Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:30260 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 14-10-2026 (09/075037-26)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Decision

De rechtbank: verklaart de dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde nietig, zoals hiervoor overwogen; verklaart de dagvaarding voor het overige geldig; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 3: medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen ; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 44 (VIERENVEERTIG) DAGEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; voorlopige hechtenis; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de vordering van de benadeelde partij; bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, mr. M.R. Aaron, rechter, mr. S. Kara, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2026.

Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓

Summary

Dagvaarding nietig t.a.v. feit 2. Vrijspraak deelname criminele organisatie. Veroordeling voor medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen. Gevangenisstraf voor de duur van 44 dagen. Vorderingen benadeelde partijen niet-ontvankelijk

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/075037-26 Datum uitspraak: 14 oktober 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), BRP-adres: [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 juni 2026 (regie) en 30 september 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L. de Leon naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De geldigheid van de dagvaarding De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde nietig is. Ingevolge artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de dagvaarding, voor zover van belang, een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Het gaat hier om een concrete gedraging die voldoende feitelijk en specifiek moet worden omschreven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uitgangspunt is dat de verdachte moet weten tegen welke beschuldiging hij zich heeft te verweren en dat de rechter moet weten welk feit hij tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft te onderzoeken. In de tenlastelegging wordt onder feit 2 verwezen naar niet nader gespecificeerde bankpassen en/of pincodes die de verdachte in de periode van ruim negen maanden voorhanden zou hebben gehad. Nu in de tenlastelegging niet concreet wordt omschreven over welke bankpassen en/of pincodes het gaat, zou een groot deel van het procesdossier hier betrekking op kunnen hebben, waardoor het voor de rechtbank – en de verdediging – niet duidelijk is waartegen de verdachte zich zou moeten verweren. De dagvaarding voldoet derhalve op die onderdelen van de tenlastelegging niet aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt. 4 De bewijsbeslissing 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Ten aanzien van feit 3 heeft hij zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het onderdeel “voorhanden hebben”. 4.3. Vrijspraak De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Alhoewel het procesdossier aanwijzingen bevat dat de verdachte zich, samen met zijn medeverdachten, heeft beziggehouden met het plegen van strafbare feiten, is niet komen vast te staan dat er sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van misdrijven. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit. 4.4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 4.5. Bewijsoverwegingen Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit, althans van het onderdeel “voorhanden hebben”. De verdachte heeft immers verklaard dat hij weliswaar onderdeel uitmaakte van de groepschat waarin niet-openbare gegevens zijn gedeeld, maar dat hij hier niet actief aan heeft deelgenomen en de berichten niet heeft gelezen. Derhalve wist de verdachte niet dat deze persoonsgegevens in de chat gedeeld waren. Bovendien is er geen sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, omdat de verdachte enkel één bericht in de groepschat heeft gestuurd. Voorhanden hebben van niet-openbare gegevens Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op Snapchat een groepschat heeft aangemaakt met als deelnemende accounts “ [account 1] ” en “ [account 2] ”.Van deze accounts is vastgesteld dat die in gebruik waren bij respectievelijk medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In deze chat werd gesproken over het delen van gegevens van oudere mensen en hun laatste transacties. Door [medeverdachte 2] werden vervolgens mediabestanden verstuurd waarop persoonsgegevens te zien waren van klanten van de ASN-bank, waaronder naam, adres, telefoonnummer, geboortedatum, rekeningnummers en saldo. Nu voornoemde gegevens van verschillende personen in een groepschat zijn gedeeld waar verdachte deel van uitmaakte, heeft de verdachte toegang gehad tot deze gegevens en heeft hij hier feitelijke zeggenschap over gehad. Hij had namelijk de mogelijkheid om deze gegevens bijvoorbeeld te gebruiken, op te slaan of door te sturen. Bovendien blijkt uit de chatberichten dat de verdachte wetenschap heeft gehad van hetgeen in de groepschat gebeurde en werd gedeeld. In de groepschat werd immers vrijwel uitsluitend gesproken over het delen van persoonsgegevens van klanten van de ASN-bank. De verdachte heeft in de groepschat deelgenomen aan een audiogesprek met de medeverdachten dat enkele