Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2025:12750 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 12-11-2025 (11814035 \ CV EXPL 25-2757)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Vordering in incident tot voeging van zaken. De kantonrechter wijst de vordering af.

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11814035 \ CV EXPL 25-2757 WD Vonnis in het incident van 12 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: ROI Services B.V., tegen ING BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij in de hoofdzaak, eiseres in het incident, hierna te noemen: ING, gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van eis in het incident tot voeging; - de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 2. De uitgangspunten 2.1. Tussen partijen zijn bij de kantonrechter twee procedures aanhangig. 2.2. In de eerste procedure met het zaaknummer / rolnummer 11812049 CV EXPL 25-2686 gaat het volgens het huidige dossier in essentie om de vraag of ING op goede gronden de creditcard van [eiser] heeft geblokkeerd en terecht heeft geweigerd om uitvoering te geven aan de “Geldterugservice”, die zij normaliter verleent bij creditcardaankopen. [eiser] stelt dat ING ten onrecht zijn creditcard heeft geblokkeerd en heeft geweigerd om over te gaan tot (terug)betaling van de door [eiser] bij een creditcardaankoop aan Cleverbuy.nl betaalde koopsom. ING heeft de vordering van [eiser] betwist. ING heeft het aankoopbedrag inmiddels aan [eiser] uitbetaald en de contractuele relatie met [eiser] beëindigd. 2.3. De tweede procedure met de nummers 11814035 \ CV EXPL 25-2757 is de hoofdzaak bij dit incident. Deze zaak gaat, kort gezegd, om de vraag of ING bij de verwerking van de persoonsgegevens van [eiser] al dan niet in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en/ of onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. 3 Het geschil in de hoofdzaak 3.1. [eiser] vordert – zeer verkort weergegeven – dat de kantonrechter: (i) verklaart voor recht dat ING in strijd met het bepaalde in de AVG [eiser] geen volledige en transparante inzage heeft gegeven in de verwerking van zijn persoonsgegevens; (ii) verklaart voor recht dat ING onrechtmatig en in strijd met het bepaalde in de AVG de persoonsgegevens van [eiser] heeft gedeeld met derden, waaronder Coolblue en ICS; (iii) ING veroordeelt om [eiser] inzage te verschaffen in alle persoonsgegevens die zij van [eiser] verwerkt; (iv) ING veroordeelt om [eiser] duidelijkheid te geven over de doorgifte door ING van de persoonsgegevens van [eiser] aan derden, waaronder Coolblue en ICS; (v) ING veroordeelt om over te gaan tot rectificatie van de onrechtmatige gegevensuitwisseling met derden, waaronder Coolblue en ICS; (vi) ING veroordeelt om persoonsgegevens van verschillende bij haar werkzame medewerkers aan [eiser] te verstrekken; (vii) ING veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,00 aan [eiser] , met kosten. 4 Het geschil in het incident 4.1. ING vordert dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de bij de kantonrechter aanhangige zaak met het zaaknummer / rolnummer 11812049 CV EXPL 25-2686 . 4.2. ING voert daartoe aan dat beide zaken aanhangig zijn bij de kantonrechter en met elkaar verknocht zijn. 4.3. [eiser] voert verweer. 5 De beoordeling in het incident 5.1. De kantonrechter zal de vordering van ING tot voeging afwijzen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waar zij deze beslissing op baseert. 5.2. In geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, kan daarvan de voeging worden gevorderd. 5.3. In dit geval kan de kantonrechter niet vaststellen dat dit zich in deze zaken voordoet. Uit het verweer van ING volgt namelijk dat zij de in de zaak met de nummers 11812049 CV EXPL 25-2686 gevorderde hoofdsom inmiddels aan [eiser] heeft uitbetaald. Ook volgt uit dat verweer dat de in die zaak ingestelde vordering tot deblokkering van de creditcard niet meer actueel is, omdat de contractuele relatie tussen partijen is beëindigd. Bij deze stand van zaken gaat het in laatstgenoemde zaak dus alleen nog om de buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten. 5.4. Er is dus geen situatie (meer) waarin de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Gelet daarop bestaat geen aanleiding (meer) om de hoofdzaak te voegen met de zaak onder nummer 11812049 CV EXPL 25-2686 . 5.5. ING zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. De kantonrechter begroot deze kosten op een bedrag van € 250,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met een bedrag van € 125,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing in het incident 6.1. wijst de vordering af; 6.2. veroordeelt ING in de proceskosten van [eiser] , die worden begroot op een bedrag van € 375,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als ING niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 6.3. verklaart deze proceskostenveroordeling vonnis uitvoerbaar bij voorraad; in de hoodzaak 6.4. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 10 december 2025 om 9:30 uur voor een conclusie van antwoord aan de zijde van ING; 6.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025. Zie artikel 222 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering