# Rechtbank Amsterdam, 28-08-2026 (AMS 24/4038)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8657
- Date: 2026-08-28
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8657
- Canonical: https://overview.legal/posts/603717

## Summary

Einduitspraak na tussenuitspraak. Rectificatie verzoek Wpg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef met het bestreden besluit 2 voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak door de zoekslag inzichtelijk te maken. Niet gebleken dat voor het overige sprake is van onjuiste politiegegevens of van verwerking daarvan in strijd met de wet.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/4038 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de korpschef van politie, de korpschef (gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot). Procesverloop 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het rectificatieverzoek van eiser van 21 februari 2022 op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Deze rechtbank heeft twee keer eerder einduitspraak gedaan over de afhandeling van dit verzoek en heeft geoordeeld dat de korpschef het rectificatieverzoek niet zorgvuldig heeft afgehandeld en de besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. 1.1. Eiser heeft op 18 juli 2024 bij de rechtbank een verzoek ingediend om de korpschef een dwangsom op te leggen, omdat de korpschef na een uitspraak van deze rechtbank van 5 juni 2024 niet binnen de in die uitspraak gestelde termijn opnieuw op zijn rectificatieverzoek had beslist. De rechtbank heeft dit verzoek opgevat als een beroep vanwege het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. 1.2. Op 12 augustus 2024 heeft de korpschef voor de derde keer een besluit genomen op het verzoek (het bestreden besluit 1). Eiser heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit 1 en zijn beroep gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de korpschef, vergezeld door [de persoon]. 1.4. In de tussenuitspraak van 19 september 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de korpschef in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit 1 te herstellen. 1.5. De korpschef heeft in reactie op de tussenuitspraak op 29 januari 2026 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het rectificatieverzoek van eiser afgewezen en onder geheimhouding stukken aan de rechtbank overgelegd. Ook heeft hij hierbij het bestreden besluit 1 ingetrokken. 1.6. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd. 1.7. Op 12 juni 2026 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank beslist dat de beperking van de kennisneming van de door de korpschef onder geheimhouding overgelegde stukken gerechtvaardigd is. 1.8. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 augustus 2026 gesloten. Overwegingen 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De tussenuitspraak en de omvang van het geding in de einduitspraak 3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank ten eerste het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak verder, kort gezegd, overwogen dat de korpschef de zoekslag naar aanleiding van het verzoek onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef met het bestreden besluit 1 niet het in de uitspraak van 5 juni 2024 geconstateerde gebrek hersteld. Daarnaast heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat met het bestreden besluit 1 sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De korpschef had geen verweerschrift ingediend en hij is op de zitting niet concreet ingegaan op de door eiser aangevoerde punten. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat daardoor onduidelijk is gebleven: of in BVH en SUMM-IT sprake is van verschillende autorisatieniveaus en zo ja, op welk niveau de zoekslag heeft plaatsgevonden; of de zoekslag beperkt is gebleven tot de CCB-afdeling van de politie-eenheid Amsterdam en of al dan niet uitvraag is gedaan bij CCB-afdelingen van andere politie eenheden; of enkel bij de afdeling TOOI van de eenheid Amsterdam uitvraag is gedaan of ook bij deze afdeling van andere politie-eenheden. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit 1 niet ingaat op vier TOOI informatie rapporten en vijf TOOI interne journaalmutaties die in de uitspraak van 5 juni 2024 zijn genoemd. Daarbij heeft de korpschef niet inzichtelijk gemaakt wanneer de gegevensverwerking door TOOI ten aanzien van eiser is beëindigd en of dit is geregistreerd. 