minuten heeft geduurd en heeft hen aangemoedigd op het moment dat er gegevens werden gedeeld door te sturen, door te zeggen “lekker bezig schatjess”. Bovendien heeft de verdachte aan (de rechtbank vermoedt) [medeverdachte 2] gevraagd wat zij aan het doen is en, als [medeverdachte 1] een afbeelding stuurt met een uitleg over hoe ze te werk gaan, gezegd “ai jatoch”. De rechtbank acht de verklaring dat de verdachte niet had gezien wat er in de groepschat werd gedeeld niet aannemelijk en stelt uit voormelde feiten en omstandigheden vast dat de verdachte niet alleen de beschikkingsmacht, maar ook de wetenschap heeft gehad over de niet-openbare gegevens. Nauwe en bewuste samenwerking De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. De verdachte heeft [medeverdachte 2] , die werkzaam was bij de ASN-bank, gevraagd en overgehaald om klantgegevens van de ASN-bank te delen. Hij heeft haar in contact gebracht met [medeverdachte 1] en een groepschat aangemaakt op Snapchat, waarna er in de chat gezamenlijk werd gesproken over het delen van gegevens van klanten van de ASN-bank, die ook daadwerkelijk door [medeverdachte 2] werden gedeeld. In deze groepschat bleef de verdachte betrokken bij het gesprek dat daarin werd gevoerd. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen niet-openbare gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Rechtmatigheid van het onderzoek aan de elektronische gegevensdragers Nu de gegevens uit de telefoon van de verdachte niet bijdragen aan de bewezenverklaring van het feit, blijft het verweer ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van deze telefoon onbesproken. 4.6. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij omstreeks 2 tot en met 3 februari 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen niet-openbare gegevens, te weten leads, zijnde persoonsgegevens zoals voornaam, achternaam, telefoonnummer, geboortedatum, adres en/of rekeningnummer, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 6 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7 De strafoplegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 16 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, diagnostiek en – indien geïndiceerd – ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten, dagbesteding en aflossing van schulden. Voorts heeft de officier gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met anderen verwerven en voorhanden hebben van leads met persoonsgegevens van klanten van de ASN-bank. Dat soort persoonsgegevens zijn bij uitstek niet bedoeld om openbaar te worden. Klanten van een bank moeten kunnen uitgaan van de vertrouwelijkheid van de persoonlijke informatie die zij aan de bank verstrekken. Bovendien ging het hier specifiek om klanten die op leeftijd waren en kwetsbaarder zijn voor misdrijven zoals bankhelpdeskfraude, waar dergelijke leads doorgaans voor worden gebruikt. Het gebruik van de leads voor deze vorm van fraude ondermijnt het vertrouwen dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. De verdachte lijkt zich daar niets van te hebben aangetrokken. Hij heeft bovendien een initiërende rol gehad bij het verkrijgen van dergelijke gegevens door de medeverdachte die werkzaamheden verrichte voor de ASN-bank, aan te sporen onbevoegd gevoelige klantgegevens te delen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 21 april 2026 en 16 september 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op verschillende leefgebieden. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte, kan de reclassering geen inschatting maken van het recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten een meldplicht bij de reclassering, diagnostiek en – indien geïndiceerd – ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten, dagbesteding en aflossing van schulden. De op te leggen straf Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 44 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Gelet op de duur van het voorarrest dat de verdachte in deze strafzaak heeft ondergaan, ziet de rechtbank geen ruimte voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel. 8 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [naam] en ASN-bank hebben zich gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding. [naam] vordert een bedrag van €5.589,98, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit €4.839,98 aan materiële schade en €750,- aan immateriële schade. ASN-bank vordert een bedrag van €9.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. 8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien niet is gebleken dat aan de benadeelde partijen rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. 9 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 139g van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde nietig, zoals hiervoor overwogen; verklaart de dagvaarding voor het overige geldig; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 3: medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen ; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 44 (VIERENVEERTIG) DAGEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; voorlopige hechtenis; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de vordering van de benadeelde partij; bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, mr. M.R. Aaron, rechter, mr. S. Kara, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2026.