Skip to content
Case Law · Rechtbank Rotterdam ·ECLI:NL:RBROT:2026:14059 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Rotterdam, 14-10-2026 (C/10/714142 / HA ZA 26-101)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Een voormalig ambtenaar van de gemeente heeft woningen onbevoegd kosteloos in gebruik gegeven aan gedaagden. Gedaagden hebben jarenlang kosteloos zonder rechtsgeldige titel in de woningen gewoond. Zij mochten er naar het oordeel van de rechtbank niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de ambtenaar bevoegd was de woningen kosteloos aan hen in gebruik te geven. Zij moeten de woningen ontruimen. Daarnaast moeten zij een schadevergoeding betalen omdat zij ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van de gemeente (6:212 BW). Het is redelijk dat zij de schade van de gemeente moeten vergoeden. Het voortduren van de ontstane situatie is niet aan de gemeente toe te rekenen. Geen aanleiding voor matiging.

Full text

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/714142 / HA ZA 26-101 Vonnis van 14 oktober 2026 in de zaak van GEMEENTE ROTTERDAM , zetelend te Rotterdam, eiseres, advocaat: mr. M.M. de Jonge-Wolff, tegen 1 [gedaagde 1], 2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3], allen wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat: mr. A. Rhijnsburger. Partijen worden hierna de gemeente, [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. De gemeente heeft in 2025 ontdekt dat een ambtenaar – de coördinator van programma (Z)onderdak – buiten de geldende aanmeldprocedure om acht (Z)onderdakwoningen kosteloos in gebruik heeft gegeven aan personen buiten de doelgroep van programma (Z)onderdak, waaronder aan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Het programma was bedoeld om voormalig dak- en thuislozen te huisvesten en om hen te begeleiden om zelfstandig te kunnen wonen en zelfredzaam te worden. 1.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen sinds 2015 in een (Z)onderdakwoning, [gedaagde 3] sinds 2020. Zij hebben nooit een vergoeding aan de gemeente betaald voor deze woningen. 1.3. De vorderingen van de gemeente strekken ertoe om een einde te maken aan de bewoning van de woningen door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en om een vergoeding van hen te ontvangen voor het jarenlange kosteloze gebruik van de woningen. 1.4. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hun woningen moeten ontruimen en moeten verlaten, en dat zij de gemeente een schadevergoeding moeten betalen voor het gebruik van de woningen. 2 De procedure 2.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 19 januari 2026, met producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - het bericht van 22 juni 2026 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling; - de mondelinge behandeling van 28 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van de gemeente, die namens haar op de mondelinge behandeling zijn overgelegd en zijn voorgedragen. 2.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. De gemeente heeft ter uitvoering van haar programma “(Z)onderdak” woningen in Rotterdam tijdelijk in gebruik gegeven aan voormalig dak- en thuislozen tegenover betaling van een beperkte maandelijkse eigen bijdrage. De gemeente huurde deze woningen van diverse woningcorporaties. Het doel van (Z)onderdak is om voormalig dak- en thuislozen te begeleiden om zelfredzaam te worden en om zelfstandig te kunnen wonen. Om in aanmerking te komen voor een (Z)onderdakwoning gold een aanmeldingsprocedure. Er werd getoetst of een kandidaat tot de doelgroep van het programma behoorde. 3.2. Naar aanleiding van een integriteitsmelding, heeft de gemeente de Centrale Onderzoekseenheid van de gemeente (hierna: COE) intern onderzoek laten doen naar de coördinator van team (Z)onderdak (een ambtenaar in dienst van de gemeente), [naam 1] (hierna: [naam 1]). 3.3. Op 4 maart 2025 heeft de COE een onderzoeksrapport uitgebracht. In dat rapport heeft de COE (kort samengevat) het volgende geconcludeerd. [naam 1] heeft zonder toestemming acht (Z)onderdakwoningen toegewezen aan familieleden, aanverwanten en aan de zoon van een collega buiten de doelgroep van programma (Z)onderdak. Deze bewoners heeft zij bewust niet bij de financiële afdeling bij de gemeente aangemeld. Zij heeft voor deze woningen ook geen gebruiks- of huurovereenkomsten opgesteld. Voor deze woningen zijn geen vergoedingen ontvangen of geïncasseerd. 3.4. [gedaagde 1] woont sinds 18 november 2015 in de (Z)onderdakwoning aan [adres 1]. 3.5. [gedaagde 2] is de zoon van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] heeft van 18 november 2015 tot 1 mei 2021 met [gedaagde 1] op het adres aan [adres 1] gewoond. [gedaagde 2] heeft vanaf 1 mei 2021 tot 22 december 2025 gewoond in een (Z)onderdakwoning aan de [adres 2]. Op die datum heeft [gedaagde 2] de sleutels van de (Z)onderdakwoning aan de [adres 2] bij de gemeente ingeleverd. Sindsdien woont [gedaagde 2] (weer) bij [gedaagde 1] in de (Z)onderdakwoning aan [adres 1]. 3.6. [gedaagde 3] woont sinds 1 september 2020 in een (Z)onderdakwoning op het [adres 3]. 3.7. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben nooit een vergoeding of kosten aan de gemeente betaald voor deze woningen. 3.8. De gemeente heeft [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in haar brieven van 28 en 29 april 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade door de onrechtmatige bewoning van de (Z)onderdakwoningen. De gemeente heeft hen in diezelfde brieven gesommeerd om de woningen per 1 september 2025 te ontruimen. 3.9. In mei/juni 2025 heeft de gemeente gesprekken gevoerd met [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om hun persoonlijke situaties in kaart te brengen. In juli 2025 heeft zij (via het Geldplein) de financiële situaties van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in kaart gebracht. 3.10. In haar brieven van 29 juli 2025 heeft de gemeente een schikkingsvoorstel gedaan aan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Zij hebben het schikkingsvoorstel niet geaccepteerd. 3.11. Verder overleg in de periode daarna heeft ook niet geleid tot een oplossing. 