Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:14096 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 07-10-2026 (HAA 25/1873)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt bestreden besluit I;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- draagt de raad op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt de raad tot betaling van € 198,64 aan proceskosten aan eiser.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Deze uitspraak gaat over het Woo-verzoek van eiser aan de gemeenteraad van de gemeente Velsen. Eiser heeft verzocht om alle informatie met betrekking tot het statement van de gemeenteraad van 29 februari 2024 over onderzoek naar om een asielzoekerscentrum te vestigen in Santpoort-Zuid. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat dit statement verband houdt met de publieke taak van de gemeenteraad waardoor de onderliggende stukken in beginsel binnen de reikwijdte van de Woo vallen. De rechtbank heeft de raad in de tussenuitspraak de mogelijkheid gegeven dit gebrek te herstellen. De raad heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Voor zover eiser het niet eens is met het nieuwe besluit, stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn zienswijze, zij het in andere bewoordingen, heeft herhaald wat hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. De kern van dit betoog is dat het statement van 29 februari 2024 feitelijk onjuist en onvoldoende onderbouwd is. Hierover heeft de rechtbank zich in rechtsoverweging 4 en 4.1 van de tussenuitspraak al uitgelaten. De rechtbank komt niet terug van dat oordeel, zodat de rechtbank aan deze grieven voorbijgaat. Dat betekent dat het verdere debat in beroep enkel nog kan gaan over de vraag of de raad de alsnog openbaar gemaakte informatie terecht deels niet openbaar heeft gemaakt. In de zienswijze van eiser leest de rechtbank geen gronden die raken aan deze vraag. Het beroep voor zover gericht tegen het nieuwe besluit is daarom ongegrond.

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1873 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit Santpoort-Zuid, eiser, en de raad van de gemeente Velsen (gemachtigde: mr. R.A.J. de Jong). Procesverloop 1. Op 29 februari 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Velsen (hierna: de raad) een statement gepubliceerd op zijn website naar aanleiding van berichten die individuele raadsleden en de raad hebben ontvangen in reactie op een onderzoek naar mogelijkheden om een asielzoekerscentrum te vestigen in Santpoort-Zuid. 1.1. In dit statement wordt aangegeven dat sommige van deze reacties worden ervaren als intimiderend en bedreigend en worden de inwoners van Santpoort-Zuid en Velsen opgeroepen om het maatschappelijke debat op een respectvolle manier voort te zetten. 1.2. Naar aanleiding van dit statement heeft eiser op 2 juli 2024 een verzoek ingediend bij de raad op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten (inclusief e-mails, brieven, WhatsApps, chatberichten, kattebelletjes, enzovoorts) die de in het statement bedoelde insinuaties, intimidaties en bedreigingen bevatten of die daartoe de aanleiding waren. Ook heeft eiser verzocht om alle documenten die tot de totstandkoming van het statement van de gemeenteraad hebben geleid. Voor zover deze informatie al openbaar is, verzoekt eiser de raad om aan te geven waar hij deze stukken kan vinden alsook wat het nummer is op de lijst van ingekomen raadsstukken. Tot slot heeft eiser de raad verzocht om de openbaarmaking van alle andere documenten rondom dit statement die te maken hebben met de totstandkoming, de publicatie ervan en het optreden namens de raad bij Nieuwsuur over dit onderwerp. 1.3. De raad heeft het Woo-verzoek op 1 oktober 2024 deels afgewezen. De raad stelt zich in dit besluit op het standpunt dat een deel van de verzochte informatie al openbaar is en een ander deel niet onder de reikwijdte van de Woo valt. De raad heeft wel een WhatsApp-gesprek tussen de griffier en een journalist van Nieuwsuur openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de journalist. 1.4. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.5. Eiser heeft op 1 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. 1.6. In het besluit van 17 april 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser heeft de raad het primaire besluit gehandhaafd en daarbij een aanvullende motivering gegeven. 1.7. Eiser heeft schriftelijk gemotiveerd aangegeven het niet eens te zijn met bestreden besluit I. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook een beroep tegen bestreden besluit I in. 1.8. De raad heeft een verweerschrift ingediend. 1.9. Eiser heeft nadere stukken ingediend. 1.10. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De raad heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder was drs. [naam] , griffier van de raad, aanwezig. 