Rechtbank Den Haag, 19-08-2026 (NL26.27042)
Status Not cited by any decision here yet
Judgment
Decision
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Verbatim, from the decision of the court. Read it in the text ↓
opvolgende asielaanvraag - Ivoorkust - overgelegde documenten - asielmotieven niet terecht niet geloofwaardig
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.27042 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Schluter). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het beroep van eiser gaat over het besluit van de minister waarbij eisers opvolgende asielaanvraag kennelijk ongegrond is verklaard. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de kennelijk ongegrondverklaring van de opvolgende asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de kennelijk ongegrondverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft terecht ongeloofwaardig geacht dat eiser is opgepakt en vastgehouden door de Forces Républicaines de la Côte d’Ivoire (FRCI) . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 22 augustus 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Nadat het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van deze aanvraag gegrond is verklaard in de uitspraak van 5 november 2025 , heeft de minister deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2026 kennelijk ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Overwegingen 3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en afkomstig uit Ivoorkust. Zijn etnische afkomst is Agni. Eerdere besluitvorming 4. Eiser heeft op 23 oktober 2012 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft toen naar voren gebracht dat de FRCI hem verdenken van het smokkelen van door voormalige aanhangers van Gbagbo geronselde rebellen vanuit Ghana naar Ivoorkust. De FRCI heeft eiser opgepakt en gevangengenomen, maar eiser wist te ontsnappen. Eiser vreest bij terugkeer naar Ivoorkust voor de FRCI. 4.1. De minister heeft de asielaanvraag bij besluit van 31 oktober 2012 afgewezen. Deze rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 juli 2013 ongegrond verklaard. Die uitspraak is op 31 december 2013 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. Daarmee staat de afwijzing van eisers eerdere asielaanvraag in rechte vast. 4.2. Op 22 augustus 2024 heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend. Die ligt nu voor. Eiser heeft de volgende stukken overgelegd: 1. een opsporingsbevel (in kopie); 2. een lidmaatschapsbewijs van het Front Populair Ivorien (FPI); 3. een onderzoeksrapport van [persoon] met een begeleidende brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 22 juli 2024; 4. een artikel over rechter Mori Kab. 5. een link naar een video op YouTube. Eiser wil met de overgelegde documenten onderbouwen dat hij in Ivoorkust nog steeds te vrezen heeft voor de FRCI, omdat hij wordt opgepakt. Eiser wil met de verwijzing naar de video zijn politieke activiteiten in Nederland onderbouwen. 4.3. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dat besluit in haar uitspraak van 5 november 2025 vernietigd. Het bestreden besluit 5. De minister heeft vervolgens een nieuw besluit op de aanvraag genomen, het bestreden besluit. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. 2. Eiser is opgepakt en vastgehouden door de FRCI. 3. Eiser heeft een politieke overtuiging. De minister gelooft asielmotieven 1 en 3, maar stelt dat eiser niet aannemelijk maakt dat hij hierdoor gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in Ivoorkust. De minister gelooft asielmotief 2 niet. De minister stelt vast dat het asielmotief ziet op het asielrelaas zoals eiser dat naar voren heeft gebracht bij de eerste asielaanvraag. Het staat in rechte vast dat dit relaas ongeloofwaardig is. De door eiser overgelegde documenten leiden niet tot een ander standpunt. Daarom wijst de minister de asielaanvraag af. Omdat sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, wijst de minister de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond. Het geschil 6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden aanvoert tegen het standpunt van de minister over asielmotieven 1 en 3. Dat is dus niet in geschil. Eiser voert wel beroepsgronden aan tegen het standpunt van de minister over asielmotief 2. In beroep gaat het dus om de vraag of de minister terecht stelt dat het niet geloofwaardig is dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade in Ivoorkust, omdat hij door de FRCI wordt opgepakt en vastgehouden. Mocht de minister beperkte waarde toekennen aan het opsporingsbevel? 7. De minister stelt dat het opsporingsbevel niet op echtheid kan worden onderzocht, omdat het een kopie betreft. Om die reden betrekt de minister eisers verklaringen over het opsporingsbevel bij de beoordeling van de waarde daarvan. Volgens eiser is dat onterecht. Daartoe voert eiser aan dat uit het arrest L.H. volgt dat documenten bij opvolgende aanvragen niet zomaar terzijde kunnen worden geschoven, enkel omdat de authenticiteit ervan niet vaststaat. Verder voert eiser aan dat de minister nader onderzoek had moeten doen, gelet op de samenwerkingsplicht die de minister heeft. Zo had de minister een individueel ambtsbericht over eiser kunnen opstellen of het TOELT onderzoek kunnen laten doen naar de lay-out en inhoud van het opsporingsbevel. Voor eiser is het niet mogelijk om documenten te overleggen van zijn strafdossier, omdat hij in bewijsnood verkeert. Daarbij wijst eiser op het rapport van [persoon] . 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser stelt, heeft de minister het opsporingsbevel niet terzijde geschoven omdat de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld. De rechtbank begrijpt dat de minister juist nader onderzoek heeft gedaan door een gehoor af te nemen en eiser vragen te stellen over (de wijze van verkrijging van) het opsporingsbevel. Daarmee heeft de minister invulling gegeven aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. Hiermee heeft de minister kunnen volstaan. Dat licht de rechtbank als volgt toe. 7.1.1. De vraag of de minister in een individuele zaak voldoet aan zijn samenwerkingsplicht, moet per geval worden beantwoord. Daarbij geldt dat het in beginsel eerst aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. In dit geval heeft eiser het opsporingsbevel alleen in kopie overgelegd. Een kopie kan echter niet op echtheid worden onderzocht, zodat de minister daaraan terecht minder bewijswaarde toekent. De minister heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag in de gelegenheid gesteld om te verklaren over het opsporingsbevel. Eiser heeft toen verklaard dat hij het opsporingsbevel van zijn tante in Ivoorkust heeft verkregen. Zijn tante heeft contact gezocht met iemand die dezelfde kerk bezocht en werkzaam is als ambtenaar, en gevraagd of die haar kan helpen om bewijs te verkrijgen. Eiser heeft ook verklaard dat hij niet weet hoe de ambtenaar het document heeft weten te verkrijgen, wie de ambtenaar is en op welke afdeling van welke organisatie de ambtenaar werkzaam is. 7.1.2. De minister stelt terecht dat eiser hiermee summier verklaart over de wijze waarop hij in het bezit is gekomen van het opsporingsbevel. Eiser geeft in beroep persoonsgegevens van de ambtenaar, maar de minister werpt eiser terecht tegen dat hij enkel een naam noemt van een persoon die algemeen directeur zou zijn van een microfinanciering kredietbank. Niet valt in te zien hoe een ambtenaar in die functie vervolgens aan het opsporingsbevel is gekomen. De enkele stelling dat de ambtenaar contacten heeft bij justitie, is daarvoor onvoldoende. Ook vindt de minister het terecht opmerkelijk dat eiser stelt doordrongen te zijn van het feit dat het van belang is om alle informatie te overleggen en mee te werken aan zijn asielaanvraag. Niet valt in te zien waarom eiser nu pas tot dit besef komt, zeker nu eisers eerste asielaanvraag dateert uit 2012. 7.1.3. Verder heeft de minister tijdens het gehoor aan eiser voorgehouden dat op het opsporingsbevel staat dat deze op 17 mei 2012 is afgegeven, terwijl eiser bij zijn eerste aanvraag heeft verklaard dat de FRCI zijn huis op 14 augustus 2012 is binnengevallen. Daarop heeft eiser verklaard dat hij vóór 14 augustus 2012 geen problemen heeft gehad met de FRCI en dat hij daarom veronderstelt dat het opsporingsbevel vóór de arrestatie is afgegeven. De minister stelt terecht dat dit niet overtuigt. Eisers enkele stelling in beroep, dat uit het Algemeen Ambtsbericht 2012 over Ivoorkust volgt dat het rechtssysteem in die periode al rammelde, maakt dit niet anders. 7.1.4. Verder staat in het rapport van [persoon] dat het heel verrassend zou zijn als iemand een officieel document verkrijgt. In specifieke omstandigheden zou het mogelijk zijn om een kopie te ontvangen. De rechtbank volgt eiser desondanks niet in zijn stelling dat hij in bewijsnood verkeert om andere, originele documenten uit zijn strafdossier te overleggen. Eiser onderbouwt namelijk niet en licht ook niet concreet toe waarom er een strafdossier voor hem is aangemaakt, en er dus meer stukken moeten zijn dan het opsporingsbevel. De enkele stelling dat dit zo is, is onvoldoende. 7.