemde bankafschriften van [studio] vanaf drie jaar voor het faillissement tot en met het faillissement van [studio], (2) de offerteaanvragen, daadwerkelijk uitgebrachte offertes, de verstrekte opdrachten aan [studio] en de door [studio] verzonden verkoopfacturen, voor al deze stukken vanaf drie jaar voor het faillissement en, (3) het contract tussen de curator en [verweerster 5] betreffende de doorstart, althans subsidiair tot het verlenen van inzage in voorgenoemde stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom; III. de curator te bevelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan [verzoekster] een afschrift te verstrekken van de gespreksverslagen uit het onregelmatighedenonderzoek, althans subsidiair tot het verlenen van inzage in deze gespreksverslagen, op straffe van verbeurte van een dwangsom; IV. JEZ, MAAN en Yume (ieder voor zich) te bevelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan [verzoekster] een afschrift te verstrekken van: (1) haar bankafschriften vanaf 1 januari 2022 tot en met de datum van de beschikking, (2) de door haar ontvangen offerteaanvragen uit diezelfde periode, de daadwerkelijk door haar in diezelfde periode uitgebrachte offertes, de aan haar in diezelfde periode verstrekte opdrachten, de door haar in diezelfde periode verzonden verkoopfacturen en de door haar in diezelfde periode ontvangen inkoopfacturen, althans subsidiair tot het verlenen van inzage in alle voorgenoemde stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.2 [verzoekster] heeft verzocht getuigen te mogen horen – blijkens rov. 3.2 van de bestreden beschikking, kennelijk in aanvulling op het verzoekschrift, nr. 55-56 – over i. onderhanden werk en lopende projecten van [studio] tot aan het faillissement; ii. of de activiteiten van [studio] na het faillissement zijn voortgezet in een andere vennootschap en of sprake is van een onrechtmatige doorstart door [verweersters]; iii. of [verweerster 5] heeft bijgedragen aan verhaalsfrustratie of het ontnemen van corporate opportunity aan [studio] door middel van het doorschuiven van offertes/lopende opdrachten naar haar andere vennootschappen, zonder dat deze vennootschappen hiervoor aan (de boedel van) [studio] een vergoeding hebben betaald, en of MAAN, Yume en/of JEZ hiervan hebben geprofiteerd; iv. of [verweerster 5] namens [studio] verplichtingen is aangegaan waarvan zij wist, of redelijkerwijs behoorde te weten, dat [studio] daaraan niet kon voldoen en geen verhaal zou bieden; v. welke betalingen [verweerster 5] heeft verricht vanaf het moment dat zij had moeten weten dat het faillissement te verwachten was. 4.3 [verzoekster] heeft haar verzoeken als volgt toegelicht. [verzoekster] heeft na beëindiging van de samenwerking met [studio] nog een openstaande vordering op [studio] van in hoofdsom € 170.934,13 die [studio] plots is gaan betwisten. Een ingezette bodemprocedure tot betaling van deze vordering is geschorst vanwege het faillissement. [verzoekster] vermoedt dat [verweerster 5], al dan niet indirect, na het faillissement een onrechtmatige doorstart heeft gemaakt en nu, wellicht via haar vennootschappen, inkomsten genereert, terwijl zij de facturen van [verzoekster] onbetaald laat. Er zijn sterke aanwijzingen dat JEZ als bestuurder en [verweerster 5] als indirect bestuurder aansprakelijk kunnen worden gesteld jegens de schuldeisers van [studio] op grond van art. 6:162 BW. Het vermoeden bestaat dat [verweerster 5] heeft bewerkstelligd dat [studio] haar crediteuren, zoals [verzoekster], niet kon betalen en dat [studio] daarnaast ook geen verhaal kon bieden. Daartoe heeft [verweerster 5] offertes/lopende opdrachten van [studio] doorgeschoven naar andere vennootschappen van [verweerster 5], zonder dat deze hiervoor aan (de boedel van) [studio] een vergoeding hebben betaald. Ook is goed voorstelbaar dat JEZ als bestuurder en [verweerster 5] als indirect bestuurder aansprakelijk kunnen worden gehouden op grond van de Beklamel-norm. [verzoekster] wil onderzoeken of [verweerster 5] namens [studio] verplichtingen is aangegaan waarvan zij wist, althans redelijkerwijs behoorde te weten, dat [studio] daaraan niet kon voldoen en geen verhaal zou bieden. [verweerster 5] is namens [studio] kort vóór het faillissement verschillende projecten aangegaan waarvoor verschillende opdrachten zijn verstrekt aan leveranciers, waaronder [verzoekster]. Verder blijkt uit het faillissementsverslag van [studio] dat zij een belastingschuld heeft van € 275.902,33. Het is van belang verder inzicht te krijgen in haar schuldenpositie. Voorts zijn er aanwijzingen dat JEZ en [verweerster 5] aansprakelijk kunnen worden gehouden jegens de schuldeisers wegens het doen van selectieve betalingen. Tot slot zijn er sterke aanwijzingen dat MAAN en/of Yume en/of JEZ en/of [verweerster 5] aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de onrechtmatige doorstart door middel van groepsaansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW en/of op grond van profiteren van het onrechtmatig handelen van [verweerster 5] al dan niet in één van haar vennootschappen. JEZ is bestuurder van MAAN en Yume, en [verweerster 5] is (indirect) bestuurder van al deze vennootschappen. Het vermoeden van de onrechtmatige doorstart is gebaseerd op informatie over zeven projecten waarvan [verzoekster] denkt dat [studio] de ontwerpfase weliswaar heeft afgerond vóór het faillissement, maar waarbij de realisatiefase bij MAAN of Yume is ondergebracht of door [verweerster 5] tegen een provisie aan Dagelijkse Projecten B.V. is overgedaan. Dit terwijl [verweerster 5] aan de curator heeft voorgehouden dat er alleen projecten waarvoor voorafgaand aan het faillissement al is betaald, uit coulance worden afgerond en hier geen omzet meer mee wordt gerealiseerd. [verzoekster] wordt door deze handelwijze benadeeld en wil door het horen van zestien getuigen en het inzien van diverse documentatie van [verweersters] en de curator haar vermoedens onderbouwen. Aan de vereisten van art. 843a Rv is voldaan. Met deze informatie zal [verzoekster] mogelijk een vordering instellen tegen JEZ en [verweerster 5] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en tegen de overige aan [verweerster 5] gelieerde rechtspersonen een vordering op grond van groepsaansprakelijkheid en/of op grond van het profiteren van onrechtmatige handelingen van [verweerster 5] of van de handelingen uitgevoerd in één van haar vennootschappen. 4.4 [verzoekster] vermoedt met name een onrechtmatige doorstart ten aanzien van de volgende projecten (hierna gezamenlijk ook: de Bekende Projecten). a. Penthouse Rotterdam. De opdracht tot het ontwerpen en realiseren van een penthouse is vóór het faillissement verstrekt aan [studio]. [studio] heeft vervolgens alleen de ontwerpfase afgerond en [verweerster 5] is (wellicht in één van haar vennootschappen) na het faillissement verdergegaan met het realiseren van dit project. Naar schatting van [verzoekster] ging het bij het project om de afbouw en inrichting voor een bedrag van circa € 400.000,--. Dit project zou volgens [verweerster 5] ten tijde van het faillissement al zijn afgerond. [verzoekster] heeft na het faillissement gesproken met de opdrachtgever en in oktober 2023 was Dagelijkse Projecten B.V. bezig met het finaliseren van maatwerkinterieur. Deze projectbegeleiding is volgens [verzoekster] op verzoek van [verweerster 5] ingezet en [verzoekster] vermoedt dat [verweerster 5] hiervoor een vergoeding ontvangt. Het project is nog niet of zeer recent opgeleverd. b. Kijkduin. Dit betreft een opdracht tot het ontwerpen van een penthouse. In dit project zou [studio] de ontwerpfase verzorgen en [verzoekster] de realisatiefase. [verzoekster] heeft na het faillissement contact opgenomen met de opdrachtgever. Uit de correspondentie met de opdrachtgever maakt [verzoekster] op dat Dagelijkse Projecten B.V. op verzoek of onder leiding van [verweerster 5] zorgdraagt voor de realisatie van dit project. [verzoekster] vermoedt dat [verweerster 5] hiervoor een vergoeding ontvangt maar dat [verweerster 5] vermoedelijk bij de curator heeft aangegeven dat er geen omzet meer zou volgen uit de afronding. Het project is nog niet of zeer recent opgeleverd. c. Bayhouse. Dit project betreft het ontwerpen en realiseren van een appartement in Rotterdam. De opdracht hiertoe is volgens de website Homify voorafgaand aan het faillissement ingekomen bij [studio]. [verzoekster] heeft vernomen dat Dagelijkse Projecten B.V. thans betrokken is bij de projectbegeleiding en realisatie van dit project. Uit een Google Review maakt [verzoekster] op dat [verweerster 5] na het faillissement is verdergegaan met dit project. [verzoekster] vermoedt dat [verweerster 5], wellicht in een van haar andere vennootschappen, hiervoor een vergoeding ontvangt of heeft ontvangen. d. Villa Boxtel. Dit project betreft het ontwerp, de bouw en de inrichting/realisatie van een vrijstaande villa. De opdracht is volgens de website Homify voorafgaand aan het faillissement aan [studio] verstrekt. [verzoekster] heeft van een betrokken partij bij het project, BouAd Adviesgroep B.V., vernomen dat er recent nog gesprekken zijn gevoerd met aannemers ten behoeve van de bouw van de villa. BouAd Adviesgroep B.V. is volgens [verzoekster] door [verweerster 5] ingeschakeld als aannemer/projectbegeleider voor de realisatiefase van het project. [verzoekster] vermoedt dat [verweerster 5], wellicht middels een van haar vennootschappen, dit project voortzet na het faillissement en hiervoor een vergoeding ontvangt of heeft ontvangen. e. One Villa Hotel Domburg. Dit project betreft de realisatie van een hotel in Domburg waarbij [studio] de opdracht heeft gekregen het hotel in te richten (twintig exclusieve suites). Uit verschillende posts op social media maakt [verzoekster] op dat [studio] betrokken was bij dit project voorafgaand aan het faillissement. Na het faillissement zijn er nog meer posts geplaatst door [verweerster 5] over dit project, waaruit [verzoekster] afleidt dat [verweerster 5] nog steeds betrokken is. Uit een artikel van het blad Wonen360 maakt [verzoekster] op dat Yume het project nu onder zich heeft. f. Villa familie [naam ]. Dit project betreft het realiseren van een villa aan de Maas in Heerjansdam. Het is bij [studio] binnengekomen in 2021. Vlak voor het faillissement is het project overgenomen door een medewerkster van [studio] die werkzaam is gebleven in een van de andere vennootschappen van [verweerster 5], waarschijnlijk Yume. g. Project voor de heer [naam ]. [verzoekster] heeft over dit project weinig concrete informatie. Uit een Google Review van november 2023 van de opdrachtgever maakt zij op dat dit project nog liep na het faillissement en dat [verweerster 5] hier nog steeds bij betrokken was. 4.5 De curator en [verweersters] hebben verweer gevoerd. 4.6 Bij de beschikking van 24 april 2025 heeft de rechtbank, verkort weergegeven, de tegen de curator gerichte verzoeken afgewezen; op het tegen [verweersters] gerichte verzoek op grond van art. 187 Rv een voorlopig getuigenverhoor bevolen over i. de gang van zaken rond de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en Villa familie [naam ] als onderhanden werk en lopende projecten van [studio] tot aan het faillissement; ii. of de onder i genoemde projecten na het faillissement zijn voortgezet in een andere vennootschap en of sprake is van een onrechtmatige doorstart door [verweersters]; iii. of [verweerster 5] heeft bijgedragen aan verhaalsfrustratie of het ontnemen van corporate opportunity aan [studio] door middel van het doorschuiven van offertes/lopende opdrachten met betrekking tot de onder i genoemde projecten naar haar andere vennootschappen, zonder dat deze vennootschappen hiervoor aan (de boedel van) [studio] een vergoeding hebben betaald, en of MAAN en/of Yume en/of JEZ hiervan hebben geprofiteerd; iv. of [verweerster 5] namens [studio] verplichtingen is aangegaan waarvan zij wist, of redelijkerwijs behoorde te weten, dat [studio] daaraan niet kon voldoen en geen verhaal zou bieden; v. welke betalingen [verweerster 5] heeft verricht vanaf het moment dat zij had moeten weten dat het faillissement te verwachten was; op het tegen [verweersters] gerichte verzoek op grond van art. 843a Rv [verweerster 5] geboden om binnen vier weken na betekening van de beschikking aan [verzoekster] afschriften te verstrekken van: - de bankafschriften van [studio] vanaf 12 september 2022 tot en met 12 september 2023, en - de offerteaanvragen, daadwerkelijk uitgebrachte offertes, verstrekte opdrachten aan [studio] en de door [studio] verzonden verkoopfacturen, vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023, met dien verstande dat dit gebod uitsluitend betreft de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en [naam ], en - het contract tussen de curator en [verweerster 5], uitsluitend voor zover het betreft de tussen hen gemaakte afspraken over het klantenbestand van [studio] en de lopende projecten van [studio]; JEZ geboden om binnen vier weken na betekening van de beschikking aan [verzoekster] afschriften te verstrekken van: - haar bankafschriften vanaf 1 januari 2022 tot en met 24 april 2025, voor zover die betrekking hebben op de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en/of [naam ], en - de door haar ontvangen offerteaanvragen, de daadwerkelijk door haar uitgebrachte offertes, de aan haar verstrekte opdrachten, de door haar verzonden verkoopfacturen en de door haar ontvangen inkoopfacturen, vanaf 1 januari 2022 tot en met 24 april 2025 en uitsluitend voor zover die die betrekking hebben op de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en/of [naam ]; MAAN geboden om binnen vier weken na betekening van de beschikking aan [verzoekster] afschriften te verstrekken van: - haar bankafschriften vanaf 1 januari 2022 tot en met 24 april 2025, voor zover die zien op de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en/of Villa familie [naam ], - de door haar ontvangen offerteaanvragen, de daadwerkelijk door haar uitgebrachte offertes, de aan haar verstrekte opdrachten, de door haar verzonden verkoopfacturen en de door haar ontvangen inkoopfacturen, vanaf 1 januari 2022 tot en met 24 april 2025 en uitsluitend voor zover die betrekking hebben op de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en/of Villa familie [naam ]; Yume geboden om binnen vier weken na betekening van de beschikking aan [verzoekster] afschriften te verstrekken van: - haar bankafschriften vanaf 11 september 2023 tot en met 24 april 2025, voor zover die zien op de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en/of Villa familie [naam ], - de door haar ontvangen offerteaanvragen, de daadwerkelijk door haar uitgebrachte offertes, de aan haar verstrekte opdrachten, de door haar verzonden verkoopfacturen en de door haar ontvangen inkoopfacturen, vanaf 11 september 2023 tot en met 24 april 2025 en uitsluitend voor zover die betrekking hebben op de projecten Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en/of Villa familie [naam ]. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen. 5 Verzoeken in hoger beroep 5.1 Onder aanvoering van drie grieven (bezwaren) verzoekt [verzoekster] in hoger beroep het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank haar verzoek heeft afgewezen, en haar verzoek, ‘zoals in dit hoger beroep nader geformuleerd (lees: vermeerderd)’, alsnog (integraal) toe te wijzen (beroepschrift, nr. 4, en p. 19 (petitum)). 5.2 Het verzoek van [verzoekster] in hoger beroep houdt na wijziging in, zakelijk en verkort weergegeven, dat het hof I. omtrent de in het beroepschrift en het verzoekschrift genoemde feiten een voorlopig getuigenverhoor zal gelasten; II. de curator en [verweerster 5] zal bevelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan [verzoekster] een ongecensureerd afschrift te verstrekken van: (1) alle bankafschriften van alle bankrekeningen van [studio] over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (2) alle schriftelijk door [studio] ontvangen offerteaanvragen (waaronder begrepen maar niet beperkt tot offerteaanvragen per e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst), alle daadwerkelijk uitgebrachte offertes, alle aan [studio] verstrekte opdrachten en alle door [studio] verzonden verkoopfacturen, voor al deze stukken vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023 (met de bepaling dat de curator alleen gehouden is deze stukken te verstrekken voor zover zij daarover beschikte ten tijde van het indienen van het beroepschrift); (3) het volledige contract tussen de curator en Yume betreffende de verkoop van activa uit de boedel; (4) alle grootboekkaarten en auditfiles van [studio] over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023 (met de bepaling dat de curator alleen gehouden is deze stukken te verstrekken voor zover zij daarover beschikte ten tijde van het indienen van het beroepschrift); (5) alle jaarrekeningen (inclusief conceptversies daarvan) van [studio] over de boekjaren 2020, 2021 en 2022 en alle correspondentie (waaronder begrepen maar niet beperkt tot contact via e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst) over jaarrekeningen tussen de boekhouder/accountant van [studio] en [verweerster 5] en/of Melvin van Hasselt (met de bepaling dat de curator alleen gehouden is deze stukken te verstrekken voor zover zij daarover