Rechtbank Amsterdam, 30-06-2026 (13/30321 7-23)
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag en het gewoontewitwassen van meerdere grote geldbedragen, met een totale waarde van € 2.913.945,-. Ten aanzien van het gewoontewitwassen: Uit de SkyECC-chats volgt dat verdachte zich bezighield met een vorm van ondergronds bankieren. Voor de conclusie dat er sprake was van een vorm van ondergronds bankieren van legale gelden (hawala-bankieren) biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen enkel aanknopingspunt, noch voor een legale herkomst van de geldbedragen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de ouderdom van de feiten, acht de rechtbank, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
How it connects
Related across sources
Full text
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/303217-23 en 13/226940-23 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 30 juni 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna te noemen: verdachte. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft op de eerdere pro-forma zitting van 16 februari 2024 de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 13/303217-23 (onderzoek Raveo) en 13/226940-23 (onderzoek Gaidrop) zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is, samengevat, tenlastegelegd dat hij zich ten aanzien van zaak A: 1. in de periode van 18 januari 2020 tot en met 6 maart 2021 in Nederland heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van € 285.000,- op 18 januari 2020, een geldbedrag van € 1.475.495,- op 10 april 2020, een geldbedrag van € 673.450,- op 15 juni 2020, een geldbedrag van € 400.000,- op 24 september 2020 en een geldbedrag van € 80.000,- op 6 maart 2021, met een totale waarde van € 2.913.945,-. ten aanzien van zaak B: 1. op 7 september 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen van € 112.000,-. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst zaak B en daarna zaak A bespreken. Zaak B: 3.1.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden . Op 7 september 2023 ziet de politie in de [straatnaam] in Amsterdam een auto die, volgens de politie, opvallend rijgedrag vertoont. Kort daarna wordt de auto geparkeerd en stapt de bestuurder, die later [naam] blijkt te zijn, uit. De politie ziet dat [naam] heen en weer loopt, terwijl hij aan het bellen is en steeds om zich heen kijkt. Volgens de politie komt [naam] zenuwachtig over. Vijf minuten later arriveert een man op een fiets. Later blijkt dat dit verdachte is. [naam] overhandigt aan verdachte twee dozen die hij daarvoor uit zijn auto heeft gepakt. Verdachte legt de dozen in zijn fietskrat en fietst weg. Kort daarna wordt verdachte staande gehouden, omdat de politie vermoedt dat er was gehandeld in verdovende middelen. De politie ziet dat verdachte vervolgens erg zenuwachtig is, dat zijn mondhoeken samentrekken en dat hij aan het ijsberen is. Verdachte verklaart: “Ik hoef niet mee te werken, er zit wel wat in de dozen, maar ik zeg niet wat, ik wil mijn advocaat spreken.” De politie ziet na het bevragen van zijn persoonsgegevens dat verdachte antecedenten heeft op het gebied van handel in verdovende middelen en witwassen. Op basis van het gedrag van verdachte, tezamen met zijn nervositeit en antecedenten, besluit de politie om verdachte aan te houden, wegens een redelijk vermoeden dat er geld of harddrugs in de dozen zit. In één van de dozen wordt vervolgens een geldbedrag van € 22.195,- aangetroffen en in de andere doos een geldbedrag van € 90.000,-. Na onderzoek van de inhoud van de telefoon van [naam] blijkt dat [naam], voorafgaand aan de overdracht, op Snapchat van iemand een codewoord heeft ontvangen (‘Audi’). ‘Het’ kon worden afgegeven als dit codewoord werd gezegd. Na de overdracht heeft [naam] gestuurd dat het ‘gefixt’ was. 3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie Met betrekking tot de door de politie ingezette dwangmiddelen heeft de officier van justitie, daarnaar gevraagd, zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de staandehouding nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, maar daar verder geen consequenties aan verbonden. Gelet op de overdracht van twee dozen, de nervositeit van verdachte en zijn antecedenten, was er volgens de officier van justitie wel sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit op het moment dat verdachte werd aangehouden. De aanhouding was daarom rechtmatig. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De officier van justitie vindt dat, in het licht van het eveneens bewezen te verklaren feit in zaak A, bewezen kan worden dat verdachte ook in zaak B van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De officier van justitie vindt dat het onderdeel medeplegen niet bewezen kan worden en heeft verzocht om verdachte hiervan vrij te spreken. 3.1.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit waardoor zowel de staande- en aanhouding als ook de daaropvolgende inbeslagname van de dozen onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Het handelen van de politie levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is een essentieel strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate geschonden. Het nadeel van verdachte bestaat uit een schending van zijn recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid (artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna: EVRM) en een schending van zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). Ook indien geen schending van het EVRM wordt aangenomen verzoekt de raadsman een signaal af te geven voor toekomstige zaken. Om deze reden moet het geldbedrag dat in de dozen is aangetroffen als ‘fruit of the poisonous tree’ worden uitgesloten van het bewijs, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit. 3.1.4. Het oordeel van de rechtbank 3.1.4.1. Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering? De rechtbank dient naar aanleiding van het gevoerde verweer te beoordelen of rechtmatig is gehandeld bij de opsporing. Zij overweegt hierover als volgt en gaat daarbij uit van de feiten en omstandigheden als genoemd onder 3.1.1. Verdachte is staande gehouden op basis van een verdenking van het handelen in verdovende middelen, dan wel witwassen. Deze verdenking is volgens het proces-verbaal gebaseerd op de waargenomen overdracht van twee dozen en het feit dat [naam] voorafgaand aan die overdracht aan het bellen is, steeds om zich heen kijkt en een zenuwachtige indruk maakt. De rechtbank is van oordeel dat deze waarnemingen op zichzelf onvoldoende waren om te komen tot een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan de handel in verdovende middelen of aan witwassen. De staandehouding heeft daarom onrechtmatig plaatsgevonden. Dit leidt tot een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat verdachte na zijn staandehouding erg zenuwachtig overkwam en aan het ijsberen was. Verdachte verklaarde hierna dat er wel wat in de dozen zat, maar dat hij niet wilde vertellen wat dat was. De politie zag vervolgens dat verdachte antecedenten had op het gebied van handel in verdovende middelen en witwassen. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit de processen-verbaal van bevindingen met nummer 2023202880 op pagina C039 en C041 van het voorgeleidingsdossier AD3R023101 Raveo in zaak A volgt dat deze antecedenten zo moeten worden begrepen dat verdachte in 2020 aanbelde bij een woning waar op dat moment politie aanwezig was en waar 650 kilo amfetamine en een groot geldbedrag werden aangetroffen. Daarnaast zou verdachte indertijd blijkens TCI-informatie op een zogeheten dodenlijst staan. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van waarnemingen van de politie voorafgaand aan de overdracht van de dozen, de overdracht zelf, het gedrag van verdachte na de staandehouding en deze ‘antecedenten’ maakt dat er op dat moment wel sprake was van feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit rechtvaardigden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inbeslagname van de doos en de daaropvolgende aanhouding rechtmatig hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de gevolgen die moeten verbonden aan het geconstateerde vormverzuim als gevolg van de onrechtmatige staandehouding overweegt de rechtbank als volgt. De staandehouding van verdachte had niet zo mogen plaatsvinden. Met dit vormverzuim is inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van verdachte. Het nadeel voor verdachte bestaat uit een onrechtmatige schending van zijn recht op vrijheid, terwijl het juist de strafwet is die hem daartegen beschermt. Deze normschending levert echter niet een inbreuk op het recht op een eerlijk proces op. De ernst van de normschending en het daaruit voortvloeiende nadeel zijn beperkt gebleven. Onmiddellijk nadien zijn er omstandigheden gebleken die, zoals hiervoor omschreven, wél een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit en de daarop volgende aanhouding rechtvaardigden. Dat ook een strafbaar feit werd vastgesteld, kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. De rechtbank heeft de ernst van de normschending en het daaruit ontstane nadeel gewogen en concludeert dat de deze in de onderhavige zaak geen zodanig ingrijpende inbreuk op een grondrecht van verdachte opleveren dat dit, al dan niet met het oog op het voorkomen van soortgelijke inbreuken, tot toepassing van bewijsuitsluiting moet leiden. De rechtbank is van oordeel dat het vormverzuim niet hoeft te leiden tot enig rechtsgevolg en volstaat met de enkele constatering van het verzuim. 