# Rechtbank Amsterdam, 14-10-2026 (13-296504-25)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:10151
- Date: 2026-10-14
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A10151
- Canonical: https://overview.legal/posts/603731

## Summary

Executie-EAB uit Zweden. Art 12 OLW: afzien van toepassing van deze weigeringsgrond. Art 6a OLW: de opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Door je uitvaardigende justitiële autoriteit is een certificaat en een kopie van het veroordelend arrest overgelegd. De rechtbank beslist niet over het verzoek de VI datum toe te passen indien de straf niet door Nederland zou worden overgenomen. Verzoek schorsing van de opgeeiste persoon na weigering van de overlevering en strafovername afgewezen. Overlevering weigeren en straf overnemen.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-296504-25 Datum uitspraak: 14 oktober 2026 UITSPRAAK op de vordering van 22 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 november 2025 door the National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van the Court of Appeal for Western Sweden van 21 maart 2024 met kenmerk B 7907-23. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. Daarvan resteren volgens het EAB nog ongeveer zes maanden, De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Zweden. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt onder D) het volgende: “No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision”. en “being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial.” en “The requested person was not present at the main hearing in the District Court on 20 November 2023. However, the matter could be investigated in a satisfactory manner, in accordance with Chapter 46, Section 15 a, first paragraph, point 1 of the Swedish Code of Judicial Procedure, as [de opgeëiste persoon] 's lawyer was present and there was no reason to sentence the requested person to another sanction than 6 months’ imprisonment. The statements made by [de opgeëiste persoon] in a police interview[s] were read out during the trial. [de opgeëiste persoon] was served with the summons to the hearing and was informed that the case could be settled in his absence. [de opgeëiste persoon] provided a valid reason for his absence. The requested [de opgeëiste persoon] appealed the judgment to the Court of Appeal. The requested person was not present at the Court of Appeal when the case was ruled on without holding a main hearing. The requested person was served with the prosecutor's note and notified that the case would be ruled on without holding a main hearing. The Court of Appeal affirmed the judgment of the District Court. The requested person was represented by a lawyer during the hearing, who made a statement on the requested person’s behalf before the hearing. The judgment was sent to the requested person. The requested person lodged an appeal with the Supreme Court which decided not to grant any permission to appeal. The judgment became final and non-appealable on 15 October 2024.” In het door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte certificaat staat onder d) het volgende. “Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.” en “ [de opgeëiste persoon] was niet aanwezig bij de zitting bij de rechtbank en werd daar vertegenwoordigd door een advocaat. De dagvaarding en de oproeping voor de zitting werden aan [de opgeëiste persoon] betekend, en daarin stond vermeld dat de zaak bij verstek kon worden behandeld en beslist. Hij was evenmin aanwezig bij het Hovrätten, waar de zaak zonder behandeling ter terechtzitting werd beslist. Ook daar werd hij vertegenwoordigd door een advocaat, die namens hem het woord voerde. [de opgeëiste persoon] heeft tegen het vonnis beroep ingesteld bij Högsta Domstolen, die geen toestemming heeft verleend voor behandeling van de zaak.” Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure in hoger beroep, omdat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld, hij heeft ingestemd met het feit dat er in hoger beroep geen hoorzitting zou plaatsvinden en hij een raadsman heeft aangesteld om hem in hoger beroep te vertegenwoordigen. Om die reden kan de rechtbank afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Indien gekeken wordt naar de procedure in eerste aanleg, is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW, nu de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor die zitting. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal for Western Sweden van 21 maart 2024 toetsen aan artikel 12 OLW. De zaak is door the Court of Appeal ten gronde afgedaan omdat het Hooggerechtshof ( Högsta Domstolen ) geen toestemming heeft verleend voor het beroep. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder a tot en met d. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Hij was niet in persoon aanwezig bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en het hoger beroep heeft zonder hoorzitting plaatsgevonden. Hij heeft een raadsman gemachtigd die in hoger beroep daadwerkelijk de verdediging namens hem heeft gevoerd. De raadsman heeft voor de zitting een verklaring namens de opgeëiste persoon afgelegd. De opgeëiste persoon is – volgens zijn eigen verklaring – door zijn advocaat in kennis gesteld van de afloop van de procedure in hoger beroep. De rechtbank stelt dan ook vast, dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem in hoger beroep op de hoogte was en zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste oplevert. 5 Strafbaarheid 5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 1 en 2 niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Witwassen, meermalen gepleegd. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. Uit de hiervoor onder 5.2 weergegeven Nederlandse kwalificatie voor feiten 1 en 2 volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straf die in Nederland maximaal voor dergelijke feiten kan worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. Het derde feit is ook naar Nederlands recht strafbaar en levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf naar haar aard niet onverenigbaar is met Nederlands recht. Bovendien is de opgelegde vrijheidsstraf lager dan de straf die in Nederland maximaal voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Zweedse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende arrest. Op 21 augustus 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende arrest ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland. Conclusie De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 7 Vervroegde invrijheidstelling Verzoek van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht in de uitspraak te bepalen dat de datum van de vervroegde invrijheidstelling (VI) van de opgeëiste persoon wordt gesteld op vier maanden. Uit het door de Zweedse autoriteiten overgelegde certificaat, waarbij Zweden instemt met tenuitvoerlegging van de Zweedse straf in Nederland, blijkt dat de totale duur van de Zweedse vrijheidsstraf zes maanden is en dat de opgeëiste persoon in Zweden in aanmerking komt voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van twee-derde van deze sanctie. Aangezien in Nederland een dergelijke regeling niet bestaat voor straffen van een jaar of lager, terwijl na strafovername door Nederland het hier geldende recht van toepassing is op de strafexecutie, zou dit voor de opgeëiste persoon leiden tot een de facto twee maanden langere detentie. In het Kaderbesluit 2008/909 is hiervoor een voorziening opgenomen inhoudende dat de Minister van Veiligheid en Justitie (de minister van V&amp;J), zijnde de erkennende autoriteit bij WETS-procedures, kan bepalen dat de VI op een eerder tijdstip kan plaatsvinden, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar twee uitspraken van de Hoge Raad en een uitspraak van het gerechtshof in Den Haag. Aangezien in zaken over een Europees aanhoudingsbevel in combinatie met strafovername, zoals de onderhavige, de rechtbank beslist over erkenning, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht gebruik te maken van genoemde voorziening. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing over de VI-datum niet aan de rechtbank is en dat deze beslissing is voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat zij niet de bevoegdheid heeft om te bepalen dat de voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling op een eerder tijdstip zal plaatsvinden, indien de opgeëiste persoon op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Deze bevoegdheid is namelijk expliciet in artikel 6:2:10, vierde lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering toegekend aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw dan ook af. De opgeëiste persoon zou in dit verband evenwel een verzoek bij de Minister van Justitie en Veiligheid dan wel een verzoek om gratie kunnen indienen. 8 Verzoek om schorsing van de gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW Verzoek van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, na uitspraak te schorsen, zodat de opgeëiste persoon als kostwinner kan zorgen voor inkomen voor zijn gezin en hij zich op een afgesproken datum kan melden bij een gevangenis voor het uitzitten van de straf. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw tot schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 57 en 420bis Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6a, en 7 OLW. 11 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden, voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [de opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 oktober 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Artikel 4:5 WETS/6:2:10 lid 4 sub a Sv ECLI:NL:HR:2025:89, rov 3.2.4 en 3.2.5, ECLI:NL:HR:2025:88 (rov 3.2.3 t/m 3.2.5), en ECLI:NL:GHDHA:2023:1224 (rov 6.4 tm 6.6).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/603731 · 2026-10-22