beschikte ten tijde van het indienen van dit beroepschrift); althans (subsidiair) inzage te verlenen aan [verzoekster] in voorgenoemde onder (1) - (5) genoemde stukken, één en ander wat [verweerster 5] betreft op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat [verweerster 5] in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen; III. [verweerster 5] zal bevelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan [verzoekster] een ongecensureerd afschrift te verstrekken van: (1) alle bankafschriften van alle bankrekeningen van MAAN, Yume en JEZ over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (2) alle schriftelijk door [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ ontvangen offerteaanvragen (waaronder begrepen maar niet beperkt tot offerteaanvragen per e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst), alle daadwerkelijk door [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ uitgebrachte offertes, alle aan [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ verstrekte opdrachten en alle door [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ verzonden verkoopfacturen, vooral deze stukken vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; en (3) alle grootboekkaarten en auditfiles van MAAN, Yume en/of JEZ over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (4) alle jaarrekeningen (inclusief conceptversies daarvan) van MAAN, Yume en/of JEZ over de boekjaren 2020, 2021 en 2022 en alle correspondentie (waaronder begrepen maar niet beperkt tot contact via e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst) over jaarrekeningen tussen de boekhouder/accountant van MAAN, Yume en/of JEZ enerzijds en [verweerster 5] en/of Melvin van Hasselt anderzijds; althans (subsidiair) inzage te verlenen aan [verzoekster] in voorgenoemde onder (1) - (4) genoemde stukken, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat [verweerster 5] in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen; IV. de curator zal bevelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan [verzoekster] een afschrift te verstrekken van de gespreksverslagen uit het onregelmatighedenonderzoek en alle door of namens de curator met derden (waaronder [verweersters] en haar advocaten) gevoerde correspondentie in het kader van het onregelmatighedenonderzoek, althans subsidiair tot het verlenen van inzage in deze gespreksverslagen en correspondentie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat de curator in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen; V. de curator en [verweersters] zal veroordelen in de kosten van deze procedure. 5.3 De curator en [verweersters] concluderen, kort samengevat, dat het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek zal afwijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in de (werkelijke) kosten van de procedure in hoger beroep. 6 Ontvankelijkheid in hoger beroep 6.1 Voor hun (primaire) conclusie dat [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek moet worden verklaard, hebben de curator en [verweersters] aangevoerd dat op deze zaak het sinds 1 januari 2025 geldende bewijsrecht van toepassing is, en dat ingevolge art. 200 Rv geen hoger beroep openstaat tegen de beslissing op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (lid 2) en de vier-weken-termijn voor het beroep tegen de beslissing op het inzageverzoek al was verstreken toen [verzoekster] haar beroepschrift indiende (lid 1). [verzoekster] heeft dit bestreden en betoogd dat op grond van het overgangsrecht het vóór 1 januari 2025 geldende recht van toepassing blijft op de vraag of en binnen welke termijn beroep mogelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hierover verder van gedachten gewisseld en is de hierboven in rov. 2.4 genoemde procedure-afspraak gemaakt. [verzoekster] en [verweersters] hebben vervolgens een akte genomen over de betekenis van de beschikking van de Hoge Raad van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:996, voor de ontvankelijkheidsvraag in de onderhavige zaak (vgl. hierboven rov. 2.5). [verzoekster] leest in de beschikking van de Hoge Raad een bevestiging van haar standpunt dat zij ontvankelijk is. [verweersters] refereren zich aan het oordeel van het hof hierover. Van de curator heeft het hof niet vernomen. 6.2 Naar het oordeel van het hof volgt uit de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad dat [verzoekster] ontvankelijk is in haar hoger beroep. Daartoe overweegt het hof het volgende. 6.3 Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Wat betreft het verwezenlijken van voorlopige bewijsverrichtingen – zoals (een verzoek om) inzage en voorlopig getuigenverhoor – wijkt deze wet in enkele opzichten af van de wettelijke regeling die vóór 1 januari 2025 gold (hierna: (oud) Rv). 6.4 Voor voorlopige bewijsverrichtingen als bedoeld in art. 196 Rv bevat art. 200 Rv een regeling voor het instellen van rechtsmiddelen die als volgt luidt: 1. Tegen de beslissing op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld binnen vier weken te rekenen van de dag van de uitspraak. 2. Tegen de beslissing op het verzoek om een of meer andere voorlopige bewijsverrichtingen staat geen hogere voorziening open, tenzij de rechter anders bepaalt. De termijn voor het instellen van de hogere voorziening bedraagt in dat geval vier weken. 6.5 Art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht bevat de volgende overgangsrechtelijke bepaling: Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. 6.6 Deze bepaling voorziet niet in specifiek overgangsrecht voor het openstaan van en de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen een beslissing op een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen, indien – zoals in de onderhavige zaak – het verzoek is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en daarop na de inwerkingtreding van die wet uitspraak is gedaan. In zoverre moet worden teruggegrepen op het algemene uitgangspunt van civielrechtelijk overgangsrecht dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt in de onderhavige zaak mee dat op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van hoger beroep gedurende de gehele procedure – dus ook in hoger beroep – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft. Vóór 1 januari 2025 gold dat tegen een afwijzende beslissing op een verzoek om inzage (als bedoeld in art. 843a (oud) Rv) en/of voorlopig getuigenverhoor (als bedoeld in art. 186-187 (oud) Rv) hoger beroep openstond en dat de termijn voor het instellen van dat hoger beroep drie maanden na de dag van de uitspraak in eerste aanleg bedroeg (art. 358 lid 2 Rv). [verzoekster] is op 22 juli 2025 en dus tijdig in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 april 2025 voor zover de rechtbank daarbij haar verzoek heeft afgewezen. [verzoekster] is daarom ontvankelijk. 7 Beoordeling in hoger beroep wijziging verzoek in hoger beroep 7.1 [verzoekster] heeft haar verzoek in hoger beroep gewijzigd. Uitgaande van het verzoek zoals dat is geformuleerd aan het slot van het beroepschrift en gelet op de grieven en de verdere inhoud van het beroepschrift, stelt het hof vast dat de wijziging (verandering en/of vermeerdering) ten opzichte van het verzoek in de procedure bij de rechtbank in essentie het volgende inhoudt: onder I: gelasting van een voorlopig getuigenverhoor over (ook) de in het beroepschrift genoemde feiten; onder II (gericht tegen de curator en [verweerster 5]): verstrekking van een ongecensureerd afschrift van alle onder 1 en 2 genoemde stukken, het onder 3 genoemde contract, en de onder 4 en 5 genoemde stukken ; onder III (gericht tegen [verweerster 5]): betreft een grotendeels nieuw verzoek ; onder IV (gericht tegen de curator): verstrekking van een afschrift van (ook) alle daar genoemde correspondentie ; het tegen JEZ, MAAN en Yume gerichte verzoek (verzoekschrift, onder IV) is komen te vervallen . 7.2 De curator en [verweersters] hebben tegen de wijziging geen bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van het hof is de wijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom recht doen op het gewijzigde verzoek. 7.3 Tijdens de mondelinge behandeling is namens [verzoekster] (in de tweede termijn) verzocht het verzoek tot inzage van stukken niet alleen tegen [verweerster 5] en de vennootschappen ([verweersters]) toe te wijzen, maar ook tegen de curator. Voor zover hiermee een verdere verandering of vermeerdering van het verzoek is beoogd, laat het hof deze buiten beschouwing omdat zij te laat in de procedure heeft plaatsgevonden en daarom in strijd is met de eisen van een goede procesorde. juridisch kader 7.4 Aangezien het hof het beroepschrift heeft ontvangen op 22 juli 2025, is op deze zaak van toepassing het bewijsrecht zoals dat sinds de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 geldt. Dit volgt uit de hierboven in rov. 6.5 aangehaalde bepaling van overgangsrecht. Ook partijen gaan uit van de toepasselijkheid van dit bewijsrecht. 