Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:30261 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 14-10-2026 (09/075045-26 en 09/394550-24 (tul))

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank: verklaart de dagvaarding voor zover die in de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten inhoudt “één of meer andere personen” nietig, zoals hiervoor overwogen; verklaart de dagvaarding voor het overige geldig; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: medeplegen van oplichting ; ten aanzien van feit 2 primair: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels ; ten aanzien van feit 3: medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen ; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 360 (DRIEHONDERDZESTIG) DAGEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 141 dagen , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag (Topzorg), of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, zolang de reclassering de behandeling nodig acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delict analyse, cognitieve vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde meewerkt aan persoonlijkheidsonderzoek en/of nader IQ onderzoek; - gedurende de proeftijd op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen aanwezig is op de navolgende locatie: [adres] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarden, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht. Bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft; - zich gedurende de gehele proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding, vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht. De reclassering kan met de GPS-gegevens van het elektronisch toezicht zien of de veroordeelde zich houdt aan afspraken over de dagbesteding; - voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering; geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. voorlopige hechtenis; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de vordering van de benadeelde partij; bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil; de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf; gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 14 mei 2025, gewezen onder parketnummer 09/394550-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zeventien dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, mr. M.R. Aaron, rechter, mr. S. Kara, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2026.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Dagvaarding partieel nietig. Veroordeling voor medeplegen van oplichting, diefstal met valse sleutels en medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen. Gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Vorderingen benadeelde partijen niet-ontvankelijk en vordering TUL toegewezen.

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/075045-26 en 09/394550-24 (tul) Datum uitspraak: 14 oktober 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] , op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 juni 2026 en 14 september 2026 (alle pro forma) en 30 september 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De geldigheid van de dagvaarding De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 1 en 2 ten laste gelegde partieel nietig is voor zover deze ziet op het onderdeel “één of meer andere personen”. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Ingevolge artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de dagvaarding, voor zover van belang, een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Het gaat hier om een concrete gedraging die voldoende feitelijk en specifiek moet worden omschreven. Uitgangspunt is dat de verdachte moet weten tegen welke beschuldiging hij zich heeft te verweren en dat de rechter moet weten welk feit hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft te onderzoeken. In de tenlastelegging wordt verwezen naar niet nader gespecificeerde personen waartegen de feiten zouden zijn gepleegd. Nu in de tenlastelegging niet concreet wordt omschreven over welke personen het gaat en het procesdossier hier ook onvoldoende handvatten in biedt, is het voor de rechtbank – en de verdediging – niet duidelijk waartegen de verdachte zich zou moeten verweren. De dagvaarding voldoet derhalve op die onderdelen van de tenlastelegging niet aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt. 4 De bewijsbeslissing 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, met uitzondering van de onderdelen “afgeven van één of meer geldbedragen en/of het afgeven van een iPad” en “één of meer andere personen”. Voorts heeft zij gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde voor zover het feit ziet op aangeefster [aangeefster 1] en van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde voor zover het ziet op de € 6.000 die afkomstig was van aangeefster [aangeefster 2] en die door de verdachte is gepind. Tot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte, al dan niet partiele, vrijspraak van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard. 4.