Rechtbank Den Haag, 09-10-2026 (691706)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. Dient – in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv te worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde?
Full text
beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/691706 / HA RK 25-503 Tussenbeschikking van 9 oktober 2026 in de zaak van VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT te Wolfsburg, Duitsland, verzoekende partij, advocaat: mr. L. Kroon, tegen 1 DHL EXPRESS (NETHERLANDS) B.V. te Schiphol, 2. DHL HUB LEIPZIG GMBH te Schkeuditz, Duitsland, 3. DHL EXPRESS GERMANY GMBH te Bonn, Duitsland, 4. DHL INTERNATIONAL GMBH te Bonn, Duitsland, gerekwestreerden, advocaten: mrs. M.M.M. van Gerwen en M.P.M. van Weezel. Als belanghebbende is aangemerkt: Metafa Holland B.V. te Son en Breugel, advocaat: mr. E.J. Peerboom-Gerrits. De verzoekende partij wordt hierna Volkswagen genoemd. De gerekwestreerden worden hierna samen DHL c.s. genoemd en afzonderlijk DHL Express Netherlands, DHL Hub Leipzig, DHL Express Germany en DHL International. Belanghebbende wordt hierna Metafa genoemd. 1 Samenvatting 1.1. In deze procedure verzoekt Volkswagen veroordeling van DHL c.s. tot het verstrekken van gegevens over de betrokkenen bij een zending met vermeend inbreukmakende producten, op grond van artikel 195a Rv . De zending is in november 2023 de Europese Unie binnengekomen via Duitsland (luchthaven Dresden) en tegengehouden door de Duitse douane op grond van de Antipiraterijverordening (APV). De producten van de zending zijn na de APV procedure vernietigd. Er is nog geen bodemprocedure aanhangig inzake de vermeend inbreukmakende producten; de (beoogde) wederpartij is Metafa. In haar verweerschrift heeft DHL c.s. de rechtbank verzocht zich onbevoegd te verklaren om van het verzoek van Volkswagen kennis te nemen. 1.2. In de tussenbeschikking van 1 mei 2026 (hierna: Tussenbeschikking I) heeft de rechtbank aangekondigd dat zij een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad wil stellen over welke ‘zaak’ wordt bedoeld in artikel 197 Rv. Zij heeft partijen de gelegenheid gegeven op dit voornemen en de voorgenomen vraag te reageren. Dat hebben partijen inmiddels gedaan. 1.3. De rechtbank zal de Hoge Raad vragen of – in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv dient te worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure of als de zaak tussen verzoeker en de derde. 1.4. De griffier zal de vraag aan de Hoge Raad sturen. Deze procedure wordt aangehouden tot de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen. 2 De procedure 2.1. Na Tussenbeschikking I zijn de volgende documenten aan het procesdossier toegevoegd: - de akte uitlaten ten aanzien van het voornemen tot het stellen van een prejudiciële vraag ex artikel 392 Rv van DHL c.s. van 27 mei 2026; - de akte uitlating over het voornemen van de rechtbank om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen van Metafa van 28 mei 2026; - de akte uitlating voornemen en inhoud prejudiciële vraag van Volkswagen van 28 mei 2026. 2.2. Ten slotte is de datum voor het geven van deze beschikking bepaald. 3 Uitlating partijen 3.1. Partijen hebben zich in de onder 2. genoemde akten uitgelaten over het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen en over de inhoud van de voorgenomen vraag. Volkswagen 3.2. Volkswagen vindt het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad onnodig, nu volgens haar uit de wet volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen. Zij wijst – kort samengevat – op artikel 3 sub b Rv (waaronder ook verzoeken om pre-processuele bewijsverrichtingen vallen), dat bepaalt dat, indien een verzoek samenhangt met een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoekschrift. Het verzoek ex artikel 195a Rv jegens DHL hangt samen met de nog door Volkswagen aanhangig te maken procedure jegens Metafa wegens de door haar gepleegde inbreuk op Uniemodelrechten van Volkswagen. Nu de rechtbank Den Haag in die procedure internationaal en relatief bevoegd is op grond van artikel 81 en 82 lid 1 UModVo , vanwege de vestigingsplaats van Metafa, en op artikel 82 lid 5 UModVo vanwege de (dreigende) inbreuk in Nederland, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht met betrekking tot onderhavig verzoekschrift, aldus Volkswagen. 3.3. Voor zover de rechtbank het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen handhaaft, verzoekt Volkswagen de prejudiciële vraag als volgt aan te vullen: “Dient – ter bepaling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en gelet op het bepaalde in artikel 3 Rv in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv bij een in het buitenland gevestigde derde – ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv te worden uitgelegd als de zaak over de rechtsbetrekking tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde?” DHL 3.4. DHL c.s. onderschrijft het voornemen van de rechtbank om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad en verzoekt om de volgende aanvullende vragen te stellen: “1. Indien ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv ziet op de zaak tussen de verzoeker en beoogd wederpartij, kan dit artikel dan de Brussel I bis-Vo doorkruizen en rechtsmacht creëren? 