7.5 De per 1 januari 2025 geldende maatstaf voor de beoordeling van een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen is neergelegd in art. 196 lid 2 Rv. Op de voet van deze bepaling wijst de rechter het verzoek toe, tenzij de rechter van oordeel is dat a) de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald, b) onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, d) sprake is van misbruik van bevoegdheid, of e) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 7.6 Art. 204 Rv bepaalt dat op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens de artikelen 194, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing zijn. Uit hoofde van art. 194 lid 1 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij a) hem een verschoningsrecht als bedoeld in art. 165 lid 2 Rv toekomt of b) gewichtige redenen zich daartegen verzetten (art. 194 lid 2 Rv). Op verzoek van de partij die daar ingevolge art. 194 lid 1 Rv recht op heeft, kan de rechter de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt (art. 195 lid 1 Rv). Als degene die over bepaalde gegevens beschikt, geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop deze gegevens betrekking hebben, kan de rechter op verzoek van de partij die daar ingevolge art. 194 lid 1 Rv recht op heeft, deze derde veroordelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens (art. 195a lid 1 Rv). 7.7 Verder blijft – ook onder het per 1 januari 2025 geldende bewijsrecht – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad als uitgangspunt dienen dat een voorlopige bewijsverrichting onder meer ertoe strekt belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook over de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen. In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad overwogen dat niet is vereist dat de verzoeker om een voorlopig getuigenverhoor al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor kan nu juist ertoe dienen degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor. de door [verzoekster] overwogen procedure(s) 7.8 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoekster] toegelicht dat zij overweegt in een procedure tegen [verweerster 5] een vordering tot schadevergoeding in te stellen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en/of onrechtmatige daad, en tegen JEZ, MAAN, Yume en [studio] een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad in groepsverband en/of profiteren van onrechtmatig handelen. 7.9 [verzoekster] meent dat – mede dankzij de door de rechtbank toegewezen verzoeken – al concreet bewijs voorhanden is dat [verweerster 5] zich schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van selectieve betalingen aan andere concurrente schuldeisers, die nog zijn doorgegaan nadat [studio] geen reëel continuïteitsperspectief meer had; het doorschuiven van lopende projecten of klanten vanuit [studio] naar andere vennootschappen van [verweerster 5], zonder dat daarvoor een zakelijke vergoeding aan [studio] werd betaald; het doorschuiven van corporate opportunities van [studio] aan andere vennootschappen van [verweerster 5] met het doel deze inkomsten buiten het bereik van de schuldeisers van [studio] te brengen; het (doorgaan met het) aangaan van verplichtingen en het maken van (juridische) kosten ten laste van [studio], terwijl [verweerster 5] wist dat [studio] ‘ten dode opgeschreven was’ (pleitnota mr. De Vaan, nr. 8). 7.10 Met de in hoger beroep verzochte voorlopige bewijsverrichtingen beoogt [verzoekster] meer duidelijkheid te verkrijgen over welke stellingen zij in de overwogen procedure zal (moeten) kunnen bewijzen en welke verweren zij zal (moeten) kunnen weerleggen. Volgens [verzoekster] hebben de door de rechtbank toegewezen verzoeken daarover onvoldoende informatie opgeleverd. In dit licht moeten ook de door [verzoekster] aangevoerde grieven worden begrepen. grief 1 / verzoeken ten aanzien van de curator (verzoeken I, II en IV) 7.11 Verzoek I strekt tot het gelasten van een getuigenverhoor. Het beroepschrift vermeldt niet welke personen [verzoekster] (na wijziging van haar verzoek) als getuige wil horen. In haar inleidende verzoekschrift, nr. 56, heeft [verzoekster] verzocht zestien bij naam genoemde personen te horen, onder wie de curator. De rechtbank heeft het verzoek in zoverre afgewezen. Uit grief 1 en de daarop gegeven toelichting en uit wat [verzoekster] daarover tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt, moet verzoek I zo worden begrepen dat het verzoek ziet op het horen van (in ieder geval) de curator. 7.12 Blijkens haar inleidend verzoekschrift, nr. 55-56, wil [verzoekster] de curator horen over (i) het aantal projecten dat is gestart door [studio] of waarbij [studio] al betrokken was vóór het faillissement en dat vervolgens voor of na het faillissement is gerealiseerd in de JEZ-groep – het hof begrijpt: JEZ, MAAN en Yume –, en de hoeveelheid omzet die voortvloeit uit de verrichte werkzaamheden en de marges, provisies of andere vergoedingen die [verweerster 5] en/of de JEZ-groep (direct of indirect) uit die projecten heeft gekregen, (ii) de afspraken tussen de curator en [verweerster 5], en (iii) de uitkomsten van het door de curator uitgevoerde onregelmatighedenonderzoek. 7.13 Met grief 1 komt [verzoekster] verder op tegen de afwijzing door de rechtbank van de tegen de curator gerichte verzoeken om verstrekking van afschriften (verzoeken II en III in het inleidend verzoekschrift). Verzoeken II en IV strekken ertoe de curator te bevelen (ongecensureerde) afschriften te verstrekken van – kort samengevat – alle bankafschriften van [studio], alle door [studio] ontvangen offertes, alle grootboekkaarten en auditfiles van [studio] en alle jaarrekeningen van [studio] (verzoek II, onder 1-2, 4-5), het volledige contract tussen de curator en Yume over de verkoop van activa uit de boedel (verzoek II, onder 3), en de gespreksverslagen uit het onregelmatighedenonderzoek en alle door de curator met derden gevoerde correspondentie in het kader van het onregelmatighedenonderzoek (verzoek IV). 7.14 Tegen de afwijzing van de tegen de curator gerichte verzoeken door de rechtbank heeft [verzoekster] aangevoerd – kort weergegeven – dat niet is bewezen dat de curator informatie heeft verkregen waarvoor zij vertrouwelijkheid heeft toegezegd, de curator in het kader van het door haar verrichte onregelmatighedenonderzoek ook een grote hoeveelheid informatie heeft verzameld waarvoor zij geen vertrouwelijkheid heeft toegezegd, [verzoekster] de curator ook wil horen over onderwerpen die de curator niet in het kader van het onregelmatighedenonderzoek met derden heeft besproken en waarbij geen vertrouwelijkheid is toegezegd (zoals over de totstandkoming van de overeenkomst tussen de curator en Yume), de curator geen verschoningsrecht of beroep op geheimhouding toekomt, bewijs (van een onrechtmatige doorstart) voor [verzoekster] niet of niet eenvoudig via een andere weg is te verkrijgen, en het belang van [verzoekster] zwaarder weegt dan het belang van de curator. 7.15 Tegen de verzoeken die op de curator betrekking hebben, heeft de curator verweer gevoerd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het verweer van de curator komt erop neer dat niet is voldaan aan de vereisten van art. 194-196 en 166 Rv, de verzoeken in strijd met de goede procesorde zijn en dat gewichtige redenen zich verzetten tegen de exhibitie van de verzochte informatie. 7.16 Naar het oordeel van het hof zijn alleen de verzoeken om de curator te horen over de afspraken tussen haar en [verweerster 5] (verzoek I) en om verstrekking van een afschrift van de overeenkomst tussen de curator en Yume (verzoek II, onder 3) (deels) toewijsbaar. Daartoe overweegt het hof het volgende. 