Skip to content
Case Law · Rechtbank Rotterdam ·ECLI:NL:RBROT:2026:14142 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Rotterdam, 16-10-2026 (C/10/726410 / HA RK 26-906)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Wrakingsbeslissing. Afwijzing verzoek. Geen zwaarwegende aanwijzigingen voor (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. Wrakingsprocedure is niet bedoeld voor klachten over de wijze van bejegening.

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM Wrakingskamer Zaak- en rekestnummer: C/10/726410 / HA RK 26-906 Beslissing van 16 oktober 2026 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoekster] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: verzoekster, strekkende tot de wraking van mr. J.J. Klomp , rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1 De procedure 1.1. Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot wraking van de rechter in de beroepsprocedure met nummer ROT 25 / 3333 AVG. De procedure gaat in de kern over een beroep van verzoekster tegen het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) om het verzoek van verzoekster om onderzoek te doen naar onrechtmatige gegevensverwerking door de voormalig advocaat van verzoekster, mr. [persoon A] , af te wijzen. De mondelinge behandeling in deze procedure heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. De wrakingskamer heeft toegang gekregen tot het dossier van de beroepsprocedure. 1.2. Het dossier in de wrakingszaak bestaat uit de volgende stukken: het schriftelijke wrakingsverzoek van 13 september 2026, ingekomen op 15 september 2026, de schriftelijke reactie van de rechter, de schriftelijke reactie daarop van verzoekster. 1.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2026. Verzoekster is verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen. 2 Het wrakingsverzoek 2.1. Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek ten grondslag dat door de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de mondelinge behandeling bij haar de vrees is ontstaan dat de rechter niet in staat is om haar beroep onpartijdig en onafhankelijk te beoordelen. Zij wijst daarbij op de volgende omstandigheden. De rechter heeft tijdens de zitting een poging gedaan tot compromitteren en intimidatie. De rechter heeft gezegd dat hij niet bevoegd was om kennis te nemen van de zaak en heeft verzoekster daarmee geprobeerd te misleiden. Daarnaast heeft hij haar geloofwaardigheid ter discussie gesteld en haar in een verdedigende positie gedrukt door te vragen of zij was geholpen met de opbouw van haar beroepschrift. De rechter heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en partijen niet gelijkwaardig behandeld door zonder medeweten en toestemming van verzoekster telefonisch contact op te nemen met mr. [persoon A] . De rechter heeft een onjuiste juridische redenering als afdoeningsstrategie gehanteerd door herhaaldelijk op te merken dat de zaak thuishoort in het burgerlijke recht en niet in het bestuursrecht. De rechter heeft een argument van de AP overgenomen door op te merken dat een onderzoek voor een enkeling de overheid onnodig vermogen zou kosten. Daarmee heeft hij de belangen van de AP verdedigd. Toen verzoekster in reactie op het onder 4 genoemde argument stelde dat haar individuele recht op privacy net zo zwaar weegt als het collectief belang, zei de rechter “ u begrijpt mij niet ”. Dit heeft verzoekster opgevat als een poging om haar als onredelijk en onbegrijpend af te schilderen en haar argumenten niet serieus te nemen. 2.2. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3 De beoordeling 3.1. Artikel 8:16 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De mondelinge behandeling waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft, heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Het wrakingsverzoek is vijf dagen later bij de rechtbank binnengekomen. Aangezien er een weekend tussen de zitting en het wrakingsverzoek heeft gezeten en het wrakingsverzoek gedateerd is op 13 september 2026, is het wrakingsverzoek tijdig gedaan. 3.2. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 8:15 Awb). Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. 3.3. De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging partijdig is. 3.4. Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter tegenover haar een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar deze is niet doorslaggevend. 