2. Verandert dit antwoord indien het verzoek is ingesteld op het moment dat de dagvaardingsprocedure tegen de (beoogde) wederpartij nog niet aanhangig is gemaakt, maar het verzoek op grond van artikel 204 Rv juncto artikel 195a Rv voorafgaand aan een procedure tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij is ingesteld?” Metafa 3.5. Metafa vindt het stellen van een prejudiciële vraag niet noodzakelijk, omdat de voorliggende bevoegdheidsvraag kan worden beoordeeld aan de hand van de bestaande regels van de Brussel I bis-Vo, gelet op de vestigingsplaats van verweerders 2 tot en met 4. Daaruit volgt dat de Duitse rechter en niet de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Voor zover de rechtbank het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen handhaaft, verzoekt zij de rechtbank om de prejudiciële vraag als volgt te herformuleren en aan te vullen: “1. Valt een preprocessueel verzoek tot inzage in gegevens op grond van artikel 195a jo. 196 Rv, gericht tegen een derde, onder het materiële toepassingsbereik van Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I bis)? 2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: dient een dergelijk inzageverzoek te worden aangemerkt als een vordering ten gronde in de zin van de Verordening, dan wel als een voorlopige of beschermende maatregel als bedoeld in artikel 35 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I bis)? 3. Indien de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I bis) van toepassing is: dient de internationale bevoegdheid van de rechter te worden beoordeeld uitsluitend aan de hand van de Verordening, dan wel kan daarbij betekenis toekomen aan de bevoegdheid in de nog aanhangig te maken hoofdzaak?” 4 De beoordeling 4.1. Uit de uitlatingen van partijen volgt eens te meer dat partijen de internationale (on)bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen uitgaande van een andere rechtsverhouding. Volkswagen stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de rechtsverhouding die aan de orde is in een eventuele bodemprocedure waarop het verzoek ziet, dus tussen Volkswagen en Metafa. DHL en Metafa betogen beide dat moet worden uitgegaan van de rechtsverhouding tussen de partijen betrokken bij het inzageverzoek, dus tussen Volkswagen en DHL. Vervolgens leidt het uitgangspunt van Volkswagen via de door haar toegepaste IPR-regels naar de Nederlandse rechter en het uitgangspunt van DHL via de Brussel I bis-Vo naar de Duitse rechter. 4.2. De rechtsvraag die de rechtbank aan de Hoge Raad wil voorleggen, ziet niet op de toepasselijkheid of toepassing van IPR-regels, maar op de daaraan voorafgaande vraag welke rechtsverhouding als uitgangspunt dient te worden genomen. Zoals ook overwogen in ro. 4.4 van de Tussenbeschikking is de (voorlopige) bewijsverrichting van artikel 195a Rv weliswaar net als de andere (voorlopige) bewijsverrichtingen gericht op het verzamelen van informatie die betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen verzoeker en (beoogde) wederpartij, maar heeft de daarbij betrokken derde – anders dan bijvoorbeeld de getuige – een eigen rechtspositie toebedeeld gekregen. De vraag wat voor gevolgen die eigen rechtspositie heeft voor de toepasbaarheid van het Nederlandse inzagerecht jegens een derde in internationale gevallen, is in de Parlementaire Geschiedenis van de Wet niet besproken. Reeds de uitlatingen van partijen in de onderhavige zaak laten zien dat dit op verschillende wijzen kan worden uitgelegd. Gelet hierop en in onderling verband en samenhang bezien met de in Tussenbeschikking I genoemde redenen, is naar het oordeel van de rechtbank het antwoord op de vraag over artikel 197 Rv nodig om in deze zaak op het door DHL gevoerde onbevoegdheidsverweer te beslissen en daarnaast rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van vele andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen waarin zich dezelfde vragen voordoen (artikel 392 lid 1 sub b Rv). 4.3. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot het overnemen van de door partijen voorgestelde prejudiciële vragen, die alle zien op de toepasselijkheid dan wel toepassing van IPR-regels. Om tegemoet te komen aan de opmerking van partijen zal de rechtbank de griffier vragen niet alleen deze tussenbeschikking aan de Hoge Raad de sturen, maar ook de Tussenbeschikking (van 1 mei 2026) en de daarop gevolgde uitlatingen van partijen. 4.4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag: Dient – in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv te worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde? 5.2. beveelt de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking aan de Hoge Raad te zenden, met daarbij Tussenbeschikking I alsmede de akten uitlating van partijen als hiervoor onder 2.1 genoemd. 5.3. houdt iedere nadere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek op 9 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verordening (EU) 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening(EG) 1383/2003 van de Raad Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen (artikelnummers van de verordening zoals die gold tijde van indiening van de akte uitlating) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking). Eerste Boek, Tweede Titel, Negende Afdeling Rv.