7.17 Het verweer dat de verzoeken niet voldoen aan de vereisten van art. 194-196 en art. 166 Rv omdat geen sprake is van een rechtsbetrekking, faalt. Voor zover de curator hiermee doelt op het vereiste van een rechtsbetrekking in art. 194 lid 1 Rv, miskent zij dat dit vereiste ziet op een partij bij een rechtsbetrekking die jegens degene die over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking beschikt, recht heeft op inzage, afschrift of een uittreksel van die gegevens, en om inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens verzoekt. Voldoende is dat [verzoekster] stelt partij bij een rechtsbetrekking te zijn, namelijk bij verbintenissen uit de wet tussen haar (als schuldeiser) en [verweersters] (als schuldenaren). Dat degene die over bepaalde gegevens over de rechtsbetrekking beschikt, iemand anders kan zijn dan de wederpartij bij die rechtsbetrekking, volgt uit art. 195a Rv dat immers specifiek op deze derde ziet. Ook overigens kent de wet geen rechtsbetrekkingvereiste dat aan de verzoeken van [verzoekster] in de weg staat. Evenmin kan worden geoordeeld dat de verzoeken in strijd zijn met de goede procesorde. De enkele (door de curator gestelde) omstandigheden dat [verzoekster] de verzochte informatie en stukken veel eenvoudiger had kunnen verkrijgen dan door het instellen van het hoger beroep en dat het faillissement zonder het hoger beroep al zou zijn afgewikkeld, zijn daarvoor onvoldoende. Wettelijk uitgangspunt is immers dat van een (afwijzende) beslissing op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel hoger beroep openstaat (-stond). 7.18 De curator heeft aangevoerd dat een deel van de door [verzoekster] verzochte informatie uitsluitend vertrouwelijk en onder geheimhouding aan haar is gegeven, en dat het vertrouwen in curatoren in algemene zin ernstig zou worden geschaad indien de curator in dit geval zou worden veroordeeld om de door haar in haar ‘rechtmatighedenonderzoek’ vertrouwelijk verkregen informatie te openbaren (pleitnota mr. Güzel, nr. 17; het hof begrijpt: het door de curator verrichte onregelmatigheden- en oorzakenonderzoek bedoeld in art. 68 lid 2, aanhef en onder a, Faillissementswet (Fw), hierboven in rov. 3.10, rov. 7.12 onder (iii) (verzoek I) en in verzoek IV). Dit verweer slaagt voor zover het op informatie uit dit onderzoek ziet. 7.19 De faillissementscurator behoort niet tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke positie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. De curator komt daarom geen verschoningsrecht in de zin van art. 165 lid 2 Rv toe. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. 7.20 De aard van de in art. 68 lid 1 Fw aan de faillissementscurator opgedragen taak – het beheer en de vereffening van de failliete boedel – kan echter meebrengen dat voor de uitvoering van die taak vertrouwelijkheid is vereist. Voor het in art. 68 lid 2, aanhef en onder a, Fw bedoelde onderzoek blijkt van deze eis waar onder b is bepaald dat de curator de rechter-commissaris hierover vertrouwelijk informeert, dat wil zeggen over de vraag of er sprake is van onregelmatigheden die het faillissement (mede) hebben veroorzaakt, de vereffening van de failliete boedel bemoeilijken of het tekort in het faillissement hebben vergroot. Deze informatie is uitgesloten van de in art. 73a FW geregelde verslagleggingsplicht van de curator (zoals volgt uit art. 73a lid 3 Fw). Uit deze regeling vloeit voort dat de curator zijn bevindingen uit het onregelmatighedenonderzoek in vertrouwen en (dus) uitsluitend met de rechter-commissaris deelt. De bevindingen zijn daarom niet bedoeld om met anderen te worden gedeeld, ook niet met één van de schuldeisers. Daarbij valt verder te bedenken dat de curator zijn taak, en daarmee ook het onregelmatighedenonderzoek, uitvoert ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, niet ten behoeve van één van hen. Of de curator in het kader van het onderzoek informanten al dan niet vertrouwelijkheid heeft toegezegd, is in deze regeling niet relevant. 7.21 De wettelijke regeling van het onregelmatighedenonderzoek levert een gewichtige reden op die zich verzet tegen verzoek IV en tegen verzoek I voor zover verzoek I ziet op het horen van de curator over de uitkomsten van het door haar verrichte onderzoek (hierboven rov. 7.12 onder (iii)). In zoverre moeten deze verzoeken dus worden afgewezen. 7.22 Voor zover verzoek II, onder 1-2 en 4-5, betrekking heeft op informatie uit het door de curator verrichte onregelmatighedenonderzoek (en tegen de curator is gericht), moet het op dezelfde grond worden afgewezen. Volgens [verzoekster] heeft de curator in het kader van dat onderzoek onder andere de (project)administratie, (jaar)cijfers en (interne) e-mailboxen van [studio] verkregen (beroepschrift, nr. 55). 7.23 Een belangenafweging – die reeds in de regeling van het onregelmatighedenonderzoek besloten ligt – kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat geldt ook voor de door [verzoekster] gestelde omstandigheid dat zij niet (eenvoudig) langs een andere weg deze informatie kan verkrijgen. 7.24 Ook voor zover verzoek II, onder 1-2 en 4-5, geen betrekking heeft op informatie uit het door de curator verrichte onregelmatighedenonderzoek (en tegen de curator is gericht), moet het worden afgewezen op grond van het volgende. De curator is geen partij bij de rechtsbetrekking tussen [verzoekster] en [verweersters] Er kan van worden uitgegaan dat voor zover de curator over de met dit verzoek verzochte gegevens (van [studio]) beschikt, zij die (in haar hoedanigheid van curator) heeft verkregen van [verweerster 5]. Dat [verweerster 5] over de verzochte informatie beschikt, volgt ook uit de eigen stellingen van [verzoekster]; [verzoekster] heeft het verzoek mede tegen [verweerster 5] gericht. Aannemelijk is dus dat [verzoekster] de verzochte gegevens langs een andere weg dan via de curator kan verkrijgen. [verzoekster] stelt dat het niet eenvoudig of zelfs extreem moeilijk is gebleken om de gegevens via ([studio], het hof begrijpt:) [verweerster 5] te verkrijgen, dat zij van [verweerster 5] slechts mondjesmaat en vaak pas na kostbare procedures informatie heeft verkregen en dat zij van [verweerster 5] zwartgelakte informatie heeft verkregen waardoor zij niet kan nagaan of die informatie daadwerkelijk niets met de Bekende Projecten te maken heeft. Deze omstandigheden – die niet aan de curator of de failliete boedel vallen toe te rekenen en in de risicosfeer van [verzoekster] vallen – kunnen niet meebrengen dat [verzoekster] de verzochte gegevens via (een daartoe strekkende veroordeling van) de curator moet kunnen verkrijgen. Tegen het verkrijgen van de verzochte informatie via de curator verzet zich verder het door de curator in aanmerking te nemen belang van de gezamenlijke schuldeisers bij een voortvarende afwikkeling van het faillissement (waarvan inmiddels vaststaat dat de boedel bij gebrek aan baten zal worden opgeheven). 7.25 [verzoekster] stelt nog wel dat een deel van de informatie die van de curator wordt gevraagd niet via [verweersters] is te verkrijgen, maar daarvan noemt zij alleen ‘de gespreksverslagen’ (beroepschrift, nr. 61). Gespreksverslagen zijn niet in verzoek II opgenomen en maken daarvan dus geen deel uit. Bovendien heeft [verzoekster] niet toegelicht dat deze verslagen geen informatie behelzen uit het door de curator verrichte onregelmatighedenonderzoek. Verder verdient opmerking dat de stelling van [verzoekster] dat de mogelijkheid van het verkrijgen van stukken langs een andere weg onder het per 1 januari 2025 in werking getreden bewijsrecht geen valide argument voor afwijzing van een afgifteverzoek is, geen steun in het recht vindt. 7.26 Dit een en ander brengt mee dat verzoek II, onder 1-2 en 4-5, voor zover het geen betrekking heeft op informatie uit het door de curator verrichte onregelmatighedenonderzoek, moet worden afgewezen omdat een gewichtige reden zich daartegen verzet en daarbij onvoldoende belang bestaat. Ook verzoek I moet daarom worden afgewezen, voor zover het ziet op het horen van de curator als getuige over de hierboven in rov. 7.12 onder (i) genoemde onderwerpen. de afspraken tussen de curator en [verweerster 5] c.q. de overeenkomst tussen de curator en Yume 7.27 De afspraken tussen de curator en [verweerster 5] waarover [verzoekster] de curator als getuige wil horen (verzoek I; vergelijk hierboven rov. 7.12 onder (ii)) betreft – naar het hof begrijpt – hetzelfde onderwerp als de overeenkomst tussen de curator en Yume waarvan [verzoekster] van de curator een (ongecensureerd) afschrift wenst te ontvangen (verzoek II, onder 3; vergelijk hierboven rov. 7.13). 7.28 Het verzoek om de curator als getuige te horen heeft [verzoekster] aldus toegelicht dat zij de curator wenst te horen over de totstandkoming van de overeenkomst tussen de curator en Yume waarin de verkoop van activa is opgenomen, dat dit nodig is voor een juiste interpretatie van die overeenkomst en om te kunnen bepalen of [verweerster 5] jegens [verzoekster] onrechtmatig heeft gehandeld indien [verweerster 5] de curator onjuist en/of onvolledig heeft voorgelicht over de werkelijke inhoud en waarde van de projecten- en klantenportefeuille, en dat hierover geen duidelijkheid kan worden verkregen door alleen de verklaringen van [verweerster 5]. 