Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:10092 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 23-09-2026 (13-121439-26)

Status Not cited by any decision here yet

Judgment

Summary

Grieks vervolgings-EAB. Uitvaardigende rechterlijke autoriteit: effectieve rechterlijke bescherming. Niet voldaan aan effectieve rechtsbescherming. Officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-121439-26 Datum uitspraak: 23 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door the Prosecutor's Office of the Appeal Court of Thessaloniki , Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1984, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 4 augustus 2026 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Bulgaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De tussenuitspraak van 18 augustus 2026 In de tussenuitspraak van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om: de uitspraak van deze rechtbank in die zaak met parketnummer 13-248279-26 af te wachten en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 6 in die tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 9 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door haar raadsman, mr. M. de Klerk, en door een tolk in de Bulgaarse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 18 augustus 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit. Daarnaast heeft de rechtbank overwegingen opgenomen over de rechterlijke autoriteit en de effectieve rechtsbescherming en de Griekse detentieomstandigheden. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Uitvaardigende rechterlijke autoriteit: effectieve rechterlijke bescherming Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Op 8 september 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de zaak met parketnummer 13-248279-26. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting gewezen op deze uitspraak. De zaak met parketnummer 13-248279-26 betreft de zaak waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en waarin het HvJ EU op 2 juli 2026 een beschikking heeft gewezen. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, omdat niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteiten te vragen of de voorwaarden voor het uitvaardigen van het EAB achteraf, dus nadat de overlevering heeft plaatsgevonden, door een Griekse rechter getoetst kunnen worden. Oordeel van de rechtbank In de onderhavige zaak is, net als in de zaak met parketnummer 13-248279-26, het EAB uitgevaardigd door een Griekse openbaar aanklager die als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ kan worden aangemerkt. Aan dit EAB ligt een nationaal aanhoudingsbevel ten grondslag dat is uitgevaardigd door een Griekse onderzoeksrechter. Uit de aanvullende informatie van de Griekse autoriteiten van 7 juli 2026 volgt dat de Griekse onderzoeksrechter niet heeft getoetst of de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel zijn vervuld en met name of dat bevel evenredig is. De voorliggende vraag is daarom, ook in deze zaak, of de beslissing van de Griekse openbaar aanklager om een EAB uit te vaardigen, voor zover dat strekt tot strafvervolging, in Griekenland het voorwerp kan uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de voorwaarden die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval om de volgende redenen. Het HvJ EU heeft in antwoord op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vraag in de zaak met parketnummer 13-248279-26 – kort gezegd – geoordeeld dat ook als de voorwaarden waaronder een EAB dat door een rechterlijke autoriteit niet zijnde een rechter is uitgevaardigd pas ná overlevering van een opgeëiste persoon aan de uitvaardigende lidstaat aan een rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen, is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming mits in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, worden getoetst. De rechtbank oordeelde op 8 september 2026 in de zaak met parketnummer 13-248279-26 dat uit het arrest MM noch uit de beschikking in de zaak Blerens voortvloeit dat er een afzonderlijke beroepsmogelijkheid zou moeten bestaan die specifiek ziet op toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB door een rechterlijke autoriteit, niet zijnde een rechter. De rechtbank leidde dit onder meer af uit punt 60 in de beschikking in de zaak Blerens waarin het HvJ EU onder verwijzing naar het arrest MM oordeelde dat uit die rechtspraak volgt dat het “noodzakelijk is dat de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en met name de evenredigheid daarvan rechterlijk kunnen worden getoetst in de uitvaardigende lidstaat”. Het HvJ EU liet zich niet uit over de wijze waarop deze rechterlijke toetsing kan plaatsvinden, naar ook blijkt uit zijn arrest van 12 december 2017 waarin onder punt 65 is geoordeeld dat het openstellen van een afzonderlijk recht op beroep tegen de door een andere rechterlijke autoriteit dan een rechter genomen beslissing om een EAB uit te vaardigen, in dit opzicht slechts een van de mogelijkheden vormt. Dat laat echter onverlet dat voor een opgeëiste persoon de mogelijkheid moet bestaan om de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid van het bevel, door een rechter te laten toetsen. Dit volgt uit de zinsnede “mits in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, met name de evenredigheid ervan, worden getoetst”. In de zaak met parketnummer 13-248279-26 heeft de officier van justitie hieromtrent navraag gedaan en het antwoord luidde dat naar Grieks recht er geen rechtsmiddel bestaat waarmee het EAB kan worden getoetst nadat de opgeëiste persoon aan Griekenland is overgeleverd, omdat het EAB met de feitelijke overlevering volledig ten uitvoer is gelegd. Uit de omstandigheid dat het voor een opgeëiste persoon wel mogelijk is om na overlevering het nationale aanhoudingsbevel op grond waarvan hij is gedetineerd aan te vechten en op die manier zijn invrijheidsstelling te bewerkstelligen, kon naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat tijdens die procedure tevens kan worden getoetst of de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB zijn vervuld, met name of het bevel evenredig is. De vraagstelling van de officier van justitie bevatte expliciet de vraag of dit mogelijk is, maar de desbetreffende vragen 2 en 3 waren niet beantwoord. De enkele omstandigheid dat het aanvechten van het nationale aanhoudingsbevel zou kunnen leiden tot opheffing of schorsing van de preventieve hechtenis, kan niet worden gelijkgesteld met een toetsing van de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid hiervan. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling in onderhavige zaak aan te houden. De vragen over de mogelijkheid van een rechterlijke toetsing van de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB zijn in de zaak naar aanleiding waarvan de beschikking Blerens is gewezen reeds expliciet aan dezelfde uitvaardigende justitiële autoriteit als in de zaak met parketnummer 13-248279-26 voorgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ook in onderhavige zaak niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. 5 Slotsom Nu niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. 6 Beslissing VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Sanders, voorzitter, mrs. A.B.M. Wijnveldt en M. Speksnijder, rechters, in tegenwoordigheid van B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 18 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8274 Rb. Amsterdam 18 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8274 ECLI:NL:RBAMS:2026:9057. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). Rb. Amsterdam 8 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9057. HvJ EU 13 januari 2021, C-414/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:4 ( MM ). HvJ EU 12 december 2019, gevoegde zaken C-566/19 & C-626/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1077 ( Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van Justitie van Lyon en van Tours) ).