4 Het geschil 4.1. De gemeente vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om de woning aan [adres 1] binnen vier weken na betekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover die zaken niet het eigendom van de gemeente zijn – te verlaten en te ontruimen, met afgifte van de sleutels aan de gemeente, en het gebruik van deze woning daarna gestaakt te houden; [gedaagde 3] te veroordelen om de woning aan het [adres 3] binnen vier weken na betekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover die zaken niet het eigendom van de gemeente zijn – te verlaten en te ontruimen, met afgifte van de sleutels aan de gemeente, en het gebruik van deze woning daarna gestaakt te houden; te bepalen dat als [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet tijdig en volledig aan de ontruiming zoals gevorderd onder 1 en 2 voldoen, de ontruiming zo nodig door een door de gemeente in te schakelen deurwaarder bewerkstelligd kan worden in overeenstemming met het in artikel 555 tot en met 557 jo. artikel 444 Rv bepaalde; [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan de gemeente van een bedrag van € 91.407,35, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, ter zake van de schade wegens ongerechtvaardigde verrijking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van volledige voldoening; [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan de gemeente van een bedrag van € 91.407,35, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, ter zake van de schade wegens ongerechtvaardigde verrijking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van volledige voldoening; [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling aan de gemeente van een bedrag van € 39.262,55, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, ter zake van de schade wegens ongerechtvaardigde verrijking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van volledige voldoening; subsidiair, voor het geval de exacte omvang van de schade niet (volledig) kan worden vastgesteld, de schade per gedaagde te begroten ex aequo et bono op de voet van artikel 6:97 BW; [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (ieder voor de woning die hij/zij feitelijk gebruikt) te veroordelen om, indien en voorzover zij na de door de rechtbank te bepalen ontruimingsdatum de woning nog (gedeeltelijk) blijven gebruiken, aan de gemeente te betalen een maandelijkse vergoeding gelijk aan (i) de voor die woning geldende huurprijs (thans: [adres 1]: € 625,73 p.m.; [adres 3]: € 637,78 p.m., althans het alsdan geldende huurbedrag), te vermeerderen met (ii) de door de gemeente voor die woning betaalde bijkomende kosten, waaronder begrepen gas, water en elektra en gemeentelijke heffingen, voor iedere maand (of gedeelte daarvan) vanaf die ontruimingsdatum tot en met de datum van feitelijke ontruiming en oplevering, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van iedere maandtermijn, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige voldoening; voor zover [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn voor (een deel van) dezelfde schade, te bepalen dat zij hoofdelijk worden veroordeeld, in die zin dat betaling door de één de ander in zoverre zal bevrijden; [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige voldoening. 4.2. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de proces- en nakosten. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De vorderingen van de gemeente strekken ertoe dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de woningen verlaten die zij jarenlang zonder enig recht of titel bewonen en dat zij een redelijke vergoeding betalen aan de gemeente voor het gebruik dat zij al die tijd hebben gehad. De gemeente wil weer over de woningen kunnen beschikken, zodat deze weer kunnen worden ingezet voor de sociale verhuur. 5.2. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] erkennen dat zij de woningen van [naam 1] in gebruik hebben gekregen. Zij erkennen ook dat zij daarvoor nooit een vergoeding of kosten aan de gemeente hebben betaald. Zij vinden om meerdere redenen dat de vorderingen van de gemeente niet kunnen worden toegewezen. 5.3. De rechtbank gaat hierna eerst in op de door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gestelde verjaring van de vorderingen, het ingediende onderzoeksrapport en de procedure van de gemeente tegen [naam 1]. Daarna wordt ingegaan op de vorderingen tot ontruiming en schadevergoeding. het beroep van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op verjaring faalt 5.4. De gemeente heeft de hoogte van de vorderingen tot schadevergoeding op [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] berekend vanaf het moment dat zij hun (Z)onderdakwoning in gebruik hebben genomen. Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de vergoeding berekend vanaf november 2015; voor [gedaagde 3] vanaf september 2020. 5.5. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] stellen (en de gemeente betwist) dat een groot deel van die vorderingen van de gemeente is verjaard. Zij voeren aan dat de gemeente in haar administratie had kunnen zien dat er geen geld binnenkwam voor de (Z)onderdakwoningen die door hen werden bewoond, terwijl de gemeente voor die woningen wel jarenlang de huur heeft betaald aan de woningcorporaties. De gemeente had in hun visie kunnen en moeten weten dat er geen vergoedingen voor de (Z)onderdakwoningen werden betaald. Daarom zijn zij van mening dat de gemeente een eventueel vorderingsrecht alleen kan baseren op de laatste vijf jaren. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op verjaring niet slaagt en overweegt daartoe als volgt. De gemeente baseert haar vordering tot betaling van een redelijke vergoeding op ongerechtvaardigde verrijking (6:212 BW) en (impliciet) tevens op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Die vordering valt onder de werking van artikel 3:310 BW. Op grond van dat artikel geldt dat een vordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat de vijfjaarstermijn begint te lopen op het moment dat de gemeente daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. Dat de gemeente mogelijkerwijs zelf op een eerder moment in haar administratie had kunnen zien dat er voor een aantal (Z)onderdakwoningen geen betalingen werden ontvangen, is niet relevant. Kort nadat de gemeente omstreeks 4 maart 2025 (toen de COE haar rapport uitbracht) beschikte over de relevante informatie, heeft zij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aansprakelijk gesteld. Dat de gemeente al op een veel eerder moment daadwerkelijk ermee bekend is geweest dat [naam 1] (Z)onderdakwoningen om niet in gebruik gaf aan (onder meer) [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], is niet gesteld of gebleken. De verjaringstermijn van vijf jaren is gelet hierop omstreeks 4 maart 2025 is gaan lopen; van verjaring is geen sprake. de gemeente procedeert niet in strijd met de waarheidsplicht (artikel 21 Rv) door delen in het onderzoeksrapport zwart te lakken 5.7. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben een beroep gedaan op artikel 21 Rv. Dat artikel bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en dat de rechter, bij niet naleving hiervan, daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vinden het niet aanvaardbaar is dat delen van het overgelegde onderzoeksrapport van de COE zijn zwartgelakt. Dat vinden zij niet transparant. Zij menen dat de gemeente het volledige onderzoeksrapport van de COE, zonder zwartgelakte bladzijden, in deze procedure had moeten indienen. 5.8. De gemeente heeft erop gewezen dat alleen de persoonsgegevens van derden zijn weggelakt in verband met de privacy van die derden. Zij meent dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verweer kunnen voeren op basis van het onderzoeksrapport zoals dat is ingebracht. 5.9. De rechtbank is met de gemeente eens dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] adequaat verweer kunnen voeren op basis van het onderzoeksrapport zoals het is ingebracht. De gemeente beroept zich in deze procedure op de verklaringen van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] die in het onderzoeksrapport zijn opgenomen. In het onderzoeksrapport zijn echter ook persoonsgegevens opgenomen die betrekking hebben op (Z)onderdakwoningen die aan anderen in gebruik zijn gegeven. Uit de context blijkt duidelijk dat tekstdelen die betrekking hebben op die anderen, zijn zwartgelakt. De tekstdelen die gaan over [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn niet zwartgelakt. Zij hebben rechtens geen belang om kennis te kunnen nemen van informatie of gegevens die andere personen in het onderzoeksrapport betreffen. Van een schending van artikel 21 Rv is geen sprake. Er is evenmin aanleiding om de gemeente op te dragen om alsnog een versie van het onderzoeksrapport in te dienen waarin de nu zwartgelakte passages ook volledig leesbaar zijn. de procedure van de gemeente tegen [naam 1] 5.10. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat zij hebben begrepen dat de rechtbank inmiddels de week ervoor uitspraak heeft gedaan in de zaak tussen de gemeente en [naam 1]. Zij menen dat de gemeente die uitspraak in deze procedure had moeten indienen en dat de gemeente duidelijk had moeten maken dat zij [naam 1] ook aansprakelijk en verantwoordelijk houdt voor de geleden schade. Ook hierin zien zij een schending van artikel 21 Rv. 5.11. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. Op 22 juli 2026 is uitspraak gedaan in de procedure van de gemeente tegen [naam 1]. Die uitspraak is op 22 juli 2026 gepubliceerd. Voor zover het al noodzakelijk is dat de gemeente deze openbare uitspraak in het geding had gebracht als productie, was daarvoor onvoldoende termijn beschikbaar voor de zitting. Los daarvan ziet de rechtbank niet in dat en waarom de gemeente expliciet duidelijk had moeten maken dat zij ook [naam 1] aansprakelijk en verantwoordelijk houdt voor geleden schade. Het staat de gemeente vrij om schade die haar is toegebracht door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op hen te verhalen. In deze procedure staat de eigen aansprakelijkheid van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor schade van de gemeente centraal vanwege hun eigen positie en verantwoordelijkheid in deze kwestie. Dat staat los van de aansprakelijkheid van [naam 1]. Als [naam 1] inmiddels de door de gemeente geleden schade zou hebben vergoed, waaronder (een deel van) de schade waarvoor (ook) [gedaagde 1], [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] (eventueel hoofdelijk met [naam 1]) aansprakelijk zijn, dan zou dat relevant kunnen zijn. Dan zou tussen enerzijds [naam 1] en anderzijds [gedaagde 1], [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] aan de orde kunnen komen wie uiteindelijk de draagplicht heeft voor welk deel van de aan de gemeente te vergoeden bedragen, voor zover zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. Gesteld noch gebleken is echter dat zich een dergelijke situatie voordoet. Er is ter zake van het niet ingaan door de gemeente op de tegen [naam 1] gevoerde procedure ook geen sprake van schending van artikel 21 Rv. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wonen zonder recht of titel in de woningen 5.12. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bestrijden het standpunt van de gemeente dat zij zonder recht of titel in de woningen wonen. Zij voeren aan dat tussen hen en de gemeente gebruiksovereenkomsten bestaan en dat zij mochten vertrouwen op de bevoegdheid van [naam 1] om de woningen aan hen in gebruik te geven. 5.13. De gemeente betwist het bestaan van de gebruiksovereenkomsten. Zij stelt dat [naam 1] niet bevoegd was om zelfstandig, buiten de vastgestelde procedures om, kosteloos woningen in gebruik te geven aan familie, vrienden of kennissen. De gemeente heeft daarnaast gemotiveerd weersproken dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] erop mochten vertrouwen dat [naam 1] hiertoe wel de bevoegdheid had. De gemeente wijst er in dat verband op dat er met [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nooit is gesproken, of afspraken zijn gemaakt, over een huurprijs, gebruikstermijn of bijkomende lasten. Er is ook nooit een contract voor het gebruik van de woningen opgesteld. De gang van zaken was zodanig verwijderd van hoe een verhuurder normaliter in het maatschappelijk verkeer te werk gaat, dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moeten hebben begrepen dat het niet klopte. 5.14. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het is algemeen bekend dat woonruimte in Rotterdam schaars en kostbaar is en dat de gebruiker van woonruimte daarvoor – behoudens zeer bijzondere gevallen die zich hier evident niet voordoen – moet betalen. Zoals de gebruiker van woonruimte ook pleegt te moeten betalen voor nutsvoorzieningen, waaronder (gebruik van) water, gas, elektriciteit. Het moet bij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] serieuze vragen hebben opgeroepen dat zij de woningen zonder enige formele aanvraag of procedure in gebruik kregen van [naam 1], [naam 1] in persoon de sleutels van de woningen aan hen overhandigde, [naam 1] hen mededeelde dat zij geen kosten voor de woningen aan de gemeente hoefden te betalen en zij ook nadien geen enkele schriftelijke vastlegging of bevestiging vanuit de gemeente ontvingen. In het onderzoeksrapport van de COE en in gesprekverslagen van de gemeente zelf van gesprekken in de periode mei/juni 2025 zijn verklaringen van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] opgenomen. De gemeente heeft in de dagvaarding de (volgens haar) relevante inhoud daarvan weergegeven. Die is niet door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] weersproken. 5.15. Uit de verklaringen van [gedaagde 1] blijkt (voor zover relevant) het volgende: - zij woonde omstreeks 2015 met haar zoon [gedaagde 2] samen op zijn studentenkamer in Delft; - zij is (via via) benaderd door [naam 1] met de mededeling dat [naam 1] een woning voor haar had; - zij is samen met [naam 1] naar de woning gegaan om deze te bekijken; - de woning was al ingericht; - [naam 1] heeft haar de sleutel van de woning overhandigt. Zij is dezelfde dag nog met haar zoon [gedaagde 2] in de woning getrokken; - zij heeft geen huurcontract ondertekend en zij heeft ook niets aan [naam 1] betaald; - zij wist dat dit een vreemde situatie was, maar zij dacht dat de gemeente haar op die manier wilde helpen. 5.16. Uit de verklaringen van [gedaagde 2] blijkt (voor zover relevant) het volgende: - omstreeks 2015 woonde hij samen met zijn moeder [gedaagde 1] op zijn studentenkamer in Delft; - hij kwam regelmatig bij de oma van [naam 2] op bezoek en zo leerde hij [naam 1] kennen; - hij wist dat [naam 1] bij de gemeente werkte, maar niet welke functie zij had; - [naam 1] heeft hem en [gedaagde 1] aan een woning geholpen aan [adres 1]; - [naam 1] heeft aangegeven dat zij tijdelijk in de woning konden blijven en dat er geen kosten betaald hoefden te worden; - hij dacht direct “dit klopt niet!” en heeft meerdere keren aan [naam 1] gevraagd of hij wat moest betalen. Daarop antwoordde zij steeds dat hij zich hierover geen zorgen hoefde te maken; - hij en [gedaagde 1] zagen dit als een kans om de studentenkamer in Delft te verlaten en om zijn schulden weg te werken; - hij hield er rekening mee dat het een keer zou uitkomen dat hij geen huurkosten hoefde te betalen; - hij heeft [naam 1] omstreeks april 2021 benaderd voor een andere woning omdat de woning aan [adres 1] te klein was en het tijd was voor “een eigen stekkie”; - hij heeft toen de sleutels voor de woning aan de [adres 2] gekregen van [naam 1]. 5.17. Uit de verklaringen van [gedaagde 3] blijkt (voor zover relevant) het volgende: - hij is de zoon van een medewerker van de gemeente, en deze medewerker heeft met [naam 1] gesproken over een woning voor haar zoon; - [naam 1] heeft hem vervolgens een woning aangeboden en heeft daar verder niet met hem over gesproken; - het enige wat hij moest doen was een inschrijfformulier ondertekenen; - hij heeft niet nagevraagd hoe [naam 1] aan de woning kwam, hij was al lang blij dat hij een woning had; - er zijn geen afspraken gemaakt over de betaling van huur en hij heeft ook geen huur betaald; - hij was zich bewust van het risico dat hij achteraf zou moeten betalen, maar heeft het zo gelaten (“geen nieuws is goed nieuws”). 5.18. Hieruit blijkt dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ieder voor zich serieuze twijfels hadden over de gang van zaken toen zij de woningen in gebruik kregen. Ook als zij nog niet zeker wisten dat de gang van zaken niet in orde was, bestond er alle reden voor hen om daar ernstig over te twijfelen en om (op enig moment) bij de gemeente (bij een ander dan [naam 1]) informatie in te winnen. Dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet bekend waren met programma (Z)onderdak of de voorwaarden die daarvoor golden, is irrelevant. Zij mochten er naar het oordeel van de rechtbank in de hiervoor genoemde omstandigheden niet op vertrouwen dat [naam 1] namens de gemeente bevoegd was om de woningen kosteloos aan hen in gebruik te geven. Er zijn dan ook geen gebruiksovereenkomsten tussen de gemeente met [gedaagde 1] of [gedaagde 2] of [gedaagde 3] tot stand gekomen. De wijze waarop [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben gehandeld en nagelaten gedurende de gehele periode dat zij de woningen hebben bewoond, is alleen verklaarbaar als zij zich er wel degelijk van bewust waren dat de gang van zaken niet in orde was. 5.19. Dat betekent dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zonder recht of titel in de (Z)onderdakwoningen wonen. Dat is een onrechtmatige inbreuk op het recht van de gemeente over deze woningen te kunnen beschikken en deze woningen in te (laten) zetten voor de sociale huur. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] handel(d)en ten opzichte van de gemeente in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moeten de woningen die zij op dit moment bewonen dan ook verlaten. Zij hebben nog andere argumenten tegen de gevorderde ontruiming aangevoerd, maar ook die slagen niet. De rechtbank gaat hieronder in op die argumenten. de gemeente hoeft geen vervangende woonruimte te faciliteren 5.20. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat de gemeente met gebruikmaking van haar vaste contacten met de woningstichtingen zou moeten bemiddelen zodat zij andere woonruimte verkrijgen. Tijdens de zitting is er door hun advocaat op gewezen dat de financiële posities van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inmiddels zijn verslechterd, waardoor [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nu allemaal volledig aangewezen zijn op een sociale huurwoning. Bij acceptatie van het aanbod voor een minnelijke regeling van de gemeente zou voor hen het gevolg zijn geweest dat zij op straat zouden zijn komen te staan. 5.21. De gemeente heeft deze standpunten van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gemotiveerd weersproken. Zij heeft erop gewezen dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] al heel lang weten dat het gebruik maken van deze woningen door hen niet zou kunnen blijven voortduren en dat het niet haar verantwoordelijkheid is om nu voor [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hun huisvestingsproblematiek op te lossen. 5.22. De rechtbank overweegt als volgt. Op de gemeente rust geen rechtsplicht om te bemiddelen ten behoeve van de huisvesting van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] elders. Dat zij inmiddels al lang in “hun buurt” wonen en dat zij daar – zoals zij aanvoeren – hun leven hebben opgebouwd, rechtvaardigt niet hun stelling dat door het handelen en nalaten van de gemeente – die terecht een einde wil maken aan een evident onrechtmatige situatie – hun leven op zijn kop komt te staan en dat dat niet redelijk is. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben als gevolg van frauduleus handelen schaarse woonruimte die niet voor hen bestemd was kunnen betrekken en heel lang kunnen gebruiken. Al die tijd hebben zij zich uitgaven voor normale woonlasten kunnen besparen. Dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op deze wijze jarenlang onrechtmatig van de gemeente – en daarmee in feite van de samenleving – hebben kunnen profiteren, brengt niet mee dat zij nu voorrang bij hun eventuele zoektocht naar een sociale huurwoning zouden behoren te verkrijgen ten opzichte van andere woningzoekenden die op legitieme wijze een schaarse (sociale) huurwoning in de gemeente Rotterdam trachten te verkrijgen. Voor [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] was van aanvang af voorzienbaar dat aan de situatie waarin zij gratis een gemeubileerde woning konden gebruiken een keer een einde zou komen. Uiteraard is dat voor hen een onplezierige wijziging van de situatie waarin zij verkeerden. Zij krijgen nu alsnog of wederom – net als heel veel anderen – te maken met de problematiek dat sociale huurwoningen Rotterdam en in Nederland schaars zijn. In de gegeven omstandigheden kunnen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] van de gemeente echter niet verlangen dat zij de daarmee samenhangende problemen voor hen oplost. het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet 5.23. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] beroepen zich op het gelijkheidsbeginsel. De gemeente heeft onderzoek gedaan naar de personen die kosteloos via [naam 1] in een (Z)onderdakwoning woonden. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente naar de rechtbank begrijpt een uitzondering gemaakt en een maatwerkoplossing gezocht voor een ouder van drie minderjarige kinderen waarvan er twee autistisch zijn, waarvoor die ouder alleen fulltime zorgt. Aan die ouder is toegestaan om in de woning te blijven wonen. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] menen dat zij in een vergelijkbare positie verkeren, zij verblijven immers ook allen in de woningen door het handelen van [naam 1]. 5.24. [gedaagde 3] en zijn advocaat hebben er verder op gewezen dat (ook) hij gedeeltelijk zorg voor een kind heeft. Wanneer zijn kind bij hem is, heeft hij er op dat moment de fulltime zorg voor, heeft [gedaagde 3] opgemerkt. 5.25. De rechtbank is van oordeel dat evident is dat de situaties op de werkelijk relevante punten niet gelijk zijn en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds om die reden faalt. conclusie: de vorderingen tot ontruiming worden toegewezen; de vordering machtiging sterke arm wordt afgewezen 5.26. De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zonder recht of titel in de woningen verblijven. Dat levert een onrechtmatige situatie op. De gemeente kan feitelijk niet beschikken over de woningen, die zij wil (laten) inzetten als sociale huurwoningen. Aan de onrechtmatige situatie behoort op korte termijn een einde te komen. De rechtbank zal hiervoor aansluiten bij de door de gemeente gevorderde ontruimingstermijn van vier weken. De rechtbank acht dit in de gegeven omstandigheden een redelijke termijn. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben zich er al lange tijd, in ieder geval vanaf omstreeks eind april 2025 nadat de fraude aan het licht is gekomen, op kunnen voorbereiden dat er binnen afzienbare termijn onvermijdelijk een einde zou komen aan de mogelijkheid om de door hen in gebruik genomen woningen te blijven gebruiken. 5.27. [gedaagde 2] heeft nog aangevoerd dat hij de sleutels voor de (Z)onderdakwoning aan de [adres 2] aan de gemeente heeft teruggegeven en dat de ontruimingsvordering tegen hem daarom niet kan worden toegewezen. Dat is onjuist. De gemeente heeft ook ten aanzien van [gedaagde 2] ontruiming van de mede door hem bewoonde woning aan [adres 1] gevorderd (onder 1. van het petitum). 5.28. De vordering onder 3. van het petitum wordt afgewezen. Deze vordering strekt kort gezegd om te bepalen dat de gemeente zo nodig zelf de ontruiming kan doen uitvoeren met behulp van de deurwaarder, maar die aparte vordering is op grond van artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig. De gemeente heeft voldoende aan de veroordelingen tot ontruiming in dit vonnis om de deurwaarder in te schakelen voor zover [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet vrijwillig tot ontruiming overgaan. De deurwaarder heeft op grond van de artikelen 557 in verbinding met 444 Rv een binnentredingsrecht en kan zich zo nodig laten bijstaan door de politie. de vorderingen op grond van ongerechtvaardigde verrijking 5.29. De gemeente baseert haar vorderingen tot betaling van schade op ongerechtvaardigde verrijking (6:212 BW). Op grond van dat artikel geldt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. 5.30. De rechtbank gaat hierna in op 1) de verrijking van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], 2) de verarming van de gemeente, 3) het verband tussen de verrijking en de verarming en 4) de voorwaarde dat dit ongerechtvaardigd is. 1) [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn verrijkt 5.31. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn verrijkt. Dat is door hen niet bestreden en dat dat zo is, is evident. Zij hebben immers allemaal jarenlang kosteloos in de (Z)onderdakwoningen kunnen verblijven, zonder vaste lasten te hebben voor het gebruik van de woning en voor gas, water en elektriciteit. Doordat zij zich deze kosten hebben bespaard, zijn zij verrijkt. 2) de gemeente is verarmd 5.32. De gemeente heeft gesteld (en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben bestreden) dat de gemeente is verarmd. 