7.29 Bij de beoordeling van de verzoeken moet voorop worden gesteld dat de curator geen verschoningsrecht als bedoeld in art. 165 lid 2 Rv toekomt (vergelijk hierboven rov. 7.19). Bovendien is de curator partij bij bedoelde overeenkomst en dus niet aan te merken als derde ten opzichte van de verzochte informatie. De enkele stelling van de curator dat in de overeenkomst (onder andere) bedrijfsgevoelige informatie is opgenomen en dat het vreemd zou zijn deze inhoud met directe concurrent (van [verweersters]) [verzoekster] te delen, kan niet tot afwijzing van de verzoeken leiden. Evenmin kan (op voorhand) worden gezegd dat door toewijzing van de verzoeken [verzoekster] met concurrentiegevoelige informatie ongerechtvaardigd zal worden verrijkt ten koste van de failliete boedel in de zin van art. 6:212 BW en/of in de zin van een gewichtige reden voor afwijzing. Overigens is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] als (directe) concurrent van [verweersters] kan worden aangemerkt; uit de stellingen van partijen volgt eerder dat [studio] ([verweerster 5]) zich bezighield met het ontwerpen van interieurs en [verzoekster] (alleen) met de uitvoering daarvan (vgl. de in hoger beroep onbestreden feitenvaststelling in rov. 2.1 en 2.3 van de beschikking van de rechtbank en hierboven rov. 3.2 en 3.4). Daarbij komt dat deze bezwaren in zoverre kunnen worden ondervangen dat indien de vraagstelling de curator als getuige zou nopen te verklaren over informatie die zij uit het onregelmatighedenonderzoek heeft verkregen (vergelijk hierboven rov. 7.20), zij zich daarop zou kunnen beroepen. Het is vervolgens aan de rechter die op grond van art. 179 lid 2 Rv bevoegd is te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven, om te beoordelen of dat beroep wordt gehonoreerd. Dat het horen van de curator over de totstandkoming van de overeenkomst tussen haar en Yume in de weg staat aan de afwikkeling van het faillissement heeft de curator niet gesteld en valt ook niet onmiddellijk in te zien. De daaraan verbonden kosten kan [verzoekster] voor haar rekening nemen. 7.30 Wat hierboven in rov. 7.20 is overwogen, brengt verder mee dat het verzoek om verstrekking van een ongecensureerd afschrift van het (volledige) contract tussen de curator en Yume niet toewijsbaar is voor zover daarin informatie is opgenomen afkomstig uit het door de curator verrichte onregelmatighedenonderzoek. Het staat de curator vrij in het afschrift die informatie weg te lakken of anderszins onleesbaar te maken. De daaraan verbonden kosten kunnen worden begrepen onder de door [verzoekster] te dragen kosten die voor de verstrekking van de overeenkomst tussen de curator en Yume moeten worden gemaakt (art. 194 lid 1 Rv). 7.31 Uit het voorgaande volgt dat voor zover verzoek I ziet op het horen van de curator over de overeenkomst tussen haar en Yume het zal worden toegewezen, met inachtneming van wat daarover hierboven in rov. 7.29 is overwogen. Verzoek II (voor zover gericht tegen de curator), onder 3, zal worden toegewezen, met inachtneming wat daarover hierboven in rov. 7.30 is overwogen. algemeen verweer van [verweersters] tegen verzoeken I en II 7.32 In hun verweerschrift in hoger beroep stellen [verweersters] zich op het standpunt dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij haar verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor en verstrekking van afschriften (verzoeken I en II). In dit verband voeren zij aan dat de door [verzoekster] overwogen vorderingen (vergelijk hierboven rov. 7.10) steunen op de veronderstelde wanbetaling door [studio] en een zogenaamd onrechtmatige doorstart door [verweersters] waarvan niet is gebleken, dat van een zelfstandige vordering op [verweersters] evenmin is gebleken, en dat [verzoekster] nog geen begin van bewijs heeft geleverd dat lopende projecten zijn doorgezet met het oogmerk om opbrengsten aan de boedel te onttrekken en/of dat [verweersters] voorafgaand aan het faillissement een plan tot verhaalsfrustratie hadden. 7.33 Dit verweer – dat een impliciete incidentele grief tegen rov. 4.9 en 4.10 van de bestreden beschikking inhoudt – kan [verweersters] niet baten. Met de rechtbank is het hof namelijk van oordeel dat [verweersters] hiermee miskent dat in deze procedure niet de toewijsbaarheid van de door [verzoekster] overwogen vorderingen ter toetsing voorligt (vergelijk hierboven rov. 7.7). Met het horen van getuigen en het verstrekken van afschriften van stukken kan [verzoekster] feiten achterhalen om te bezien of er (opbrengsten uit) opdrachten zijn weggesluisd in de aanloop naar het faillissement en welke partij (wie van [verweersters]) daarbij op welke wijze betrokken was. Daarmee is het voldoende belang van [verzoekster] bij verzoeken I en II gegeven. 7.34 Hierop stuit ook af het verweer van [verweersters] dat (ook na het houden van het voorlopige getuigenverhoor in eerste aanleg en de ontvangst van de door de rechtbank toegewezen stukken) [verzoekster] nalaat te concretiseren op welke rechtsbetrekking zij haar verzoeken en beoogde vorderingen baseert, met als gevolg dat die rechtsbetrekking onvoldoende bepaald en onvoldoende aannemelijk is. Voor zover [verweersters] met dit verweer doelt op het rechtsbetrekkingsvereiste van art. 194 lid 1 of art. 195a lid 1 Rv strandt het op wat hierboven is overwogen in rov. 7.17 (en vergelijk rov. 4.23 van de bestreden beschikking). grief 2 / de reikwijdte van het getuigenverhoor (verzoek I) 7.35 In rov. 4.10 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen als volgt: ‘De rechtbank is het wel met [verweersters] eens dat [verzoekster] er geen belang [bij] heeft om álle projecten van [studio] onder de loep te laten nemen. Ten aanzien van zes in het verzoekschrift genoemde projecten (te weten: Penthouse Rotterdam, Kijkduin, Bayhouse, Villa Boxtel, One Villa Hotel Domburg en Villa familie [naam ]) heeft [verzoekster] voldoende concreet toegelicht dat er mogelijk sprake is van onregelmatigheden. [verzoekster] heeft afdoende onderbouwd waar zij haar vermoedens van een onrechtmatige doorstart op heeft gebaseerd en over welk feitelijk gebeuren zij de getuigen wenst te ondervragen. Alleen ten aanzien van het project [naam ] geldt dat de door [verzoekster] verstrekte informatie te summier is om een getuigenverhoor over toe te laten.’ 7.36 Daarop voortbordurend heeft de rechtbank in rov. 4.19 het volgende overwogen: ‘De rechtbank zal het getuigenverhoor voor de onderwerpen genoemd onder 3.2 onder i, ii en iii [vergelijk hierboven rov. 4.2; hof] afbakenen en beperken tot het horen van getuigen uitsluitend inzake de volgende zes in het verzoekschrift genoemde projecten, te weten: Project Penthouse Rotterdam, Project Kijkduin, Project Bayhouse, Project Villa Boxtel, Project One Villa Hotel Domburg en Project [naam ]. Getuigen verhoren met betrekking tot de onderwerpen onder i, ii en iii over informatie die geen betrekking heeft op deze projecten is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een fishing expedition en is derhalve niet toewijsbaar.’ 7.37 Grief 2 strekt ertoe dat het hof verzoek I zal toewijzen zonder de beperking tot de zes Bekende Projecten. 7.38 Naar het oordeel van het hof slaagt deze grief. Daartoe overweegt het hof het volgende. 7.39 [verzoekster] voert ter toelichting op grief 2 aan dat de informatie die na de bestreden beschikking bekend is geworden – het hof begrijpt: informatie uit de door [verweersters] verstrekte afschriften van stukken overeenkomstig de daartoe strekkende veroordeling door de rechtbank – en de verklaring die [getuige] als getuige tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 10 juli 2025 heeft afgelegd, aanwijzingen opleveren dat naast de Bekende Projecten diverse andere projecten en corporate opportunities van [studio] ‘stilletjes’ zijn overgedragen aan of zijn voortgezet door MAAN, Yume en/of JEZ (beroepschrift, nr. 66). Zo heeft [getuige] verklaard over een project van een vrijstaande woning voor de heer [x] in Loenen aan de Vecht en een project van een appartement in Rotterdam in opdracht van de familie [y]. [verzoekster] betoogt dat de beperking tot de zes Bekende Projecten in dit licht ernstig in het gedrang komt en haar verhindert te onderzoeken of sprake is van een topje van de ijsberg en, zo ja, hoe groot die ijsberg is. 7.40 Het hof volgt [verzoekster] hierin. Blijkens haar inleidend verzoekschrift, nr. 55-56, wil [verzoekster] de daargenoemde personen als getuigen horen over het aantal projecten dat is gestart door [studio] of waarbij [studio] al betrokken was vóór het faillissement en dat vervolgens voor of na het faillissement is gerealiseerd in de JEZ-groep, en de hoeveelheid omzet die voortvloeit uit de verrichte werkzaamheden en de marges, provisies of andere