1.11. In de tussenuitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank de raad in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in bestreden besluit I te herstellen. 1.12. De raad heeft op 1 juni 2026 in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II). Daarbij heeft hij bestreden besluit I vervangen en het bezwaar van eiser gegrond verklaard ten aanzien van de documenten die volgens de tussenuitspraak ten onrechte niet inhoudelijk op grond van de Woo zijn beoordeeld. Daarbij heeft de raad deze documenten deels alsnog openbaar gemaakt. 1.13. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd. 1.14. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 augustus 2026 gesloten. 1.15. Eiser heeft daarna nog stukken toegestuurd. Overwegingen 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. 3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, aangezien de raad alsnog op het bezwaar van eiser heeft beslist. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat het statement van 29 februari 2024 raakt aan de publieke taak van de gemeenteraad. Voor zover de raad dus beschikt over stukken die dienden ter voorbereiding van de publicatie van het statement, vallen deze stukken onder de reikwijdte van de Woo. Hiervoor is niet relevant of het statement is gemaakt door de individuele raadsleden maar moet enkel worden beoordeeld of de inhoud van het statement raakt aan de publieke taak van het bestuursorgaan. Zowel omdat het statement ziet op de manier waarop raadsleden bejegend wensen te worden, als omdat het ziet op onderzoek naar locaties voor een asielzoekerscentrum in de gemeente, wordt aan deze voorwaarde voldaan. Voorts is in de tussenuitspraak geoordeeld dat, voor zover de betreffende informatie berust bij de griffie van de gemeenteraad, ten onrechte is geconcludeerd dat dit informatie betreft ten behoeve van de ondersteuning van individuele raadsleden in de zin van het eerste lid van artikel 5.4a van de Woo. Deze stukken hebben specifiek betrekking op het uitbrengen van het statement door alle raadsleden gezamenlijk. Zodoende dienen deze stukken niet ter ondersteuning van individuele raadsleden, maar ter voorbereiding van een uitlating van de raad die verband houdt met zijn publieke taak. Dit geldt echter alleen voor stukken die berusten bij de raad zelf, inclusief de onder de verantwoordelijkheid daarvan werkzame griffie. De stukken die bij individuele raadsleden berusten, vallen niet onder de reikwijdte van de Woo, aangezien individuele raadsleden geen bestuursorganen zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de persoonlijke berichten die raadsleden hebben ontvangen zoals genoemd in het statement van 29 februari 2024. Deze stukken heeft de raad dus terecht niet opgevraagd in het kader van het Woo-verzoek van eiser. Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat eiser niet in zijn belangen is geschaad doordat een van de drie leden van de externe bezwaaradviescommissie niet officieel benoemd was door de raad op het moment van de hoorzitting. De rechtbank heeft dit gebrek daarom gepasseerd. 4. De rechtbank heeft de raad in de tussenuitspraak de mogelijkheid geboden het geconstateerde gebrek te herstellen door de stukken die wel onder de reikwijdte van de Woo vallen te beoordelen in het licht van de overige weigeringsgronden van de Woo en alsnog openbaar te maken voor zover een toereikende motivering van een weigering niet mogelijk is. 5. De raad heeft in bestreden besluit II de onder de reikwijdte van de Woo vallende documenten alsnog openbaar gemaakt, met uitzondering van passages die een onderwerp betreffen dat niet onder het Woo-verzoek valt en met uitzondering van persoonsgegevens van ambtenaren en een journalist. De persoonsgegevens zijn weggelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, omdat volgens de raad het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen zwaarder weegt dan het belang bij openbaarmaking. 6. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II. Hierna beoordeelt de rechtbank of de raad met dit besluit het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft geheeld. 7. Eiser is het (ook) niet eens met bestreden besluit II en betoogt dat de rechtbank bestreden besluit II buiten beschouwing moet laten, omdat de raad een dag na de in de tussenuitspraak gestelde termijn van twee weken aan de rechtbank heeft medegedeeld dat de raad het gebrek zal herstellen. De rechtbank volgt dit betoog niet. De termijn van twee weken dient ter invulling van de uit artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb voortvloeiende verplichting om zo spoedig mogelijk aan de rechtbank mede te delen of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het in een tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Dit betreft een termijn van orde waaraan de wetgever bij overschrijding geen consequenties heeft verbonden. 