4. De korpschef heeft het bestreden besluit 1 met het bestreden besluit 2 ingetrokken. Eiser heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van bestreden besluit 1. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk. 5. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 2, nu partijen daarbij voldoende belang hebben. 6. De rechtbank beoordeelt hierna eerst of de korpschef met het bestreden besluit 2 voldaan heeft aan de opdracht die in de tussenuitspraak is gegeven. Daarna gaat de rechtbank in op de overige door eiser in zijn schriftelijke reactie aangevoerde punten. Heeft de korpschef met het bestreden besluit 2 voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak? 7. Naar aanleiding van de opdracht uit de tussenuitspraak heeft de korpschef de uitgevoerde zoekslag nader toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef met de toelichting in het bestreden besluit 2 heeft voldaan aan haar opdracht in de tussenuitspraak door de daarin genoemde onduidelijkheden op te helderen. 7.1. Zo heeft de korpschef ten aanzien van de zoekslag in de systemen BVH en SUMM-IT met het bestreden besluit geconcretiseerd dat deze heeft plaatsgevonden op autorisatieniveaus 6 en 7. Er waren geen aanwijzingen die een zoekslag op een hoger niveau rechtvaardigen, aldus de korpschef. Gesteld noch gebleken is dat een zoekslag in deze systemen op een hoger niveau was aangewezen. 7.2. Met het bestreden besluit 2 heeft de korpschef verder opgemerkt dat een zoekslag heeft plaatsgevonden bij de CCB-afdelingen maar dat deze geen persoonsgegevens verwerken noch gegevens registreren over verblijfplaatsen, voertuigen of locaties. De korpschef heeft hiermee weliswaar nagelaten aan te geven bij de CCB-afdelingen van welke politie-eenheden naar politiegegevens van eiser is gezocht, maar gelet op de stelling van de korpschef dat de CCB uitsluitend een adviserende en ondersteunende rol heeft bij een SGBO, komt het de rechtbank niet ongeloofwaardig voor dat deze afdeling geen politiegegevens registreert. Eiser heeft dit ook niet betwist in zijn reactie op het bestreden besluit 2. 7.3. Ten aanzien van de zoekslag bij TOOI heeft de korpschef in het bestreden besluit 2 opgehelderd dat bij alle eenheden uitvraag is gedaan naar politiegegevens van eiser, maar dat geen politiegegevens van eiser zijn aangetroffen. Eiser heeft ook hierover niets opgemerkt in zijn schriftelijke reactie. De rechtbank overweegt dat met deze verheldering sprake is van een andere situatie dan ten tijde van haar uitspraak van 5 juni 2024, nu de gemachtigde van de korpschef destijds niet gerechtigd was om binnen de TOOI-afdeling een zoekslag uit te voeren. De rechtbank is ook van oordeel dat de korpschef afdoende is ingegaan op de in die uitspraak van 5 juni 2024 genoemde vier TOOI informatie rapporten en vijf interne journaalmutaties. De korpschef heeft voldoende overtuigend toegelicht dat het enkele feit dat deze informatie aanwezig was bij de AIVD ten tijde van eisers verzoek bij de AIVD, nog niet betekent dat die gegevens ook nog altijd bij de politie worden verwerkt. Niet is duidelijk waar verder onderzoek nog toe zou kunnen leiden. 8. De rechtbank vindt dat de korpschef hiermee de zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt zodat er in beginsel geen aanleiding is om de door de korpschef onder geheimhouding overgelegde stukken, die zien op de uitvoering en uitkomst van de zoekslag, in te zien. Eiser heeft echter het standpunt ingenomen dat hij de zoekslag en de uitkomst op geen enkele manier kan controleren en dat de rechtbank er niet meer van uit kan en mag gaan dat de politie eerlijk is. In het bij eiser levende wantrouwen jegens de korpschef heeft de rechtbank aanleiding gezien om de geheime stukken, na de beslissing daarover van de geheimhoudingskamer, in de raadkamer te bekijken. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de uitkomst en de zoekslag stroken met de beschrijving daarvan in het bestreden besluit. Is het bestreden besluit 2 voor het overige rechtmatig? 9. De rechtbank overweegt vervolgens dat het in de onderhavige zaak gaat om een Wpg-verzoek om rectificatie dan wel vernietiging van politiegegevens van eiser met enige verwijzing naar zijn familie of vrienden of (mogelijke) verblijfplaatsen. 