Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:10010 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 29-09-2026 (13-054050-26)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Executie-EAB Bulgarije: Artikel 12 OLW: t.a.v. vonnis I is een afdoende verzetsgarantie verstrekt, t.a.v. vonnis II ziet de rechtbank geen aanleiding om af te zien van weigeren nu hij niet is verschenen op de bekrachtigingszitting en ook niet is gebleken dat hij officieel in kennis is gesteld van dit proces. Het verweer m.b.t. de detentieomstandigheden wordt verworpen. De overlevering is toegestaan t.a.v. vonnis I en geweigerd t.a.v. vonnis II.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-054050-26 Datum uitspraak: 29 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2026 door de District Prosecutor's Office — Plovdiv, Territorial Division – Asenovgrad , Bulgarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] (Bulgarije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Bulgaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB, aangevuld met de aanvullende informatie ontvangen van de Bulgaarse autoriteiten van 26 augustus 2026, 9 september 2026 en 11 september 2026, vermeldt: een vonnis (nummer 29) van 9 oktober 2025 met kenmerk 474/2025 van the District Court of the city of Asenovgrad, in kracht van gewijsde gegaan op 25 oktober 2025, met kenmerk NOHD 474/2025 (hierna: vonnis I); en a Conviction on the inventory of the District Court of Asenovgrad , met kenmerk NOHD 394/2021 (hierna: vonnis II). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden (vonnis I) en zes maanden (vonnis II). De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld bij de hiervoor genoemde vonnissen en hij moet deze straffen ondergaan in Bulgarije. Van deze straffen resteert volgens het EAB voor vonnis I nog dezelfde periode met één dag strafaftrek. Voor vonnis II resteert de straf in zijn geheel. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Ten aanzien van vonnis I De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De rechtbank mag in dit geval de overlevering niet weigeren als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat: de beslissing na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend; én de opgeëiste persoon uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep; én de opgeëiste persoon het recht heeft aanwezig te zijn bij de verzetprocedure of de procedure in hoger beroep; én de zaak in die procedure opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten; én die procedure kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; én de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de in het EAB vermelde termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep moet aantekenen. Het EAB vermeldt in onderdeel d): the decision was not personally served on the person but the decision will be delivered to him personally immediately after delivery, and when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be … days. Uit de aanvullende informatie van 26 augustus 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de termijn waarbinnen de opgeëiste persoon verzet kan aantekenen tegen de beslissing zes maanden betreft. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de hierboven weergegeven eisen van artikel 12, sub d, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. Ten aanzien van vonnis II Uit de aanvullende informatie is gebleken dat de vrijheidsstraf van zes maanden aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgelegde persoon is opgelegd. Bij beslissing van de District Court of the city of Asenovgrad van 9 oktober 2025 (vonnis I) is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Verder is uit de aanvullende informatie gebleken dat de opgeëiste persoon een overeenkomst met het openbaar ministerie heeft gesloten en een schuldbekentenis heeft getekend. Deze overeenkomst is op een zitting door een rechter bekrachtigd. De rechtbank overweegt dat een beslissing van een rechter waarbij, buiten aanwezigheid van de betrokkene, een overeenkomst tussen het openbaar ministerie en de betrokkene wordt bekrachtigd, onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van de OLW valt. In die procedure is sprake van een behandeling ten gronde, omdat de rechter kennis neemt van het bewijs, dat bewijs waardeert en bij twijfel over de adequaatheid van de straf of de schuld de overeenkomst niet mag bekrachtigen, maar de zaak moet verwijzen naar een terechtzitting. Een dergelijk overeenkomst levert op zich geen afstand van het recht om te verschijnen op. Uit de aanvullende informatie is gebleken dat de opgeëiste persoon niet in persoon op de bekrachtigingszitting verschenen. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft in de aanvullende informatie ook expliciet bevestigd dat de opgeëiste persoon niet alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan tegen de veroordeling van vonnis II. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te zien van weigering aangezien het dossier geen stukken bevat op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de opgeëiste persoon, al dan niet stilzwijgend, afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten, dan wel het aan zijn eigen onzorgvuldigheid te wijten is dat hij geen gebruik van zijn verdedigingsrechten heeft kunnen maken. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten in vonnis I niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, en overtreding van artikel 41, eerste lid, sub d Wegenverkeerswet 1994, en overtreding van artikel 8, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft op grond van het Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022. In aanvullende informatie bij brief van 7 augustus 2026 van de Ministry of Justice, General Directorate for the Execution of Penalties van Bulgarije is de volgende detentiegarantie ten behoeve van de opgeëiste persoon opgenomen: “ In response to your letter, regarding the request of the Amsterdam Prosecutor General's Office to provide information and guarantees regarding the conditions of the place of deprivation of liberty, in which the Bulgarian citizen [de opgeëiste persoon] , Personal Identification Number [nummer] , detained pursuant to the EAW, will be accommodated, we inform you of the following: (…) (…) the court has ruled that he is to serve his sentences under the initially determined general regime; consequently, upon his admission to the territory of the Republic of Bulgaria, he will be accommodated in Plovdiv Prison, specifically in one of its open-type prison dormitories. In this regard, we hereby inform you that, as at 7 August 2026, a total of 410 individuals were accommodated at Plovdiv Prison, including the prison dormitories, out of a total capacity of 564, based on 4 square metres per person. Of these, 233 individuals are housed in the main block, which has a capacity of 359 based on 4 square metres; 65 individuals are housed in the ‘Hebros’ open-type prison dormitory, which has a capacity of 74 based on 4 square metres; the ‘Smolyan’ open-type prison dormitory — 112 people, with a capacity of 131 based on 4 square metres; The rooms at Plovdiv Prison vary in size and meet minimum European standards; they are equipped as standard with a washbasin, toilet and shower with a constant supply of hot and cold water, and provide direct access to daylight and the possibility of natural ventilation. Each prisoner is provided with a bed, a personal locker and bedding. Separate toilet facilities have been installed in each cell. Lighting during the night is provided by two LED light fittings. Heating is provided by radiators connected to the central heating system. (…) Inmates are free to spend time outdoors between 06.30 and 20.30. During these hours, they have access to the gym, the prison shop and a telephone. On both the first and second floors, there are four designated common-use rooms for the inmates .” Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden teneinde het verkrijgen van een meer specifieke detentiegarantie, waarmee het reële risico op schending van mensenrechten in detentie wel kan worden voorkomen. De raadsman heeft twee vonnissen van Bulgaarse rechters en een vertaald rapport van de Bulgaarse ombudsman overgelegd, die volgens hem aantonen dat de opgeëiste persoon het risico loopt om blootgesteld te worden aan een schending van zijn mensenrechten tijdens detentie in Bulgarije. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie voldoende is om het algemene gevaar weg te nemen voor de opgeëiste persoon en dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Wat het rapport van de ombudsman betreft, is de herkomst van het rapport niet duidelijk, nu het niet is gepubliceerd en het geen openbare bron betreft. De door de raadsman overgelegde Bulgaarse vonnissen zien niet op gedetineerden in een open regime, waarin de opgeëiste persoon geplaatst zal worden. Bovendien gaat het om twee incidentele zaken. Het betreft geen algemene, objectieve, naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit de conclusie kan worden getrokken dat er niet aan de gegeven detentiegarantie zal worden voldaan Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Bulgaarse autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. De rechtbank is van oordeel dat uit de aanvullende informatie – gelezen in onderlinge samenhang met de vraagstelling – blijkt dat voor de opgeëiste persoon onder meer 4 m2 aan persoonlijke leefruimte exclusief sanitair wordt gegarandeerd. De door de raadsman aangevoerde Bulgaarse uitspraken zijn van een periode vóór de gegeven garantie en betreffen niet eenzelfde regime als waar de opgeëiste persoon geplaatst zal worden. Ten aanzien van het overgelegde rapport van de ombudsman overweegt de rechtbank dat de bron onduidelijk is, nu het niet vindbaar en openbaar is. Desondanks dient dit rapport hoogstens als bevestiging van het reeds aangenomen algemene gevaar ten aanzien van detentie-instellingen in Bulgarije. De rechtbank ziet daarom geen redenen om nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer. 7 Slotsom De rechtbank stelt ten aanzien van de feiten volgend uit vonnis 1 met kenmerk 474/2025 van the District Court of the city of Asenovgrad, in kracht getreden op 25 oktober 2025, met kenmerk NOHD 474/2025, vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dat er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor die feiten toe. Voor het overige weigert de rechtbank de overlevering. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 8, 176 en 41 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7, 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de District Prosecutor's Office — Plovdiv, Territorial Division – Asenovgrad (Bulgarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, ten aanzien van vonnis I. WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB, ten aanzien van vonnis II. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie ook rb. Amsterdam 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2927 en rb. Amsterdam 21 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3321. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2018:5427. Conclusie A-G Bobek, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:333 (Dworzecki), punt 68. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. Rechtbank Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269. Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097. Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114.