3.5. Volgens verzoekster heeft de rechter tijdens de mondelinge behandeling herhaaldelijk opgemerkt dat hij als bestuursrechter niet bevoegd was om kennis te nemen van de zaak dan wel dat de zaak niet thuishoorde in het bestuursrecht (punten 1 en 3 van het wrakingsverzoek). In reactie daarop heeft de rechter laten weten dat onderdelen van wat verzoekster wil bereiken, zoals een rectificatie en het aan de orde stellen dat mr. [persoon A] in de ogen van verzoekster tekort is geschoten in zijn werkzaamheden, op hem overkwamen als een civielrechtelijk geschil tussen verzoekster en mr. [persoon A] in plaats van een geschil tussen verzoekster en de AP. Het bespreken van wat in een procedure wel en niet kan worden beslist en wat mogelijk in een andere procedure kan worden beslist, had, aldus de rechter, als doel om transparant richting partijen te zijn over wat zij wel en niet konden verwachten van de procedure bij – in dit geval – de bestuursrechter. De wrakingskamer stelt voorop dat, als standpunten van partijen daar aanleiding voor geven, onderdeel van de taak van de rechter kan zijn dat hij uitlegt waarover hij wel en geen beslissing kan nemen. Door daarvoor in deze zaak te kiezen, is de rechter niet buiten de uitoefening van zijn taak getreden. Deze omstandigheid levert evenmin een objectieve aanwijzing op van vooringenomenheid van de rechter. Uit het feit dat de mondelinge behandeling is voortgezet, blijkt bovendien dat de zaak verder inhoudelijk besproken is en dat de rechter zich bevoegd heeft geacht om het beroepschrift te behandelen. 3.6. Volgens verzoekster heeft de rechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling ongevraagd telefonisch contact gezocht met mr. [persoon A] (punt 2 van het wrakingsverzoek). De rechter heeft toegelicht dat hij mr. [persoon A] niet heeft gesproken, maar dat hij de griffier verzocht heeft om per e-mail contact op te nemen met mr. [persoon A] om bij hem te informeren naar zijn actuele standpunt over de wens van verzoekster om het dossier te ontvangen dat hij van haar heeft bijgehouden. De rechter heeft het e-mailbericht van de griffier waarnaar hij verwijst en de reactie per e-mail van mr. [persoon A] overgelegd. Anders dan verzoekster stelt, creëert een dergelijk contactmoment met mr. [persoon A] door of namens de rechter geen schijn van partijdigheid. Daargelaten de vraag hoe dit contact verlopen is, geldt dat de AP de andere partij in de beroepsprocedure is en niet mr. [persoon A] . Dit brengt mee dat als al sprake zou zijn geweest van telefonisch contact met mr. [persoon A] ook de AP van de inhoud daarvan niet op de hoogte is geweest. Er is dus geen sprake zijn van een ongelijkwaardige behandeling van partijen (verzoekster en de AP) en ook is dus het recht van partijen op hoor en wederhoor met dit contact niet geschonden. 3.7. De AP heeft in punt 15 van haar verweerschrift opgemerkt dat zij geen aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te doen naar een onrechtmatige gegevensverwerking door mr. [persoon A] , omdat daarin geen breder maatschappelijk belang werd gezien en de AP hierin niet efficiënt en effectief kan optreden. Door dit standpunt te noemen, heeft de rechter volgens verzoekster de “ verdedigingslinie ” van de AP overgenomen (punt 4 van het wrakingsverzoek). De wrakingskamer oordeelt dat de rechter het standpunt van de AP in het kader van hoor en wederhoor tijdens de mondelinge behandeling ter sprake heeft kunnen brengen om verzoekster in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Anders dan verzoekster stelt, duidt dit niet op een blijk van vooringenomenheid van de rechter. 3.8. Het vorenstaande komt erop neer dat verzoekster met name problemen lijkt te hebben met de wijze van bejegening door de rechter. Dit blijkt ook uit de door haar als intimiderend ervaren vraag van de rechter of zij is geholpen bij de opbouw van haar beroepschrift en zijn door haar als denigrerend ervaren opmerking “ u begrijpt mij niet ” (punten 1 en 5 van het wrakingsverzoek). Voor dit soort klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoekster kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Blijkens haar schriftelijke reactie heeft zij dit op 10 september 2026 ook gedaan. Concrete feiten of omstandigheden waaruit volgt dat in de door verzoekster gestelde bejegening (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn niet gesteld of gebleken. 3.9. De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen 4 De beslissing De wrakingskamer: wijst het wrakingsverzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. J.F. Koekebakker, voorzitter, mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. W.J. de Veld, rechters, in aanwezigheid van mr. E. Elenbaas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en de griffier ondertekend. de griffier de oudste rechter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.