vergoedingen die [verweerster 5] en/of de JEZ-groep (direct of indirect) uit die projecten heeft gekregen (vergelijk hierboven rov. 7.12). Daarmee is het verzoek voldoende bepaald. Niet is vereist dat [verzoekster] al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft over welke feiten zij getuigen wil doen horen (vergelijk hierboven rov. 7.7). Weliswaar zijn in eerste aanleg al getuigen gehoord en afschriften van stukken verstrekt, maar daaruit volgt dat het achterhalen van feiten over andere projecten dan de zes Bekende Projecten aan relevantie wint. Het hof verstaat verzoek I zo dat [verzoekster] op deze feiten doelt waar het verzoek rept van een voorlopig getuigenverhoor over (ook) de in het beroepschrift genoemde feiten. Dat [verzoekster] belang heeft bij dit verzoek, volgt uit wat hierboven in rov. 7.33 is overwogen. Daaraan kan niet afdoen de enkele stelling van [verweersters] dat moet worden voorkomen dat het voorlopig getuigenverhoor ‘ontaardt in reputatieschadelijke klantbenadering zonder concrete noodzaak’ (verweerschrift in hoger beroep, nr. 2.32). Die stelling kan ook niet meebrengen dat het voorlopig getuigenverhoor zal worden beperkt tot het horen van alleen [verweerster 5]. Voor zover [verweersters] beogen te betogen dat [verzoekster] met het willen horen van nadere getuigen louter vanuit persoonlijke rancune handelt en daarmee misbruik van bevoegdheid maakt, zijn versterkte vermoedens daarover niet voldoende om tot dat misbruik te kunnen concluderen. 7.41 Wat hierboven in rov. 7.26 is overwogen, brengt mee dat (van de in het verzoekschrift genoemde getuigen) de curator niet als getuige zal worden gehoord over de in rov. 7.12 onder (i) genoemde onderwerpen. Met inachtneming hiervan zal verzoek I worden toegewezen. [verzoekster] zal zich in dit verband zoveel mogelijk moeten beperken tot het oproepen van getuigen en het stellen van vragen over onderwerpen die in eerste aanleg niet aan bod zijn gekomen. grief 3 / de reikwijdte van de afschriftverzoeken (verzoeken II en III) 7.42 Met grief 3 komt [verzoekster] op tegen rov. 4.10, 4.23 en 4.25 van de bestreden beschikking. Deze laatste overwegingen luiden, voor zover relevant, als volgt: ‘4.23 Hiervoor is al overwogen dat [verzoekster] een rechtmatig belang heeft bij het onderzoeken van de gang van zaken rondom de zes in r.o. 4.10. genoemde projecten van [studio]. In het verlengde daarvan oordeelt de rechtbank dat [verzoekster] voor die zes projecten een rechtmatig belang heeft bij afschrift van stukken die betrekking hebben op die projecten, zowel voor als na het faillissement. Ook heeft [verzoekster] een rechtmatig belang bij het onderzoeken of [studio] onrechtmatig selectieve betalingen heeft verricht en vanaf welk moment de omzet een teruglopende trend liet zien. Inzage in de bankafschriften van [studio] kan een bijdrage leveren aan verkrijgen van inzicht in de financiële positie van [studio] voorafgaand aan het faillissement. Op die manier kan [verzoekster] tot een peildatum komen vanaf welk moment [verweerster 5] wist of behoorde te weten dat [studio] de door haar aangegane verplichtingen niet kon nakomen en zien of [verweerster 5] bij het verschuiven van projecten, wist of behoorde te weten dat [studio] haar verplichtingen niet meer kon nakomen. De rechtbank zal bepalen dat [verweerster 5] de bankafschriften moet verschaffen vanaf een jaar voor het faillissement van [studio]. Daarmee zijn de stukken ten aanzien waarvan het verzoek zal worden toegewezen ook voldoende bepaald. (…) 4.25 [verzoekster] verzoekt ten slotte [verweerster 5] te bevelen het contract te verstrekken dat zij heeft gesloten met de curator betreffende de doorstart van [studio]. [verzoekster] heeft vernomen dat er tussen de curator en [verweerster 5] of een aan haar gelieerde partij een contract is gesloten betreffende de doorstart door [verweerster 5] in een van haar vennootschappen. Op basis van dit contract kan achterhaald worden om welke projecten het gaat en voor welke projecten nog werkzaamheden zijn verricht. [verweerster 5] heeft zich hiertegen verweerd met de stelling dat voor de verzoeken van [verzoekster] en de onderbouwing daarvan, alleen relevant is wat tussen [verweerster 5] en de curator is afgesproken ter zake het klantenbestand van [studio] en de lopende projecten van [studio]. De rechtbank volgt [verweerster 5] in dat standpunt. Het verzoek zal dan ook met inachtneming van die beperking worden toegewezen.’ 7.43 Grief 3 strekt ertoe dat het hof ten aanzien van de afschriftverzoeken anders dan de rechtbank zal oordelen over de beperkingen tot de zes Bekende Projecten en de periode van een jaar voorafgaand aan het faillissement. Verzoeken II en III houden geen beperking tot de zes Bekende Projecten in, kennen een periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement en zien (ook) op alle grootboekkaarten en auditfiles en alle jaarrekeningen en correspondentie daarover van [studio] (verzoek II) en van MAAN, Yume en JEZ (verzoek III). 7.44 Naar het oordeel van het hof slaagt ook deze grief en zijn verzoeken II (voor zover gericht tegen [verweerster 5]) en III toewijsbaar. Daartoe overweegt het hof het volgende. 7.45 Ook in verband met grief 3 voert [verzoekster] aan dat de getuigenverklaring van [getuige] een aanwijzing oplevert dat er naast de Bekende Projecten nog meer voormalige [studio]-projecten zijn voortgezet onder de vlag van of via andere vennootschappen van [verweerster 5]. Hetzelfde geldt volgens [verzoekster] voor de vele zwartgelakte pagina’s aan bankafschriften van MAAN, Yume en JEZ. Ook hierin volgt het hof [verzoekster]. Daarnaast heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat het volledig delen van de bankafschriften en de projectadministraties van [studio], MAAN, Yume en JEZ de enige manier is waarop kan worden vastgesteld in hoeverre en vanaf welk moment opdrachten of corporate opportunities van [studio] in MAAN, Yume en/of JEZ zijn ondergebracht en wat de waarde daarvan voor [studio] was; de afgifte van (kopieën van) de grootboekkaarten, auditfiles en (correspondentie over) jaarrekeningen van [studio], MAAN, Yume en JEZ nodig is voor het reconstrueren van de financiële positie van [studio] en voor de beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is geweest van onrechtmatige selectieve betalingen en/of andere vormen van verhaalsfrustratie; de reconstructie van de financiële positie van [studio] tot drie jaar voor het faillissement moet teruggaan om te kunnen beoordelen hoe groot het liquiditeitstekort binnen [studio] – onder andere in verband met een ‘coronaschuld’ aan de Belastingdienst – in de loop der tijd is geweest, en dus om te kunnen beoordelen vanaf wanneer het bestuur van [studio] wist of had moeten weten dat het faillissement aanstaande was. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat [verzoekster] – in het verlengde van dit een en ander – tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd belang te hebben bij het ‘hele plaatje’ om een mogelijk in de bodemprocedure door [verweersters] (in verband met de coronaschuld) te voeren verweer te kunnen weerleggen en de omvang van haar schade goed te kunnen bepalen (pleitnota mr. De Vaan, nr. 37 e.v.). 7.46 Ofschoon met deze verzoeken een groot aantal stukken zal zijn gemoeid, kan niet worden gezegd dat de verzoeken onvoldoende bepaald zijn en een fishing expedition opleveren. Verder is het hof van oordeel dat de stelling van [verweersters] dat de verzochte bescheiden in hoge mate aan vertrouwelijke bedrijfsinformatie, klantgegevens en concurrentiegevoelige gegevens raken, onvoldoende is onderbouwd om als een gewichtige reden voor afwijzing te gelden. Daartoe overweegt het hof dat ook in dit verband onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] als concurrent van [verweersters] kan worden aangemerkt (vgl. hierboven rov. 7.29). 7.47 Met wat hierboven in rov. 7.20 en 7.30 is overwogen, valt echter niet te rijmen dat [verzoekster] door de toewijzing van verzoek II, onder 3, van [verweerster 5] een ongecensureerd afschrift van de (volledige) overeenkomst tussen de curator en Yume zou verkrijgen indien de curator – voor zover dit verzoek tegen haar is gericht – oordeelt dat daarin opgenomen informatie onleesbaar moet worden gemaakt omdat die afkomstig is uit het door haar verrichte onregelmatighedenonderzoek. In zoverre is het verzoek om verstrekking van een ongecensureerd afschrift van het (volledige) contract tussen de curator en Yume – voor zover het tegen [verweerster 5] is gericht – (ook) niet toewijsbaar. Vóórdat zij tot verstrekking van een afschrift van de overeenkomst overgaat, zal [verweerster 5] dit met de curator moeten afstemmen. [verzoekster] zou ook genoegen kunnen nemen met een door de curator verstrekt afschrift. 