3.1.4.2. Bewijsoordeel De vraag die door de rechtbank beantwoord dient te worden is of kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van € 112.000,- en zo ja, of hij hier een gewoonte van heeft gemaakt. Juridisch kader witwassen Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het betreffende voorwerp of geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de voorwerpen. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen worden bewezen. Vermoeden van witwassen De rechtbank is van oordeel dat uit de wijze van vervoer en het afleveren van de dozen met een codewoord, in combinatie met de hoogte van het bedrag, zonder meer een vermoeden van witwassen volgt. Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Na aanvankelijk te hebben gezwegen bij de politie en de rechter-commissaris, heeft verdachte ter terechtzitting over de herkomst van het geld verklaard dat dit geld afkomstig is van een bevriende advocaat uit Marokko. Verdachte heeft verklaard dat die vriend met dit geld een auto in Duitsland wilde kopen en dat het geld dat verdachte heeft aangenomen bestemd was voor een autohandelaar. Verdachte heeft niet verteld wat de achternaam van deze vriend uit Marokko is, ook heeft hij niet gezegd wie de autohandelaar was. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank enigszins concreet, maar bij gebrek aan aanknopingspunten volstrekt onverifieerbaar en om die reden onvoldoende om het witwasvermoeden te weerleggen. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het tenlastegelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Voorwaardelijk opzet Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er geld in de dozen zat toen ze aan hem werden overgedragen. Hij wist niet hoeveel geld het precies was, maar wel dat het voldoende was om er een auto van te kopen. Hij heeft zijn vriend niet gevraagd naar de herkomst van het geld. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte (tenminste) sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op witwassen. Uit de manier waarop de dozen zijn overgedragen en de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, volgt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld in de dozen van enig misdrijf afkomstig was en dat hij zich aldus schuldig maakte aan witwassen. Hoewel bij verdachte aangetroffen bedragen optellen tot een bedrag van € 112.195,-, zal de rechtbank, gelet op de tenlastelegging, komen tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde bedrag van € 112.000,-. Vrijspraak van medeplegen De rechtbank vindt niet dat kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam]. Verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het onderdeel medeplegen. Vrijspraak van gewoontewitwassen De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. Verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het onderdeel gewoontewitwassen. Zaak A: 3.2.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 5 oktober 2023 is het onderzoek Raveo gestart naar aanleiding van verstrekte informatie uit onderzoek Argus met betrekking tot SkyECC-data. In het onderzoek Argus zijn versleutelde berichten, verzonden via aanbieder SkyECC, beschikbaar gekomen en (deels) leesbaar gemaakt, waarbij SKY-account [SKY-account 1] in beeld is gekomen. Uit onderzoek naar de metadata heeft de politie het vermoeden gekregen dat de gebruiker van Sky-account [SKY-account 1] ook gebruik heeft gemaakt van de SkyECC-accounts [SKY-account 2] en [SKY-account 3]. Op basis van de chatberichten die door de gebruiker van deze accounts zijn verzonden, heeft de politie het vermoeden gekregen dat deze gebruiker geldbedragen heeft witgewassen. De politie vermoedt dat het verdachte was die gebruik maakte van deze SkyECC-accounts. De inhoud van de gesprekken die met behulp van deze Sky-ECC-accounts werden gevoerd heeft bij de politie geleid tot een vermoeden van witwassen. 3.2.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van € 2.913.945,- kan worden bewezen. 3.2.