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 4.4. Bewijsoverwegingen Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 In de periode van 8 januari tot en met 6 februari 2026 hebben drie aangevers ( [aangeefster 2] , [aangeefster 1] en [aangever] ) aangifte gedaan van zogeheten bankhelpdeskfraude. Zij verklaren ieder over een situatie waarin de aangever wordt gebeld door een persoon die zich voordoet als bankmedewerker of een sms krijgt van de bank. Hen werd verteld dat er verdachte activiteit zou hebben plaatsgevonden op hun bankrekening, waarna geld moest worden veiliggesteld. Om dit te bewerkstelligen heeft aangeefster [aangeefster 2] geld overgemaakt en heeft zij contant geld en een iPad afgegeven. Aangeefster [aangeefster 1] heeft haar pinpas met pincode meegegeven, waarna er driemaal met deze pas is gepind. Vanaf de rekening van aangever [aangever] zijn meerdere grote geldbedragen overgeschreven. De rechtbank komt enkel in de zaak van aangeefster [aangeefster 1] tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit en overweegt hiertoe als volgt. In de zaak van aangeefster [aangeefster 1] stelt de rechtbank vast dat de verdachte met de pinpas van aangeefster, kort nadat zij haar pinpas had afgegeven, meerdere malen geld heeft gepind. De verdachte heeft dit ook bekend. Daarnaast is uit een in beslag genomen iPhone 12 Pro, waarvan aannemelijk is geworden dat die in gebruik was bij de verdachte, een schermafbeelding aangetroffen die is gemaakt op 26 januari 2026 om 16:21 uur. Op deze schermafbeelding is een routekaart van Google Maps te zien met als ingevoerde bestemming het adres van aangeefster [aangeefster 1] . De aangeefster was op het moment dat de schermafbeelding werd gemaakt nog in gesprek met de zogenaamde bankmedewerker, waarna er rond 18:00 uur een man de pinpas en pincode bij haar heeft opgehaald. De rechtbank kan niet vaststellen of de verdachte ook daadwerkelijk de persoon is geweest die bij de woning van de aangeefster was. Wel leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat de verdachte niet alleen een bijdrage heeft geleverd aan de afhandeling van het delict (door het pinnen met de pinpas van de aangeefster), maar ook betrokkenheid heeft gehad bij de voorbereiding, dan wel uitvoering van de (overige) ten laste gelegde oplichtingshandelingen. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededader(s) bij het oplichten van aangeefster [aangeefster 1] en kan de verdachte worden aangemerkt als medepleger. In de zaken van aangevers [aangeefster 2] en [aangever] is uit het procesdossier niet gebleken dat de verdachte, anders dan enkel het ter beschikking stellen van zijn rekening en/of het pinnen van geld, betrokken is geweest bij de oplichtingshandelingen die ten laste zijn gelegd. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen en in vereniging met anderen aangeefster [aangeefster 1] heeft bewogen tot afgifte van haar pinpas en pincode en spreekt zij de verdachte voor het overige partieel vrij. Ten aanzien van feit 2 Zoals hierboven reeds is vastgesteld heeft de verdachte met de pinpas van aangeefster [aangeefster 1] meerdere geldbedragen gepind, nadat zij deze had afgegeven aan een persoon die zich voordeed als bankmedewerker. Ten aanzien van aangeefster [aangeefster 2] stelt de rechtbank op basis van het procesdossier vast dat de aangeefster op 8 januari 2026 geld heeft overgemaakt naar een rekeningnummer dat op naam staat van de verdachte, waarna hij dit geld heeft gepind bij een Geldmaat in Den Haag. Nu het geld na het overschrijven al uit de macht was van de aangeefster, heeft de verdachte door het geld op te nemen het geld niet weggenomen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wederrechtelijk geld van aangeefster [aangeefster 1] heeft weggenomen door met haar pinpas geld te pinnen, maar spreekt de verdachte partieel vrij, voor zover het gaat om het wegnemen van een geldbedrag van aangeefster [aangeefster 2] . Nu de rechtbank reeds tot bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde komt, komt zij niet toe aan beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit. 4.5. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1 hij in de periode van 8 januari 2026 tot en met 4 februari 2026 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangeefster 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten: - op 26 januari 2026 te Delft het afgeven van een bankpas en pincodes en - telefonisch contact op te nemen met voornoemd persoon en - zich voor te doen als bankmedewerkers en - tegen voornoemd persoon te zeggen dat zij haar geld moest veiligstellen en - tegen voornoemd persoon te zeggen dat zij haar gegevens moest delen en geld moest overmaken naar een rekeningnummer die door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) werd(en) opgegeven en - (vervolgens) zich naar de woning van voornoemd persoon te begeven en zich aldaar voor te doen als bankmedewerker en - haar bankpas mee te nemen; 2 hij op 26 januari 2026 te Delft geldbedragen die geheel aan [aangeefster 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een pinpas van [aangeefster 1] meerdere geldbedragen te pinnen; 3 hij in de periode van 2 februari 2026 tot en met 3 februari 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen niet-openbare gegevens, te weten leads, zijnde persoonsgegevens zoals voornaam, achternaam, telefoonnummer, geboortedatum, adres en/of rekeningnummer, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 6 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7 De strafoplegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een locatiegebod met elektronische toezicht, dagbesteding te controleren met GPS en een contactverbod met de medeverdachten. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de eis van de officier van justitie te matigen. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan zogenoemde bankhelpdeskfraude. Door middel van een babbeltruc is van een 68-jarig slachtoffer, op slinkse en schaamteloze wijze een bankpas met de bijbehorende pincode bemachtigd, waarna de verdachte met deze bankpas grote bedragen van de bankrekening van dat slachtoffer heeft opgenomen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het met anderen verwerven en voorhanden hebben van leads met persoonsgegevens van klanten van de ASN-bank. De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een doortrapte wijze misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen bij hun slachtoffer. Dit soort feiten raakt het slachtoffer vanzelfsprekend in financiële zin, maar het is vooral het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens die ernstig worden aangetast. Dit zorgt voor gevoelens van stress en angst, maar ook schaamte omdat men er is ingetrapt. Daarnaast is bankhelpdeskfraude, maar ook het voorhanden hebben van persoonsgegevens die voor deze vorm van fraude kunnen worden gebruikt, een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen moeten kunnen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen en enkel aan zijn eigen financiële gewin gedacht. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 juli 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en in dat kader in een proeftijd liep. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden wederom over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 2 september 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op verschillende leefgebieden. Uit het reclasseringsadvies volgt eveneens dat de reclassering geen aanleiding ziet om – ondanks de jonge leeftijd van de verdachte – het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte maakt een leeftijdsadequate indruk en er zijn geen signalen dat de verdachte nog onvoldoende handelingsvaardig is. Bovendien ziet de reclassering geen noodzaak voor interventies of maatregelen die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een locatiegebod met elektronisch toezicht, dagbesteding, te controleren met GPS, en een beperking van het recht om Nederland te verlaten wegens het elektronisch toezicht. Toepassing jeugdstrafrecht? De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 19 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank ziet, met de reclassering, in de persoonlijkheid van de verdachte onvoldoende aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal bij de strafoplegging dan ook uitgaan van het volwassenenstrafrecht. De op te leggen straf Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen, zal de rechtbank een groot deel van de straf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank heeft hierbij ook de relatief jonge leeftijd van de verdachte en de hem op te leggen bijzondere voorwaarden betrokken, waaronder elektronisch toezicht. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 360 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een locatiegebod met elektronisch toezicht, dagbesteding, te controleren met GPS, en een beperking van het recht om Nederland te verlaten wegens het elektronisch toezicht. 8 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [aangeefster 2] en ASN-bank hebben zich gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding. [aangeefster 2] vordert een bedrag van €5.589,98, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit €4.839,98 aan materiële schade en €750,- aan immateriële schade. ASN-bank vordert een bedrag van €9.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. 8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 8.3. Het oordeel van de rechtbank Benadeelde partij [aangeefster 2] De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, partieel zal worden vrijgesproken. Benadeelde partij ASN-bank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten. Proceskostenveroordeling Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. 9 De vordering tot tenuitvoerlegging 9.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 26 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/394550-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 14 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zeventien dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden. 9.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging. 9.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 26 mei 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 14 mei 2025, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. 10 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 139g, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 11 De beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding voor zover die in de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten inhoudt “één of meer andere personen” nietig, zoals hiervoor overwogen; verklaart de dagvaarding voor het overige geldig; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: medeplegen van oplichting ; ten aanzien van feit 2 primair: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels ; ten aanzien van feit 3: medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen ; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 360 (DRIEHONDERDZESTIG) DAGEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 141 dagen , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag (Topzorg), of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, zolang de reclassering de behandeling nodig acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delict analyse, cognitieve vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde meewerkt aan persoonlijkheidsonderzoek en/of nader IQ onderzoek; - gedurende de proeftijd op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen aanwezig is op de navolgende locatie: [adres] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarden, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht. Bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft; - zich gedurende de gehele proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding, vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht. De reclassering kan met de GPS-gegevens van het elektronisch toezicht zien of de veroordeelde zich houdt aan afspraken over de dagbesteding; - voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering; geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. voorlopige hechtenis; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de vordering van de benadeelde partij; bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil; de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf; gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 14 mei 2025, gewezen onder parketnummer 09/394550-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zeventien dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, mr. M.R. Aaron, rechter, mr. S. Kara, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2026.