7.48 Verzoeken II (voor zover gericht tegen [verweerster 5]), onder 1-2 en 4-5, en III zullen daarom worden toegewezen. Verzoek II (voor zover tegen [verweerster 5] gericht), onder 3, zal worden toegewezen met inachtneming van wat daarover hierboven in rov. 7.47 is overwogen. 7.49 Het hof ziet aanleiding om aan deze veroordelingen dwangsommen te verbinden. Deze zullen worden gematigd en gemaximeerd als hieronder te vermelden in de beslissing. Om [verweerster 5] voldoende tijd te geven om aan de veroordelingen te kunnen voldoen, zal de termijn voor afgifte worden vastgesteld op zes weken na betekening van deze beschikking. conclusie en proceskosten 7.50 De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] gedeeltelijk slaagt. Omwille van de leesbaarheid van de beslissing zal het hof de gehele beschikking van de rechtbank vernietigen en het dictum opnieuw formuleren. 7.51 In de procedure tussen [verzoekster] en de curator ziet het hof aanleiding de kosten van dit hoger beroep te compenseren. Aan het verzoek van de curator om [verzoekster] in de kosten van de eerste aanleg te veroordelen gaat het hof voorbij omdat de bestreden beschikking geen kostenveroordeling inhoudt en ook in die instantie aanleiding voor compensatie bestaat. Het hof zal de curator niet op voorhand in de kosten van een eventueel voorlopig getuigenverhoor veroordelen. 7.52 In de procedure tussen [verzoekster] en [verweersters] hebben [verweersters] te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij zullen daarom in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld. De gegrondheid van hun verzoek om [verzoekster] in de daadwerkelijke proceskosten te veroordelen kan dus in het midden blijven. 7.53 Het hof begroot de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [verzoekster] op: griffierecht € 827,-- salaris advocaat € 3.225,-- (2,5 punten × tarief II (€ 1.290,-- per punt)) nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) totaal € 4.241,-- 7 Beslissing Het hof: - vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van 24 april 2025 van de rechtbank Den Haag, en opnieuw rechtdoende: ten aanzien van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (verzoek I) - beveelt een voorlopig getuigenverhoor van [verweerster 5] over: (i) het aantal projecten dat is gestart door [studio] of waarbij [studio] al betrokken was vóór het faillissement en dat vervolgens voor of na het faillissement is gerealiseerd in de JEZ-groep, en de hoeveelheid omzet die voortvloeit uit de verrichte werkzaamheden en de marges, provisies of andere vergoedingen die [verweerster 5] en/of de JEZ-groep (direct of indirect) uit die projecten heeft gekregen, en (ii) de afspraken tussen de curator en [verweerster 5] c.q. de overeenkomst tussen de curator en Yume over de verkoop van activa uit de boedel; van de curator over: de afspraken tussen de curator en [verweerster 5] c.q. de overeenkomst tussen de curator en Yume over de verkoop van activa uit de boedel, met inachtneming van wat daarover hierboven is overwogen in rov. 7.29; van de andere verzochte getuigen over: het aantal projecten dat is gestart door [studio] of waarbij [studio] al betrokken was vóór het faillissement en dat vervolgens voor of na het faillissement is gerealiseerd in de JEZ-groep, en de hoeveelheid omzet die voortvloeit uit de verrichte werkzaamheden en de marges, provisies of andere vergoedingen die [verweerster 5] en/of de JEZ-groep (direct of indirect) uit die projecten heeft gekregen, - bepaalt dat het voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, op een nader te bepalen datum en tijdstip, en ten overstaan van een nader te bepalen raadsheer-commissaris; - bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk twee weken na heden een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan de curator en [verweersters] moet doen toekomen; - bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden hun verhinderdata voor de periode van december 2026 tot en met april 2027 doorgeven aan het hof; - wijst het meer of anders verzochte af; ten aanzien van het afschriftverzoek gericht tegen de curator en [verweerster 5] (verzoek II) - beveelt [verweerster 5] om binnen zes weken na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] een ongecensureerd afschrift te verstrekken van: (1) alle bankafschriften van alle bankrekeningen van [studio] over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (2) alle schriftelijk door [studio] ontvangen offerteaanvragen (waaronder begrepen maar niet beperkt tot offerteaanvragen per e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst), alle daadwerkelijk uitgebrachte offertes, alle aan [studio] verstrekte opdrachten en alle door [studio] verzonden verkoopfacturen, voor al deze stukken vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (4) alle grootboekkaarten en auditfiles van [studio] over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (5) alle jaarrekeningen (inclusief conceptversies daarvan) van [studio] over de boekjaren 2020, 2021 en 2022 en alle correspondentie (waaronder begrepen maar niet beperkt tot contact via e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst) over jaarrekeningen tussen de boekhouder/accountant van [studio] en [verweerster 5] en/of Melvin van Hasselt; een afschrift te verstrekken van: het contract tussen de curator en Yume betreffende de verkoop van activa uit de boedel, met inachtneming van wat daarover hierboven is overwogen in rov. 4.47; op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat [verweerster 5] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,--; - beveelt de curator om binnen zes weken na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] een afschrift te verstrekken van: het contract tussen de curator en Yume betreffende de verkoop van activa uit de boedel, met inachtneming van wat daarover hierboven is overwogen in rov. 7.30; - wijst af het meer of anders verzochte; ten aanzien van het afschriftverzoek gericht tegen [verweerster 5] (verzoek III) - beveelt [verweerster 5] om binnen zes weken na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] een ongecensureerd afschrift te verstrekken van: (1) alle bankafschriften van alle bankrekeningen van MAAN, Yume en JEZ over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (2) alle schriftelijk door [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ ontvangen offerteaanvragen (waaronder begrepen maar niet beperkt tot offerteaanvragen per e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst), alle daadwerkelijk door [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ uitgebrachte offertes, alle aan [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ verstrekte opdrachten en alle door [verweerster 5], MAAN, Yume en/of JEZ verzonden verkoopfacturen, vooral deze stukken vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; en (3) alle grootboekkaarten en auditfiles van MAAN, Yume en/of JEZ over de periode vanaf 12 september 2020 tot en met 12 september 2023; (4) alle jaarrekeningen (inclusief conceptversies daarvan) van MAAN, Yume en/of JEZ over de boekjaren 2020, 2021 en 2022 en alle correspondentie (waaronder begrepen maar niet beperkt tot contact via e-mail, SMS, WhatsApp en/of een andere berichtendienst) over jaarrekeningen tussen de boekhouder/accountant van MAAN, Yume en/of JEZ enerzijds en [verweerster 5] en/of Melvin van Hasselt anderzijds; op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat [verweerster 5] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,--; ten aanzien van het afschriftverzoek gericht tegen de curator (verzoek IV) - wijst het verzoek af; in de procedure tussen [verzoekster] en de curator - compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin dat [verzoekster] en de curator ieder de eigen kosten dragen; in de procedure tussen [verzoekster] en [verweersters] veroordeelt [verweersters] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 4.241,--; bepaalt dat als [verweersters] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verweersters] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,--; verklaart deze beschikking ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, P. Volker en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier. Zie o.a. 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250. Vgl. HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, rov. 3.8.4; HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7845, rov. 3.4.2; HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, rov. 3.6.3.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/603713 · 2026-10-22
