# Rechtbank Rotterdam, 14-10-2026 (C/10/726538 / KG ZA 26-976)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:13991
- Date: 2026-10-14
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A13991
- Canonical: https://overview.legal/posts/603775

## Summary

Kort geding. Nakomingsvordering. Afwijzing. De vorderingen zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt om vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure daar voorlopige maatregelen aan te verbinden.

## Full text

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/726538 / KG ZA 26-976 Vonnis in kort geding van 14 oktober 2026 in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [handelsnaam] , gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eisende partij, advocaat: mr. F. Dijkstra, tegen [gedaagde] , gevestigd in [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, verschenen bij gemachtigd vertegenwoordigers. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1 De zaak in het kort Tussen [eiser] en [gedaagde] is een geschil ontstaan over de vraag of aan een overeengekomen conversiegrens van 1,5% is voldaan en of [eiser] aanspraak heeft op voortzetting van de overeenkomst partijen. [gedaagde] heeft de overeenkomst tussentijds opgezegd op basis van een contractuele tussentijdse opzegginsgrond. [eiser] vordert inzage van stukken om te kunnen beoordelen of zij aan de conversiegrens heeft voldaan, om zodoende aanspraak te maken op voortzetting van de overeenkomst. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 22 september 2026, met 6 bijlagen; - het verweerschrift, met 8 bijlagen; - de mondelinge behandeling van 30 september 2026; - de pleitnota van mr. F. Dijkstra. 3 De feiten 3.1. [eiser] is een onderneming die zich richt op het genereren van kwalitatieve leads voor zakelijke opdrachtgevers. In dat kader benadert [eiser] namens haar opdrachtgevers potentiële klanten, kwalificeert zij geïnteresseerde ‘prospects’ en draagt zij deze over voor verdere opvolging door de opdrachtgever. 3.2. [gedaagde] is een onderneming die zich richt op de bemiddeling van zorgprofessionals voor zorginstellingen. In het kader van haar dienstverlening werft, selecteert en plaatst zij zorgprofessionals bij haar opdrachtgevers en draagt zij zorg voor de verdere intake, planning en inzet van de zorgprofessionals. 3.3. Partijen zijn een overeenkomst van opdracht aangegaan waarbij [eiser] de eerste fase van het wervingsproces voor haar rekening neemt door potentiële zorgprofessionals te benaderen en geïnteresseerde kandidaten aan te leveren aan [gedaagde] . 3.4. Partijen spraken over het door [eiser] benaderen van 5000 prospects en over een looptijd van 2 december 2025 tot en met 31 maart 2026. [eiser] is aan het werk gegaan en heeft nadien een concept voor een door beide partijen te ondertekenen overeenkomst van opdracht opgesteld en aan [gedaagde] toegezonden. Tot ondertekening is het niet gekomen. Artikel 5 van de door [eiser] opgestelde conceptovereenkomst van opdracht vermeldt: “ Artikel 5- Opzegging overeenkomst 5.1. Het is Partijen niet toegestaan de onderhavige overeenkomst tussentijds op te zeggen mits blijkt dat na het benaderen van 1000 prospects de conversie van de prospects welke gaan werken namens Opdrachtgever onder de 1,5% is.” 3.5. Op 5 maart 2026 heeft [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] tussentijds opgezegd. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a. [gedaagde] veroordeelt om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiser] inzage te verschaffen in, dan wel afschrift te verstrekken van, de volgende gegevens en bescheiden: i. het aantal gewerkte uren van de door de campagne geactiveerde kandidaten; ii. het aantal door [gedaagde] ingeplande kandidaten bij externe opdrachtgevers, alsmede het aantal uren waarvoor deze kandidaten zijn ingepland; iii. inzicht in de wijze waarop de opvolging van de kandidaten heeft plaatsgevonden; iv. de gespreksverslagen; v. de intakegegevens; vi. de planningsinformatie; en vii. overige relevante gegevens waaruit de resultaten van de campagne blijken. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom ter hoogte van € 2.000,00 per dag voor elke dag of gedeelte van de dag vanaf het moment dat gedaagde niet aan de toegewezen vordering (zoals gevorderd onder sub a) heeft voldaan met een maximum van € 200.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, althans over een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, vanaf de dag dat de dwangsommen worden verbeurd tot de dag der algehele voldoening voor zover niet tijdig aan het in dezen te wijzen vonnis is voldaan; [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 4.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens [eiser] heeft zij voldaan aan de conversiegrens. Tot begin maart 2026 had zij toegang tot het systeem van [gedaagde] . Op basis daarvan heeft [eiser] geconstateerd dat het aantal extern ingeplande kandidaten bij opdrachtgevers van [gedaagde] boven de overeengekomen conversiegrens van 1,5% uitkwam. Kort nadat [eiser] dit inzicht met [gedaagde] had gedeeld, is de toegang tot het systeem op of rond 5 maart 2026 beëindigd. Sindsdien beschikt [eiser] niet meer over de gegevens die noodzakelijk zijn om de behaalde resultaten te verifiëren en de door [gedaagde] ingenomen standpunten te controleren. 4.