Rechtbank Midden-Nederland, 23-06-2026 (25/5485)
Belastingdienst - gegevensverwerking in Fraude Signalering Voorziening - aansprakelijkstelling - afwijzing verzoek tot schadevergoeding - geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit - beroep ongegrond.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5485 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en De minister van Financiën (gemachtigde: mr. E. Ligt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een aansprakelijkstelling die eiser heeft verzonden aan de minister, en die door de minister is opgevat als een aanvraag tot schadevergoeding. De minister heeft het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat die afwijzing geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat de afwijzing van de aanvraag wel degelijk een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 20 januari 2025 de minister aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden schade door de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens van eiser door de Belastingdienst in de zogenaamde Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister heeft de aansprakelijkstelling opgevat als een aanvraag tot schadevergoeding en de aanvraag bij brief van 18 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Is de brief van de minister van 18 april 2025 een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit? 3. Eiser voert aan dat de minister zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de brief van 18 april 2025 wel degelijk een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 juni 2025 . In die uitspraak heeft de ABRvS geoordeeld dat de 263.000 afsluitende brieven FSV (zogenaamde beslisbrieven) die de minister stuurde aan FSV geregistreerde personen wel degelijk besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, waartegen dus ook bezwaar en beroep open staat. Eiser is van oordeel dat de brief van 18 april 2025 ook een beslisbrief is. 4. De beroepsgrond slaagt niet. De brief van 18 april 2025 brief is namelijk geen beslisbrief zoals bedoeld in de uitspraak van de ABRvS van 18 juni 2025, maar een beslissing op een aanvraag tot schadevergoeding op grond van artikel 82, eerste lid van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De beslisbrief waarover de ABRvS heeft geoordeeld dat het een besluit is als bedoeld in de Awb heeft betrekking op de beslissing tot toekenning of afwijzing van een forfaitaire tegemoetkoming op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid van de minister. Dat is wat anders. 5. De minister heeft de brief van eiser van 20 januari 2025 dus terecht niet opgevat als een beslisbrief maar als een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking van gegevens in de FSV. De ABRvS heeft in een soortgelijke zaak geoordeeld dat de beslissing op een dergelijk verzoek geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is . De ABRvS verwijst daarbij naar de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns). In artikel V, tweede lid van de Wns staat dat titel 8.4 van de Awb niet van toepassing is op schade veroorzaakt door besluiten of handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. In die situatie is artikel 8:73 (oud) van de Awb van toepassing. Daaruit volgt dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een oordeel te geven over een verzoek om schadevergoeding als dat verzoek gedurende een bij hem aanhangige beroepsprocedure is gedaan, of als er sprake is van een zuiver schadebesluit waarbij de bestuursrechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. 6. Daar is hier geen sprake van. Het verzoek om schadevergoeding ziet op de verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst. Dit is een feitelijke handeling en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat er geen sprake is van een verzoek om schadevergoeding gedurende een aanhangige beroepsprocedure. 7. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat het hier gaat om een besluit van de Belastingdienst op grond van de AVG, en dus niet om belastingen of belastingaanslagen, waardoor de uitzondering van artikel V, tweede lid van de Wns niet op gaat. Besluitvorming op grond van de AVG is namelijk geen specifieke taak van de Belastingdienst. 8. Dit betoog slaagt niet, aangezien de verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst waar het hier om gaat uiteindelijk plaatsvindt in de context van de kerntaken van de Belastingdienst, namelijk het innen van belastingen. Dat is immers de reden dat de Belastingdienst persoonsgegevens verwerkt. Een verzoek tot schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking van die persoonsgegevens ziet dus op schade veroorzaakt door besluiten of handelingen verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. De minister heeft dus terecht geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. 9. Dit oordeel zou niet anders zijn als, zoals eiser op de zitting heeft aangevoerd, zijn brief van 20 januari 2025 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid van de Awb. Mocht er inderdaad geen sprake zijn van een aanvraag, dan zou dit niets veranderen aan de beslissing op bezwaar. Ook in dat geval zou de brief van 18 april 2025 namelijk niet kwalificeren als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, aangezien een beslissing op een niet gedane aanvraag geen besluit is. Het bezwaar zou dus in die situatie ook niet-ontvankelijk zijn. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730. ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891.