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van gewoontewitwassen, omdat uit het dossier geen aanwijzingen volgen waaruit een gerechtvaardigd vermoeden kan worden ontleend dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het ondergronds bankieren van legale gelden (hawala-bankieren) niet automatisch leidt tot een bewezenverklaring van witwassen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het vijfde gedachtestreepje, omdat niet kan worden bewezen dat de geldtransactie van € 80.000,- tot een overdracht heeft geleid. Ten aanzien van de overige geldtransacties heeft de raadsman geen verweer gevoerd. 3.2.4. Oordeel van de rechtbank Identificatie gebruiker SKY-accounts De rechtbank concludeert op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de bewijsmiddelen dat verdachte de gebruiker is geweest van de SkyECC-accounts [SKY-account 1], [SKY-account 2] en [SKY-account 3]. Geldtransacties van € 285.000,-, € 1.475.495,-, € 673.450,- en € 400.000,- Uit de SkyECC-chats van voornoemde accounts volgt dat verdachte zich bezighield met een vorm van ondergronds bankieren. Daarbij ging het om overdrachten van contant geld met een totale waarde van € 2.913.945,-. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij betrokken is geweest bij de overdracht van vier geldtransacties, te weten de transactie van € 285.000,- op 18 januari 2020, de transactie van € 1.475.495,- op 10 april 2020, de transactie van € 673.450,- op 15 juni 2020 en de transactie van € 400.000,- op 24 september 2020 en dat deze geldtransacties geslaagd zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij een toezichthoudende rol heeft gehad, waarbij hij erop moest toezien dat de geldbedragen daadwerkelijk werden overgedragen. Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte betrokken is geweest bij de voornoemde geldtransacties en dat al deze overdrachten geslaagd zijn. Geldtransactie van € 80.000,- Voor de geldtransactie van € 80.000,- op 6 maart 2021 geldt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij hier wel betrokken bij is geweest, maar dat deze geldtransactie uiteindelijk niet is geslaagd. De rechtbank acht echter bewezen dat ook de geldtransactie op 6 maart 2021 is geslaagd en overweegt daartoe als volgt. Uit de chats blijkt dat ‘[SKY-account 4]’ in een groepschat aan ‘[SKY-account 5]’ vraagt of hij ‘80k’ aan ‘[gebruikersnaam]’ kan geven. “[gebruikersnaam]” is een van de gebruikersnamen van het SKYECC-account [SKY-account 3] dat toebehoort aan verdachte. ‘[SKY-account 5]’ geeft vervolgens aan dat dat kan en dat hij met “hem” is. Vervolgens stelt [SKY-account 3] (hierna: verdachte) in dezelfde groepschat een tijdstip en locatie voor. Nog vóór het afgesproken tijdstip stuurt verdachte: “Hij is er”, “Yo”, “Ok”, “Oktop”. De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde chatgesprekken, waarbij verdachte zegt dat “hij’ er is en vervolgens “Oktop” stuurt, volgt dat de geldtransactie daadwerkelijk is uitgevoerd. Criminele herkomst Dat er sprake is geweest van een vorm van ondergronds bankieren is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat er sprake is geweest van een criminele herkomst van de betrokken geldbedragen. Daarvoor is meer nodig. De vraag is of er in het onderhavige geval voldoende indicatoren zijn om een vermoeden te rechtvaardigen dat er sprake is van een criminele herkomst van de geldbedragen. In de praktijk is er een vorm van ondergronds bankieren ontwikkeld die niet (noodzakelijkerwijs) de overdracht van criminele gelden betreft, veelal aangeduid als ‘hawala-bankieren’. Ook bij hawala-bankieren wordt geld buiten het gereguleerde circuit van financiële instellingen om overgedragen, om moverende redenen van de gebruikers, zoals bijvoorbeeld een gebrek aan vertrouwen in financiële instellingen, lagere commissies of de onmogelijkheid van overdracht van gelden tussen twee landen (bijvoorbeeld in verband met sancties). Dit kunnen ook legaal verdiende gelden voor een legaal doeleind betreffen. Om die reden is het feit dat er sprake is van ondergronds bankieren op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een criminele herkomst van de gelden, maar, anders dan de verdediging stelt, is het wel (ook) een indicator waarop het vermoeden van een criminele herkomst van de betrokken geldbedragen mede kan worden gebaseerd. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat het ondergronds bankieren ook wijdverspreid is in de criminele wereld en daar gebruikt wordt om geldtransacties te onttrekken aan het zicht van toezichthoudende instanties. De rechtbank overweegt dat er in de onderhavige zaak meerdere indicatoren zijn voor een criminele herkomst van de genoemde geldbedragen. Veel van de overdrachten van de gelden vonden blijkens de inhoud van de chats plaats op wisselende, openbare plekken, hetgeen ook door verdachte ter terechtzitting is bevestigd. Dergelijke openbare overdrachten van grote contante geldbedragen brengen veiligheidsrisico’s met zich mee en zijn niet noodzakelijk voor ondergronds bankieren met betrekking tot legale gelden. Het gebruik van tokens bij de overdracht van gelden, waarvan blijkt uit de chatberichten op 18 januari 2020 en 24 september 2020, is dat evenmin. Dit zijn indicatoren van een criminele herkomst van de gelden. Ook het gebruik van het versleutelde communicatienetwerk SkyECC (waarvan inmiddels vaststaat dat deze op grote schaal in de criminele wereld gebruikt werd) is een aanwijzing dat men een grote mate van verhulling en anonimiteit zocht bij de overdracht van de geldbedragen. Ook dat is niet kenmerkend voor het ondergronds bankieren van legale gelden en is een indicator van een criminele herkomst van de geldbedragen. Daarnaast gaat het om overdrachten van grote contante geldbedragen, vaak van vele tonnen per transactie, met een totale waarde van € 2.913.945,-, terwijl het doel van de transacties en de herkomst van de bedragen volstrekt onduidelijk zijn. Voor de conclusie dat er sprake was van een vorm van ondergronds bankieren van legale gelden (hawala-bankieren) biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen enkel aanknopingspunt, noch voor een legale herkomst van de geldbedragen. Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien maakt dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat de geldbedragen een criminele herkomst hadden. Uit de SkyECC berichten zijn geen aanwijzingen voor een concreet gronddelict af te leiden. Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Na aanvankelijk te hebben gezwegen bij de politie en de rechter-commissaris, heeft verdachte ter terechtzitting over de herkomst van de geldbedragen verklaard dat deze afkomstig waren van een vroegere vriend die zich bezighoudt met diamantenhandel in Antwerpen. Verdachte heeft niet verteld wat de achternaam van deze vriend is. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring en is om die reden onvoldoende om het witwasvermoeden te weerleggen. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Bij deze stand van zaken vindt de rechtbank dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat medeplegen kan worden bewezen. Dat verdachte een meer dan marginale rol heeft gespeeld bij de geldtransacties volgt uit de inhoud van de SkyECC-chats. Met betrekking tot de overdracht op 18 januari 2020 is het verdachte die akkoord geeft voor de overdracht, vraagt om een token en later een foto van het token verstuurt. Op 10 april 2020 is verdachte de ontvangende partij van de overdracht, informeert hij over het tijdstip en de locatie van de overdracht en stuurt hij degene die het geld fysiek in ontvangst neemt aan. Dezelfde rol speelt verdachte bij de overdrachten op 15 juni 2020 en 24 september 2020. Met betrekking tot de transactie op 6 maart 2021 is het verdachte die het tijdstip en de locatie van de overdracht voorstelt. Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte een coördinerende rol had bij de vijf bewezenverklaarde geldtransacties. Gewoontewitwassen Het witwassen had een zodanige omvang en continuïteit dat naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde: in de periode van 18 januari 2020 tot en met 6 maart 2021, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen met een totale waarde van 2.913.945,00 euro, namelijk - op 18 januari 2020, een geldbedrag van 285.000,00 euro en - op 10 april 2020, een geldbedrag van 1.475.495,00 euro en - op 15 juni 2020, een geldbedrag van 673.450,00 euro en - op 24 september 2020, een geldbedrag van 400.000,00 euro en - op 6 maart 2021, een geldbedrag van 80.000,00 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen aldus een gewoonte heeft gemaakt. ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde: op 7 september 2023, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag met een totale waarde van 112.000,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, om de ouderdom van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn en de beperkte rol van verdachte, mee te wegen bij de straftoemeting. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag op 7 september 2023 en het gewoontewitwassen van meerdere grote geldbedragen, met een totale waarde van € 2.913.945,- in de periode van 18 januari tot en met 6 maart 2021. Het witwassen van crimineel vermogen vormt, zeker in deze omvang, een aantasting van de legale economie en is een bedreiging voor de samenleving vanwege de corrumperende invloed ervan op het gewone handelsverkeer. Het handelen van verdachte draagt bij aan de onttrekking van opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie. Daarnaast bevordert witwassen het plegen van strafbare feiten, omdat het plegen van delicten zonder witwassen veel minder lucratief zou zijn. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Op te leggen straf Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd en acht, gelet hierop, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden. De rechtbank heeft echter geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De redelijke termijn heeft in zaak A aanvang genomen op 15 november 2023 en in zaak B op 7 september 2023, zijnde de data waarop verdachte is aangehouden. Gelet op het feit dat de zaken zijn gevoegd stelt de rechtbank vast dat de zaken in ieder geval in november 2025 hadden moeten zijn afgerond en dat de redelijke termijn daarom met een periode van in ieder geval 7 maanden is overschreden. Daarnaast hebben de feiten inmiddels een behoorlijk aantal jaar geleden plaatsgevonden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de ouderdom van de feiten, acht de rechtbank, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. 8 Beslag Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen: ten aanzien van zaak B: - € 5,- EUR (G6392021A), - € 7.800,- EUR (G6392169), - € 300,- EUR (G6392170), - € 22.195,- EUR (G6392021), - € 90.000,- EUR (G6392020), - één horloge (G6392172), - één horloge (G6392173), - één horloge (G6392174), - één armband (G6392178). 8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen geldbedragen van € 22.195,- en € 90.000,- worden verbeurdverklaard. De inbeslaggenomen horloges, armband en geldbedragen van € 7.800,- en € 300,- moeten worden teruggegeven aan verdachte. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de inbeslaggenomen geldbedragen van € 22.195,- en € 90.000,- verbeurdverklaren, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan. De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen horloges, armband en geldbedragen van € 7.800,-, € 300,- en € 5,-, nu het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak A en B heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van zaak A: medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van zaak B: witwassen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag Zaak B: Verklaart verbeurd: - € 22.195,- EUR (G6392021) - € 90.000,- EUR (G6392020) Gelast de teruggave aan [verdachte] van de volgende voorwerpen: - € 5,- EUR (G6392021A) - € 7.800,- EUR (G6392169) - € 300,- EUR (G6392170) - één horloge (G6392172) - één horloge (G6392173) - één horloge (G6392174) - één armband (G6392178) Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiewel, voorzitter mrs. F. Dekkers en G.J.M. Kruizinga, rechters in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2026. […] Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023202880-8 van 8 september 2023, p. 001 t/m 003. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023202880-23 van 8 september 2023, p. 008 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023202880-29 van 8 september 2023, p. 014: Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023202880-31 van 8 september, p. 061. Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2023202880 van 8 november 2023, (uit PV van bevindingen onderzoek telefoon (medeverdachte) d.d. 08-11-2023), p. 1 en 2. Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 juni 2026, inhoudende de verklaring van [verdachte] . Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal ter beschikking stelling argus data met nummer 2020264437 van 5 oktober 2023, p. A001 t/m p. A006. Proces-verbaal van bevindingen met documentcode 18492019 van 5 oktober 2023, p. A008 t/m p. A018. Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 juni 2026, inhoudende de verklaring van [verdachte] : Proces-verbaal van bevindingen met documentcode 18492019 van 5 oktober 2023, p. A008 t/m p. A018. Proces-verbaal van bevindingen met documentcode 18491743 van 5 oktober 2023, p. A030 t/m p. A043. Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 juni 2026, inhoudende de verklaring van [verdachte] . Proces-verbaal van bevindingen met documentcode 18491743 van 5 oktober 2023, p. A042 t/m p. A043. ECLI:NL:HR:2014:3044. Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 juni 2026, inhoudende de verklaring van [verdachte] . Proces-verbaal van bevindingen met documentcode 18491743 van 5 oktober 2023, p. A030 t/m p. A043.