5.33. De rechtbank overweegt als volgt. De gemeente heeft jarenlang de huur betaald voor de (Z)onderdakwoningen en de kosten voor de nutsvoorzieningen gedragen, zonder dat zij daarvoor van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] enige vergoeding of een bijdrage heeft ontvangen. Als de gemeente deze woningen aan de doelgroep ter beschikking had gesteld, had zij daarvoor eigen bijdragen kunnen incasseren. Als de woningen vrij waren, had de gemeente ze terug kunnen leveren aan de betreffende woningcorporaties en zou de gemeente in dat geval ook geen huur meer hebben hoeven te betalen aan de woningcorporaties, noch kosten voor de nutsvoorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeente verarmd in een mate die uitstijgt boven het totaalbedrag over de relevante perioden van de eigen bijdragen die van toepassing waren bij bewoning van de (Z)onderdakwoningen door de doelgroep. 3) er is een verband tussen de verrijking en de verarming 5.34. De gemeente heeft gesteld dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn verrijkt ten koste van de gemeente. Doordat zij immers de woningen zonder medeweten van de gemeente gebruikten bleef de gemeente daarvoor kosten maken terwijl zij daarvoor geen eigen bijdragen ontving. Zonder het gebruik door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zou de gemeente de woningen hebben toegewezen aan personen uit de doelgroep, die wel een gebruiksovereenkomst zouden hebben gesloten, waarbij een maandelijkse eigen bijdrage verschuldigd was, dan wel zou de gemeente de woningen weer ter beschikking hebben gesteld van de betreffende woningcorporaties en daarvoor geen kosten meer hebben gehad. 5.35. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten dat de gemeente door de verrijking is verarmd. Zij betogen dat uit het onderzoeksrapport van de COE blijkt dat er 36 van de 40 woningen van woningstichting Woonbron leeg stonden en dat ook in verband met de afbouwbeleid van het programma (Z)onderdak een grote leegstand bestond. De gemeente heeft volgens [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet aangetoond dat de door hen bewoonde (Z)onderdakwoningen, als die woningen niet aan hen in gebruik waren gegeven, daadwerkelijk aan kandidaten van programma (Z)onderdak in gebruik waren gegeven en dat die woningen geld zouden opbrengen. Zij vinden het waarschijnlijker dat deze woningen over een zeer lange periode leeg zouden hebben gestaan. 5.36. De gemeente heeft hier op de zitting op geantwoord dat de woningen van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geen woningen van Woonbron waren, maar van andere woningcorporaties (Havensteder en Woonstad). Hoeveel woningen er al dan niet leeg stonden betreffende Woonbron, zegt niets over de woningen in deze zaak. Bovendien heeft [naam 1] bij de COE verklaard dat de leegstand binnen het gehele project maximaal tien woningen per maand bedroeg. 5.37. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben niet nader gereageerd op dit gemotiveerde betoog van de gemeente. De gemeente heeft hun standpunt over te verwachten leegstand ten aanzien van de woningen waar het hier om gaat voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat het relevante verband tussen de verrijking en de verarming bestaat. 4) de verrijking ten koste van de gemeente is ongerechtvaardigd 5.38. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat er geen redelijke grond was voor de verrijking van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ten koste van de gemeente. 5.39. De rechtbank heeft onder 5.12-5.19 in dit vonnis al geoordeeld dat er geen gebruiksovereenkomsten tot stand zijn gekomen tussen de gemeente en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en dat zij er niet gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat [naam 1] hen de (Z)onderdakwoningen kosteloos in gebruik mocht geven. Daarmee is evident dat een redelijke grond voor het door hen ten koste van de gemeente behaalde voordeel (de door hen bespaarde woonlasten) ontbreekt. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moeten de schade van de gemeente vergoeden 5.40. De ongerechtvaardigde verrijking dient volgens de gemeente te worden gewaardeerd op het bedrag dat de gemeente aan eigen bijdragen zou hebben ontvangen, indien de woningen rechtmatig aan kandidaten uit de doelgroep in gebruik waren gegeven, althans op het bedrag waarmee de gemeente door het gebruik door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is verarmd. 5.41. De periodes waarover de gemeente de schade in de dagvaarding heeft berekend vangen aan op de data waarop de woningen door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in gebruik zijn genomen tot 1 mei 2026. De berekeningen zijn hieronder schematisch weergegeven: gemiste bijdragen wettelijke rente totaal [gedaagde 1] (vanaf 18 november 2015; 125 maanden) € 75.000,- € 16.407,28 € 91.407,28 [gedaagde 2] (vanaf 18 november 2015; 125 maanden) € 75.000,- € 16.407,28 € 91.407,28 [gedaagde 3] (vanaf 1 september 2020; 68 maanden) € 34.000,- € 5.262,51 € 39.262,51 5.42. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben deze berekeningen op zichzelf niet betwist. Zij hebben in dit verband wel betoogd dat de hoogte van de vordering van de gemeente niet in deze procedure kan worden vastgesteld. De gemeente heeft volgens hen niet aangetoond dat de (Z)onderdakwoningen daadwerkelijk aan andere kandidaten die in aanmerking zouden komen in gebruik zouden zijn gegeven en dat die woningen geld zouden opbrengen. Het is volgens hen eerder waarschijnlijk dat deze woningen leeg zouden hebben gestaan over een langere periode. 5.43. De rechtbank overweegt dat de gemeente dit leegstandsverweer deugdelijk gemotiveerd heeft weersproken (zie onder 5.34-5.37) en dat dit [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] het verweer in dat licht niet voldoende hebben gemotiveerd. Daarbij geldt nog het volgende. Als uitgangspunt voor het vaststellen van de omvang van de schade geldt dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de huidige situatie van de benadeelde (de gemeente) en de hypothetische situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Bij de beoordeling van die hypothetische situatie komt het aan op wat hierover redelijkerwijs te verwachten valt. 5.44. De gemeente hoeft in deze procedure niet aan te tonen dat zij de (Z)onderdakwoningen daadwerkelijk aan andere kandidaten ter beschikking zou hebben gegeven, zoals [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aanvoeren. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het handelen van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de gevorderde schade heeft geleden. Als [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] deze woningen niet zouden hebben bewoond, had de gemeente deze aan de doelgroepen ter beschikking kunnen stellen en daarvoor de eigen bijdragen kunnen incasseren. Als de woningen vrij waren, bijvoorbeeld omdat ze niet nodig waren voor de doelgroepen, had de gemeente ze terug kunnen leveren aan de woningbouwverenigingen en zou zij daar geen maandelijkse huur meer voor dragen. Als de woningen niet in gebruik waren geweest bij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zouden ook de kosten voor nutsvoorzieningen ook niet door de gemeente zijn gedragen. De rechtbank acht het tegen die achtergrond voldoende aannemelijk dat de gemeente is verarmd tot minimaal het niveau van het totaalbedrag aan eigen bijdragen dat de gemeente in haar schadebegroting tot uitgangspunt heeft genomen. Het is evident dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot een (veel) hoger bedrag verrijkt zijn, omdat zij zich niet alleen de kosten van huur hebben bespaard, maar ook van de nutsvoorzieningen. Zij moeten de op basis van de omvang van de eigen bijdragen voor de woningen te begroten schade van de gemeente dus vergoeden. het is redelijk dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de schade van de gemeente vergoeden; het voortduren van de ontstane situatie is niet aan de gemeente toe te rekenen; geen matiging 5.45. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben nog aangevoerd dat het aan de gemeente zelf toe te rekenen is dat de ontstane situatie zo lang heeft kunnen voortduren. In de visie van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is de gemeente ernstig tekortgeschoten in het bijhouden van de administratie van het programma en het toezicht daarop, waaronder het toezicht op [naam 1]. Volgens hen had de gemeente op elk moment kunnen en moeten controleren dat voor de betreffende woningen geen eigen bijdragen werden ontvangen en had er ingegrepen moeten worden. 5.46. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben niet te goeder trouw geprofiteerd van fraude. In de gegeven omstandigheden kunnen zij de gemeente, het slachtoffer van die fraude, geen eigen schuld verwijten. Het ontbreken van goede trouw bij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] baseert de rechtbank op het volgende. Zij hadden ieder voor zich twijfels bij de gang van zaken toen zij de woningen in gebruik kregen. Toch hebben zij de woningen geaccepteerd. Vervolgens hebben zij de situatie bewust jarenlang laten voortbestaan en zichzelf veel woonkosten bespaard, wetende dat de situatie niet klopte. Gelet op hun eigen rol in het laten voortbestaan van de ontstane situatie, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de gevorderde schade van de gemeente volledig moeten vergoeden. Er bestaat geen aanleiding om de vordering van de gemeente te matigen tot een symbolisch bedrag zoals door hun advocaat bepleit. 5.47. Opmerking verdient dat de gemeente – deels ter zitting – heeft uitgelegd hoe het heeft kunnen gebeuren dat de fraude erg lang voor haar verborgen is gebleven. [naam 1] had maatregelen in de administratie getroffen om haar frauduleuze handelen te verhullen. Zo heeft [naam 1] de aan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in gebruik gegeven (Z)onderdakwoningen bewust niet als zodanig geregistreerd in het financiële administratiesysteem van de gemeente. Zij heeft bepaalde woningen als zogenoemde noodwoningen geregistreerd. Als gevolg daarvan zijn in het systeem geen vorderingen aangemaakt voor deze woningen en is geen opdracht gegeven aan de financiële afdeling om eigen bijdragen voor het gebruik van deze woningen te incasseren. Niet alleen ontving de Gemeente daardoor geen eigen bijdragen voor het gebruik van de woningen, maar zij kreeg ook geen notificatie uit het systeem dat voor deze woningen geen eigen bijdragen in rekening waren gebracht en (evenmin) betaald. begroting schade 5.48. Het komt de rechtbank wenselijk voor dat de schade in deze procedure wordt begroot zodat partijen daarvoor niet nog een procedure hoeven te voeren. De gemeente heeft bij dagvaarding onder 5.1 gesteld dat zij bij de vaststelling van haar schade is uitgegaan van het bedrag aan eigen bijdragen dat zij had (kunnen) ontvangen, als de betreffende woningen aan personen uit de doelgroep in gebruik waren gegeven. De gemeente heeft schadeperiodes genoemd en eigen bijdragen per woning per maand. De gemeente noemt bij dagvaarding onder 5.5 ook bedragen aan wettelijke rente. 5.49. Op grond van wat in dit kader is gesteld en gebleken, kan de rechtbank niet vaststellen dat wettelijke rente tot de door de gemeente gestelde omvang door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verschuldigd is. Daarom zal de rechtbank de door de gemeente onder 5.5 genoemde bedragen aan wettelijke rente buiten beschouwing laten bij de begroting van het toewijsbare deel van de ingestelde vorderingen. De begroting door de rechtbank beperkt zich voor wat betreft het toe te wijzen bedrag ook tot de door de gemeente in haar schadeberekening genoemde perioden. 5.50. Met het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedurende een relevant deel van de betrokken periode samen in één huis woonden, lijkt de gemeente geen rekening te hebben gehouden. In de vordering onder 11 onderkent de gemeente wel dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk kunnen zijn voor (een deel van) dezelfde schade. Van de door de gemeente ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in aanmerking genomen 125 maanden hebben zij gedurende 69 maanden in dezelfde woning gewoond. Dat brengt mee dat zij op basis van de bij de schadebegroting gehanteerde uitgangspunten ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor € 41.400,00. Dat wil zeggen dat als en voor zover een van hen daarvan een gedeelte betaalt, in zoverre ook de ander zal zijn bevrijd. De resterende periode beschikten zij ieder over een eigen woning. Ter zake daarvan zijn zij ieder voor zich aansprakelijk voor € 33.600,00. Tot vergoeding van die bedragen zullen zij worden veroordeeld. 5.51. De schade die [gedaagde 3] dient te vergoeden begroot de rechtbank op € 34.000,00. [gedaagde 3] zal tot vergoeding van dat bedrag worden veroordeeld. conclusie: toewijzing gevorderde schadevergoedingen; wettelijke rente 5.52. De rechtbank zal de door de gemeente gevorderde schadevergoedingen toewijzen tot de omvang en op de wijze als vermeld onder de beslissing. 5.53. De vanaf 1 mei 2026 gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen aan schadevergoeding wordt als niet of onvoldoende betwist toegewezen als vermeld onder de beslissing. vergoeding voor gebruik na ontruiming ook toegewezen 5.54. De gemeente vordert ook vergoeding van schade voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat gedaagden de betreffende woning na de ontruimingsdatum nog blijven gebruiken. De gemeente is contractueel huurder van de betrokken (Z)onderdakwoningen en blijft, zolang de woningen niet zijn ontruimd, gehouden tot betaling van de huur en de daarmee samenhangende lasten. Als [gedaagde 1], [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] het gebruik van de (Z)onderdakwoningen voortzetten na de in dit vonnis te bepalen ontruimingsdatum zonder daarvoor enige vergoeding aan de gemeente te betalen, worden zij door dat kosteloze gebruik in nog verdere mate verrijkt en wordt de gemeente nog verder verarmd omdat zij in dat geval alsnog de voor de woningen geldende huurprijs moet betalen aan de woningcorporaties. Anders gezegd loopt de schade van de gemeente op als het onrechtmatige kosteloze gebruik van de woningen na de ontruimingsdatum wordt voortgezet. Om die reden zal de rechtbank ook deze vordering van de gemeente toewijzen als is vermeld onder de beslissing. buitengerechtelijke incassokosten zijn niet gevorderd 5.55. De gemeente stelt in het lichaam van de dagvaarding onder 5.12 dat zij in deze procedure ook aanspraak maakt op betaling van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering is echter niet als zodanig opgenomen in het petitum in de dagvaarding. Er is vervolgens ook niet over gedebatteerd. De rechtbank zal bij gebreke van een voor gedaagden voldoende duidelijke vordering op dit punt geen vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moeten de proceskosten betalen 5.56. De proces- en nakosten komen voor rekening van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], omdat zij ongelijk krijgen (237 Rv). Zij worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.402,94. Dat bedrag is als volgt opgebouwd: - dagvaarding € 151,94 (op kantoor advocaat betekend) - griffierecht € 7.062,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 7.402,94 De kosten aan de zijde van de gemeente voor salaris advocaat worden begroot op een totaalbedrag van € 4.102,- (2 punten x tarief V, € 2.051,- per punt). De rechtbank zal deze kosten verdelen over [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], naar rato van de hoofdsommen waarin zij worden veroordeeld. [gedaagde 3] wordt namelijk tot betaling van een aanzienlijk lager bedrag veroordeeld dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (zowel afzonderlijk als tezamen). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen ieder voor zich worden veroordeeld tot betaling van € 1.561,98 aan salaris advocaat, [gedaagde 3] zal worden veroordeeld tot betaling van € 978,04 aan salaris advocaat. 5.57. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 5.58. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de gemeente dat eist en die vordering op grond van de wet toewijsbaar is (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 6 De beslissing 6.1. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om de woning aan [adres 1] binnen vier weken na betekening van het vonnis met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover die zaken niet het eigendom van de gemeente zijn – te verlaten en te ontruimen, met afgifte van de sleutels aan de gemeente, en het gebruik van deze woning daarna gestaakt te houden; 6.2. veroordeelt [gedaagde 3] om de woning aan het [adres 3] binnen vier weken na betekening van het vonnis met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover die zaken niet het eigendom van de gemeente zijn – te verlaten en te ontruimen, met afgifte van de sleutels aan de gemeente, en het gebruik van deze woning daarna gestaakt te houden; 6.3. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zo dat als en voor zover de een betaalt de ander in zoverre ook zal zijn bevrijd, tot betaling aan de gemeente van € 41.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling; 6.4. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan de gemeente van € 33.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling; 6.5. veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan de gemeente van € 33.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling; 6.6. veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling aan de gemeente van € 34.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling; 6.7. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan de gemeente van: (i) de voor die woning geldende en door de gemeente verschuldigde huurprijs, en (ii) de door de gemeente voor die woning betaalde bijkomende kosten, waaronder begrepen gas, water en elektra en gemeentelijke heffingen, voor de voortgezette bewoning van [adres 1] voor iedere maand (of gedeelte daarvan) vanaf de ontruimingsdatum tot en met de dag waarop de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldatum van iedere maandtermijn tot aan de dag van volledige betaling; 6.8. veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling aan de gemeente van: (i) de voor die woning geldende en door de gemeente verschuldigde huurprijs, en (ii) de door de gemeente voor die woning betaalde bijkomende kosten, waaronder begrepen gas, water en elektra en gemeentelijke heffingen, voor de voortgezette bewoning van het [adres 3], voor iedere maand (of gedeelte daarvan) vanaf de ontruimingsdatum tot en met de dag waarop de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldatum van iedere maandtermijn tot aan de dag van volledige betaling; 6.9. veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van de gemeente van € 7.402,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 6.10. veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten onder 6.9 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.11. veroordeelt [gedaagde 1] aanvullend in de proceskosten aan de zijde van de gemeente van € 1.561,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.12. veroordeelt [gedaagde 2] aanvullend in de proceskosten aan de zijde van de gemeente van € 1.561,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.13. veroordeelt [gedaagde 3] aanvullend in de proceskosten aan de zijde van de gemeente van € 978,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.14. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 6.15. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. [3266/1729]