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4.4. [gedaagde] voert het (onder meer) volgende aan. De looptijd van de overeenkomst tussen partijen was van 2 december 2025 en eindigt op 31 maart 2026. Volgens [gedaagde] is de overeenkomst rechtsgeldig beëindigd omdat op 26 februari 2026 is geconstateerd dat de conversie van 1,5% niet was behaald door [eiser] . Ten aanzien van de inzagevordering voert [gedaagde] aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing daarvan. 5 De beoordeling Het toetsingskader in kort geding 5.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiser] bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken. De inzagevordering 5.2. Voor het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens op grond van artikel 194 Rv moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft recht op afgifte tegenover degene die over deze gegevens beschikt. De informatie moet voldoende bepaald zijn en deze partij moet voldoende belang hebben bij het verzoek (lid 1). Degene die over de gegevens beschikt, hoeft de gegevens niet te verstrekken als hij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of andere gewichtige redenen zich verzetten tegen het verstrekken van de informatie (lid 2). 5.3. De voorzieningenrechter begrijpt [eiser] aldus dat zij bedoeld heeft de vordering onder a) te baseren op artikel 195 Rv in samenhang met artikel 194 Rv. 5.4. Artikel 195 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij die recht heeft op gegevens een wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van die gegevens. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Dit geldt niet als gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 194 lid 2 sub b Rv). De vorderingen van [eiser] worden afgewezen 5.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiser] in kort geding niet kunnen worden toegewezen. Daartoe is het volgende redengevend. 5.6. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt – samengevat – dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage als zij daarbij voldoende belang heeft. [eiser] lijkt meer, dan wel iets anders, te willen dan (louter) inzage in bestaande gegevens waarover [gedaagde] beschikt. De voorzieningenrechter wijst in dit verband naar de vordering onder a sub i t/m iii, vi en vii. [eiser] wil in feite op basis van de administratie van [gedaagde] kunnen controleren of [gedaagde] een volgens [eiser] met haar gesloten overeenkomst met een bepaalde inhoud correct is nagekomen en, zo nee, daar informatie aan ontlenen om een vordering op te baseren. De in sub iv. en v. gevorderde gespreksverslagen en intakegegevens bevatten naar alle waarschijnlijkheid privacygevoelige informatie waardoor [gedaagde] al om die reden niet verplicht is deze bescheiden te verstrekken aan [eiser] (artikel 194 lid 2 Rv). 5.7. Partijen hebben samengewerkt in het kader van een te sluiten overeenkomst van opdracht. Partijen zijn die samenwerking aangevangen, naar voorlopig oordeel, zonder echt goede afspraken te hebben gemaakt en in ieder geval zonder deugdelijke gezamenlijke vastlegging van werkbare afspraken. Kennelijk zijn zij de samenwerking aangevangen op basis van enig in het verleden tussen hen opgebouwd vertrouwen. Wel is duidelijk dat partijen, in ieder geval [gedaagde] , hebben beoogd afspraken over aan te gane verplichtingen te laten gelden voor een beperkte periode die afliep op 31 maart 2026. Verder is duidelijk dat [gedaagde] daarvoor al niet tevreden was en dat zij de samenwerking in ieder geval niet wilde continueren na die datum. [eiser] stelt dat op enig moment is voldaan aan een overeengekomen conversiegrens van 1,5% en dat daarmee voor haar een omslagpunt is bereikt waardoor het contract voor haar een enorme waarde kreeg. [gedaagde] betwist dat. Onduidelijk is op welke wijze, binnen welke periode en volgens welke criteria de (voortgang van de) opdracht tussentijds moest worden beoordeeld en wat de consequenties waren van het op een bepaald moment behalen van de conversiegrens, mede gelet op de beperkte resterende looptijd van de overeenkomst. Dat daarover voldoende duidelijke afspraken zijn gemaakt waarvan [eiser] nakoming kan vorderen, of waarop zij een substantiële vordering tot schadevergoeding kan baseren, is in dit kort geding niet gebleken. 5.8. Het ligt tegen deze achtergrond in de rede dat in het kader van een bodemprocedure eerst zal dienen te worden beoordeeld welke rechten en verplichtingen voor partijen over en weer voortvloeien uit de afspraken die (wel) zijn gemaakt en de werkzaamheden die zijn verricht. Dan kan nadien worden bepaald bij verstrekking van welke gegevens [eiser] voldoende belang heeft. Daar kan de voorzieningenrechter in dit geval niet in kort geding op vooruit lopen. 5.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Omdat vordering a) wordt afgewezen, hoeven vordering b) en c) geen verdere beoordeling. [eiser] moet de proceskosten betalen 5.10. [eiser] is in dit kort geding in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op het griffierecht van € 735,00. 5.11. De proceskostenveroordeling wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 258 Rv). 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 735,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 6.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. [4041/1729]

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/603775 · 2026-10-22