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister terecht concludeert dat eisers verklaringen over het opsporingsbevel niet overtuigen, en afbreuk doen aan de waarde die aan het opsporingsbevel moet worden gehecht. De samenwerkingsverplichting van de minister brengt om die reden niet mee dat de minister nader onderzoek moet doen (al dan niet in de vorm van het uitbrengen van een individueel ambtsbericht of nader documentenonderzoek). Eisers beroep op de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023 , verandert het oordeel niet. Anders dan in de zaak waarover die uitspraak gaat, heeft eiser geen origineel document overgelegd en stelt de minister terecht dat beperkte waarde toekomt aan het overgelegde document (het opsporingsbevel). Heeft de minister de integrale beoordeling juist uitgevoerd? 8. Eiser voert aan dat de minister alle documenten die zijn overgelegd integraal had moeten beoordelen met wat in de eerste asielprocedure is gesteld. Dit geldt zeker omdat bij de eerste procedure geen integrale beoordeling is verricht, maar is bekeken of het asielrelaas ‘positieve overtuigingskracht’ bezat (de zogenaamde ‘pok-toets’). 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de opvolgende aanvraag op de juiste manier beoordeeld. Uit de besluitvorming blijkt voldoende dat de minister de nieuwe elementen die eiser aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd in samenhang heeft beoordeeld met wat door eiser in de vorige asielprocedure is aangevoerd. Zo heeft de minister eisers verklaringen over de inval van de FRCI die hij heeft afgelegd tijdens de eerste asielprocedure, afgezet tegen de afgiftedatum van het opsporingsbevel. 8.1.1. Voor wat betreft het lidmaatschapspas van FPI, stelt de minister terecht dat dit niets zegt over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over de zijn problemen met de FRCI. Dat eiser lid is geweest van het FPI en aanhanger is van Gbagbo wordt door de minister ook geloofd en is beoordeeld onder asielmotief 3. 8.1.2. Over het rapport van [persoon] stelt de minister terecht dat [persoon] uitgaat van een geloofwaardig asielrelaas, terwijl dat juist niet (in rechte) vaststaat. Dat in het rapport ook staat dat mensen van de Agni-etniciteit worden gelinkt aan het FPI en politiek en etnisch worden vervolgd en recent (in 2020) nog een arrestatie is geweest van de leider van het FPI, leidt niet tot een ander oordeel. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom deze informatie relevant is voor asielmotief 2. 8.1.3. Eiser wijst er verder op dat in het rapport staat dat de situatie rondom de grens (waar eiser woonde) in 2012 veranderde toen sprake was van een harde aanpak tegen het smokkelen van opposanten over de grens. Er zijn talrijke gevallen van (ongedocumenteerde) incidenten van vervolgingen van mensen die steun boden aan de oppositiepartij. De rechtbank is het met eiser eens dat deze informatie contextinformatie bevat over de tijdlijn van zijn asielrelaas, maar dat betekent niet dat zijn asielrelaas geloofwaardig moet worden geacht. De minister stelt terecht dat deze, algemene informatie nog niets zegt over de geloofwaardigheid van eisers persoonlijke problemen. 8.1.4. Voor wat betreft het overgelegde artikel over rechter Mori Kab, licht eiser toe dat deze naam staat vermeld op het opsporingsbevel. Eiser heeft op de zitting echter ook erkend dat dit artikel verdere relevantie mist voor de beoordeling van dit asielmotief. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht het asielmotief 2 ongeloofwaardig geacht en de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. De FRCI is het nationale leger van Ivoorkust. Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20528. Zaaknummer NL26.27043. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, 16 juli 2013, zaaknummer AWB 12/34516 (niet gepubliceerd). ABRvS 31 december 2013, zaaknummer 201307016/1/V4 (niet gepubliceerd). De minister noemt als datum 31 december 2012 maar heeft die uitspraak niet overgelegd. De rechtbank gaat er vanuit dat dit een kennelijke verschrijving is. Op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, zoals die bepalingen luidden vóór 12 juni 2026. HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478. Team Onderzoek en Expertise Land en Taal. Vergelijk ABRvS 26 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208. Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn, omgezet in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, zoals die luidde vóór 12 juni 2026. Vergelijk rb. Den Haag, zp. Arnhem, 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, onder 7.1.3. Op 22 april 2025. Pagina’s 3, 4 en 5 van het verslag nader gehoor van 22 april 2025. Pagina 11 van het verslag van het nader gehoor van 22 april 2025. Pagina’s 34 en 36. Paragraaf 6.2. van het rapport. ABRvS 5 april 2013, ECLI:NL:RVS:2023:1316.