8. Eiser voert in zijn zienswijze over bestreden besluit II aan dat uit de openbaar gemaakte stukken niet blijkt dat raadsleden daadwerkelijk een flink aantal brieven of bedreigingen hebben ontvangen van de inwoners van Santpoort-Zuid en Velsen. Verder blijkt uit deze stukken ook niet dat de raad zelfstandig heeft onderzocht of daadwerkelijk sprake is geweest van bedreigingen. Dit had volgens eiser wel van de raad verwacht mogen worden. Ook had verwacht mogen worden dat de raad andere oplossingen dan het publiceren van het statement had onderzocht. Dit wringt des te meer nu uit de stukken blijkt dat het statement breed verspreid is in de lokale en sociale media. Nu met bestreden besluit II niet is gebleken van een feitelijke grondslag voor het statement, is de publicatie ervan volgens eiser niet te rechtvaardigen. Tot slot maakt eiser bezwaar tegen het feit dat de raad de persoonsgegevens van raadsleden en ambtenaren anonimiseert terwijl zijn eigen persoonsgegevens gepubliceerd zijn op de website van de gemeente. Eiser verzoekt de rechtbank daarom de rechtmatigheid van het oorspronkelijke statement te beoordelen en daarbij te betrekken dat de raad hiervoor nog altijd geen onderbouwing heeft gegeven. 9. De rechtbank stelt vast dat eiser hiermee, zij het in andere bewoordingen, heeft herhaald wat hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. De kern van dit betoog is dat het statement van 29 februari 2024 feitelijk onjuist en onvoldoende onderbouwd is. Hierover heeft de rechtbank zich in rechtsoverweging 4 en 4.1 van de tussenuitspraak al uitgelaten. De rechtbank komt niet terug van dat oordeel, zodat de rechtbank aan deze grieven voorbijgaat. Dat betekent dat het verdere debat in beroep enkel nog kan gaan over de vraag of de raad de alsnog openbaar gemaakte informatie terecht deels niet openbaar heeft gemaakt. In de zienswijze van eiser leest de rechtbank geen gronden die raken aan deze vraag. 10. Dat geldt ook voor zover eiser aanvoert dat het anonimiseren van de persoonsgegevens van bepaalde functionarissen niet rijmt met het feit dat de gemeente wel persoonsgegevens van hem heeft geopenbaard. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee niet opkomt tegen die anonimisering. Eiser erkent met zijn opmerking de juistheid van het geheimhouden van deze gegevens. De rechtbank ziet ook overigens geen grond die anonimisering onjuist te achten. 11. De rechtbank ziet daarom in de zienswijze van eiser geen aanleiding om te oordelen dat bestreden besluit II niet deugt of dat het geconstateerde gebrek hiermee niet hersteld is. Overigens heeft de raad geen namen van raadsleden weggelakt, maar alleen van ambtenaren en een journalist. 12. Anders dan eiser heeft verzocht, ziet de rechtbank in de onder 1.15 bedoelde stukken geen aanleiding het onderzoek te heropenen. De rechtbank laat deze stukken daarom buiten beschouwing. Conclusie en gevolgen 13. Zoals in de tussenuitspraak onder rechtsoverweging 2 is overwogen, zal het beroep voor zover gericht tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk worden verklaard en hoeft de rechtbank daar niet inhoudelijk op te beslissen. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I gegrond en moet dat besluit worden vernietigd. Omdat het gebrek is hersteld in bestreden besluit II, verklaart de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II ongegrond. Dit betekent dat de gedeeltelijke openbaarmaking van informatie bij bestreden besluit II in stand blijft. 14. Omdat het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I gegrond is, moet de raad het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. 15. Omdat het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van de door hem opgegeven proceskosten. De raad moet die vergoeding betalen. Eiser heeft verletkosten opgegeven in verband met het bijwonen van de zitting. De rechtbank stelt de vergoeding daarvoor vast op € 198,64, uitgaande van vier uur verlet en van het door eiser opgegeven bruto-uurloon van € 49,66. 16. Voor zover eiser ter zitting een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, wijst de rechtbank dit verzoek af. Eiser heeft immers niet geconcretiseerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming op zijn Woo-verzoek. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I gegrond; - vernietigt bestreden besluit I; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - draagt de raad op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt de raad tot betaling van € 198,64 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzitter, en mr. R.H.M. Bruin en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704, en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.