10. De korpschef heeft in het bestreden besluit 2 het verzoek tot verwijdering van politiegegevens met betrekking tot vrienden en familieleden afgewezen omdat dit geen eiser betreffende politiegegevens betreft en dit verzoek daarom buiten de reikwijdte van het in artikel 28, tweede lid, van de Wpg opgenomen recht op rectificatie en vernietiging valt. Het verzoek tot vernietiging van eiser betreffende politiegegevens inzake woon- en verblijfplaatsen is afgewezen omdat het verzoek onvoldoende is gespecificeerd, geen onjuistheid of onrechtmatigheid is aangetoond en omdat eiser bovendien heeft aangegeven dat deze gegevens naar zijn mening niet onjuist zijn. Uit een uitgebreide en zorgvuldig gemotiveerde zoekslag binnen het Wpg-kader is niet gebleken van gegevens die op basis van eisers verzoek voor vernietiging in aanmerking komen, aldus de korpschef. 11. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de conclusie in het bestreden besluit 2 dat hij op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg alleen het recht heeft op vernietiging van hem zelf betreffende politiegegevens, en derhalve niet (ook) die van zijn vrienden of familie. De rechtbank komt tot het oordeel dat de korpschef de zoekslag in dat kader ook voldoende ruim heeft uitgevoerd en de behandeling van eisers verzoek heeft mogen beperken tot de politiegegevens die eiser betreffen, meer specifiek zijn (mogelijke) verblijfplekken. 12. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat tussen partijen de juistheid van de van eiser door de korpschef verwerkte woon- of verblijfadressen in geschil is. Eiser heeft immers geen adresgegevens benoemd die volgens hem onjuist zijn of onrechtmatig zijn verwerkt. Daarbij is nog van belang dat de korpschef eiser bij e-mail van 23 december 2025 heeft gevraagd zijn rectificatieverzoek nader te specificeren, in het bijzonder door aan te geven welke woon- of verblijfadressen hij verwijderd wenste te zien. Nadien heeft de korpschef eiser bij e-mail van 8 januari 2026 opnieuw verzocht om aan te geven welke adressen onjuist zouden zijn en waarom deze onjuist zouden zijn, zodat de korpschef het verzoek op juiste wijze kon behandelen. Eiser heeft daarop niet aangegeven welke hem betreffende gegevens onjuist zouden worden verwerkt door de korpschef. 13. In zijn reactie op het bestreden besluit 2 heeft eiser aangevoerd dat burgers geen rechtsbescherming hebben. Via inzageverzoeken op grond van de Wpg krijgen zij geen grip op hun data en vervolgens worden rectificatie- en verwijderverzoeken niet in behandeling genomen, omdat niet concreet genoeg wordt aangegeven wat gerectificeerd of verwijderd moet worden. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiser grip probeert te krijgen en te houden op de gegevens die de korpschef van hem, en daardoor mogelijk ook van zijn dierbaren, verwerkt. De rechtbank vindt de redenering van de korpschef in het bestreden besluit 2 gelet op de systematiek van de Wpg echter navolgbaar. Het recht op inzage ex artikel 25 van de Wpg houdt in dat iemand uitsluitsel verkrijgt over de verwerking van hem betreffende politiegegevens en deze gegevens kan inzien. In deze zaak gaat het om een verzoek om rectificatie dan wel vernietiging op grond van artikel 28 van de Wpg. Vernietiging van politiegegevens kan alleen in geval van onjuiste politiegegevens of van verwerking daarvan in strijd met de wet. Niet is komen vast te staan dat daarvan sprake is. Heeft eiser recht op een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn? 14. Eiser heeft de rechtbank per e-mail van 6 augustus 2026 verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn. 15. Omdat de rechtbank op het moment van ontvangst van het verzoek het onderzoek al gesloten had, zal de rechtbank in een afzonderlijke uitspraak oordelen over eisers verzoek. De rechtbank zal daartoe het onderzoek heropenen. Aan deze zaak is het nummer AMS 26/4820 toegekend. Conclusie en gevolgen 16. Omdat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld met het bestreden besluit 2, de korpschef met dat besluit vasthoudt aan de uitkomst van zijn oorspronkelijke besluit, eiser zich heeft kunnen uitlaten over het bestreden besluit 2 en dat besluit de rechterlijke toets kan doorstaan, verklaart de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding te bepalen dat de korpschef aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. 17. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond; - draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Galjee-Melehi, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraken van deze rechtbank van 31 maart 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:2348) en 5 juni 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:3205). Als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/603717 · 2026-10-22
