Rechtbank Overijssel, 08-07-2026 (ZWO 25/2439)
Rechthebbende particuliere grafruimte. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in 2008 geen rechthebbende geworden van de particuliere grafruimte. Dat hij de grafrechten heeft voldaan is daartoe in ieder geval onvoldoende. Volgens artikel 28, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging kan een uitsluitend recht op een graf enkel schriftelijk worden gevestigd. Dat is niet gebeurd. Evenmin heeft eiser destijds een aanvraag daartoe ingediend bij het college. Het beroep is ongegrond.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/2439 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], (gemachtigde: mr. M.A. Jansen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om [eiser] niet als rechthebbende aan te wijzen op een particulier graf op begraafplaats Selwerderhof te Groningen. [eiser] is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek van [eiser], om als rechthebbende op een graf te worden aangewezen, heeft kunnen afwijzen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Op 14 juni 2023 (met aanvulling op 27 juni 2023) heeft [eiser] per e-mail een verzoek ingediend bij het college om als rechthebbende aangemerkt te worden op een particulier graf op de begraafplaats Selwerderhof te Groningen. Dit is een graf van drie verdiepingen waarin onder meer zijn zus en nichtje zijn begraven. 4. Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft het college het verzoek van [eiser] om als rechthebbende op het graf te worden aangemerkt afgewezen. 5. Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing van zijn aanvraag gebleven. 6. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 7. De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 september 2025 in een verwijzingsbeslissing de behandeling van het beroep ter verdere behandeling doorverwezen naar de rechtbank Overijssel. 8. Bij de toezending van de op het geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank Noord-Nederland, heeft het college de rechtbank bij e-mail van 7 augustus 2025 verzocht om artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen op de naam en adresgegevens van de belanghebbende, die bij de gemeente Groningen als uitsluitend rechthebbende op de grafruimte staat geregistreerd.. 9. Bij beslissing van 4 november 2025 heeft de geheimhoudingskamer bepaald dat de beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is, omdat het gaat om vertrouwelijke persoonsgegevens. 10. De rechtbank heeft de bij de gemeente Groningen als uitsluitend rechthebbende geregistreerde belanghebbende benaderd met de vraag of deze als derde-partij wenst deel te nemen aan dit geding. Op deze vraag heeft de rechtbank geen reactie ontvangen. De rechtbank neemt daarom aan dat de als uitsluitend rechthebbende op de grafruimte geregistreerde belanghebbende niet wenst deel te nemen aan dit geding. 11. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond 12. De zus van [eiser] is overleden op [overlijdensdatum] 2008 en op 23 oktober 2008 begraven op de begraafplaats Selwerderhof, in het graf met nummer [nummer]. In dit graf ligt ook haar dochter, het nichtje van [eiser]. [eiser] zus was rechthebbende op het graf. 13. [eiser] heeft in 2008 (via [bedrijf] B.V.) de grafrechten betaald. 14. Het college heeft [eiser] in 2008 driemaal aangeschreven en een formulier opgestuurd om een aanvraag in te dienen om als rechthebbende aangewezen te worden op het grafrecht. [eiser] heeft het betreffende formulier niet geretourneerd. 15. De grafrechten zijn tot 2013 op naam blijven staan van zijn overleden zus. In 2013 is de ex-partner van zijn zus en vader van zijn nichtje overleden en ook begraven in het graf. In 2013 is het grafrecht overgeschreven op naam van een (andere) nicht van [eiser], tot 2023. 16. Op 14 juni 2023 heeft [eiser] contact gezocht met het college omdat hij in de veronderstelling was rechthebbende te zijn op het graf en heeft hij het college verzocht, indien dit niet het geval was, hem toch als rechthebbende aan te merken. 17. Het college heeft bij besluit van 1 augustus 2023 het verzoek van [eiser] afgewezen, omdat het recht op het graf nooit schriftelijk op zijn naam is gevestigd en het grafrecht sinds 2008 tweemaal is overgeschreven (in 2013 en 2023) en er inmiddels een andere rechthebbende is. Het beroep 18. [eiser] stelt zich primair op het standpunt dat hij in 2008 rechthebbende is geworden van de particuliere grafruimte, omdat hij in 2008 de grafrechten heeft voldaan. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij in 2008 een schriftelijke aanvraag heeft ingediend bij het college om rechthebbende te worden van het graf. Het college heeft vervolgens nooit beslist op zijn aanvraag. De overschrijvingen van het grafrecht in 2013 en 2023 zijn daarom onrechtmatig geweest. Het bezwaarschrift van [eiser], gericht tegen het besluit van 1 augustus 2023, moet geacht worden mede te zijn gericht op de besluiten tot overschrijvingen van het grafrecht in 2013 en 2023. De beoordeling 19. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] in 2008 geen rechthebbende geworden van de particuliere grafruimte. Dat hij (via [bedrijf]) de grafrechten heeft voldaan is daartoe in ieder geval onvoldoende. Uit artikel 28, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging volgt dat een uitsluitend recht op een graf enkel schriftelijk kan worden gevestigd. Dat is niet gebeurd. [eiser] heeft zijn standpunt, dat hij desondanks in 2008 rechthebbende is geworden van het graf, verder niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet. 20. De rechtbank overweegt verder dat [eiser] evenmin in 2008 een aanvraag heeft ingediend om rechthebbende te worden op het graf. 20.1. Volgens artikel 18, tweede lid, van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Groningen 2023 kon, na het overlijden van de rechthebbende op een graf, binnen een jaar op aanvraag het recht worden overgeschreven op een bloed- of aanverwant. Uit het dossier blijkt dat een medewerker van [bedrijf] op 20 oktober 2008 op het aanmeldformulier voor de begrafenis van de zus van [eiser] een handgeschreven aantekening heeft gemaakt dat de broer rechthebbende wordt, onder vermelding van zijn persoonsgegevens. Dit formulier is echter bestemd om de begrafenis als plechtigheid aan te melden en is ingediend bij de daarvoor bestemde functionaris: de beheerder van de begraafplaats. Maar een aanvraag om een grafrecht op naam overgeschreven te krijgen moet schriftelijk worden ingediend bij het college. 20.2. Dat het college – naar aanleiding van de notitie van de medewerker van [bedrijf] – [eiser] meerdere malen heeft aangeschreven, met het verzoek om het bijgevoegde aanvraagformulier in te vullen en te retourneren, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat hieruit blijkt dat het college een schriftelijke aanvraag in behandeling heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aantekening van de medewerker van [bedrijf] op het aanmeldformulier voor de begrafenisplechtigheid niet worden aangemerkt als zo’n schriftelijke aanvraag van [eiser]. Volgens de uitleg van het college ter terechtzitting dient een dergelijke aantekening van de begrafenisondernemer in de praktijk om het college te informeren over de door de familie gewenste nieuwe rechthebbende op het graf, waarna het college met de betreffende persoon contact opneemt voor de officiële aanvraag middels het daarvoor bestemde formulier. Uit niets blijkt dat [bedrijf] hierbij is opgetreden als gemachtigde van [eiser], zoals [eiser] stelt. En voor zover er al vanuit moet worden gegaan dat [bedrijf] optrad als gemachtigde van [eiser] heeft het de aanvraag bij het verkeerde bestuursorgaan ingediend middels een formulier dat daartoe niet bestemd is, maar bedoeld is om een begrafenisplechtigheid aan te melden. 20.3. Het college heeft vervolgens gepoogd om [eiser] een geldige aanvraag te laten indienen voor overschrijving van het grafrecht. Dit is uiteindelijk niet gebeurd, wat er verder ook zij van de reden voor het niet retourneren van de aanmeldformulieren. De rechtbank is van oordeel dat het college op dit punt niet onzorgvuldig heeft gehandeld, maar dat het veeleer op de weg van [eiser] lag – als hij daadwerkelijk meende middels [bedrijf] een aanvraag te hebben gedaan – om op enig moment te informeren naar (het uitblijven van) een schriftelijke bevestiging van het grafrecht. 20.4. Nu er in 2008 geen aanvraag is ingediend, had het college dus niet een besluit hoeven nemen over het overschrijven van het grafrecht op naam van [eiser]. 21. Tot slot overweegt de rechtbank dat het standpunt van [eiser] dat zijn bezwaarschrift ook geacht moet worden te zijn gericht tegen de overschrijvingsbesluiten van 2013 en 2023 van het grafrecht, niet gevolgd kan worden. Uit het bezwaarschrift blijkt onomstotelijk dat het bezwaar is gericht tegen het besluit van het college van 1 augustus 2023 waarin zijn verzoek om als rechthebbende op het graf te worden aangemerkt, wordt afgewezen. Een tegen een specifiek besluit ingediend bezwaarschrift kan niet gedurende de procedure wijzigen in een bezwaarschrift dat alsnog (mede) is gericht tegen twee andere besluiten. 22. Het beroep slaagt niet. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.