Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:17845 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 25-06-2026 (NL26.33203 en NL26.33298)

Rechtbank Den Haag
Summary

Artikel 59 (AMP) + aanvullend TKB / TKB is rechtsgeldig uitgereikt / voldoende duidelijk aanleiding staandehouding / geen verkeerde grondslag staandehouding / lichter middel / relatie niet onderbouwd / deels gronden niet bestreden / voldoende zicht op uitzetting naar Libie / arrest Aroja niet van toepassing / geen sprake van rechtmatig verblijf / ongegrond

How it connects

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.33203 (bewaring) en NL26.33298 (terugkeerbesluit) uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. S. Juriaans). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 12 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Op 15 juni 2025 is ook een beroep (met zaaknummer NL26.33210) ingediend, welke later door partijen is ingetrokken. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 1.2. De gemachtigde van eiser heeft op 15 juni 2026 beroep ingesteld tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 12 juni 2026. Deze zaak is geregistreerd met het zaaknummer NL26.33298. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, A.A. Fawzy als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Over bestreden besluit 1 (NL26.33298) 2. Verweerder heeft op 6 juli 2017 een terugkeerbesluit opgelegd. Op 12 juni 2026 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen waarin als land van herkomst Libië is opgenomen. 3. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet dat het aanvullend terugkeerbesluit onrechtmatig is nu deze alleen met een natte handtekening is getekend en niet valt te controleren of het terugkeerbesluit voor de oplegging van de maatregel is opgelegd. Uit het terugkeerbesluit blijkt dat deze op 12 juni 2026 om 19:35 uur is opgelegd aan eiser. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan dit tijdstip en of het terugkeerbesluit voor de maatregel is opgelegd. Ter zitting heeft verweerder nog nader toegelicht dat eiser is gehoord voorafgaand aan de opleggen van het terugkeerbesluit en daarna het terugkeerbesluit is uitgereikt. Vervolgens is eiser gehoord voor het opleggen van de maatregel. Het beroep ten aanzien van het aanvullende terugkeerbesluit wordt dan ook ongegrond verklaard. Over bestreden besluit 2 (NL26.33203) 4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 4.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5. De gemachtigde van eiser voert aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt wat de aanleiding was voor de staandehouding. Hoewel de bewaringsrechter normaliter niet bevoegd is om een strafrechtelijk voortraject te toetsen, is dat wel het geval als sprake is van discriminatoir handelen. Verder heeft de ophouding op de onjuiste grondslag plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, maar eiser had opgehouden moeten worden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. De gronden h en r die ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring worden betwist. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring onvoldoende gemotiveerd waarom niet volstaan kan worden met een lichter middel. Zo heeft verweerder niet meegenomen dat eiser heeft verklaard dat hij een vriendin in Nederland heeft en ook dat hij geld krijgt van de gemeente Amsterdam. Daarbij heeft eiser ook verklaard dat hij wil terugkeren naar Libië. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Libië nog zicht op uitzetting is. Uit het dossier blijkt dat eiser eerder in 2017 in bewaring heeft verbleven, maar niet is duidelijk hoelang eiser toen in bewaring verbleef. Als dit langer dan zes maanden is geweest had verweerder een verlengingsbesluit moeten nemen . Tot slot is de vraag of eiser niet al declaratoir verblijfsrecht heeft gekregen doordat hij een relatie heeft een Unieburger. Door verweerder had hier meer onderzoek naar moeten doen en nu verweerder dit niet heeft gedaan is sprake van een gebrek. 6. De rechtbank overweegt het volgende. 7. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/overdracht van 15 juni 2026 blijkt twee verbalisanten van de AVIM Den Haag door de dienstdoende coördinator naar de Zuidwal te Den Haag werden gestuurd. Daar had een politieagent een persoon gecontroleerd die een joint rookte waar dat niet was toegestaan. Toen de politieagent de persoonsgegevens controleerde in de politiesystemen bleek dat de persoon geen rechtmatig verblijf heeft. Vervolgens zijn de verbalisanten van de AVIM ter plaatste gekomen. Daarmee is het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ontstaan en heeft het vreemdelingrechtelijk traject rechtmatig een aanvang genomen. Van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding of discriminatoir optreden is dan ook geen sprake. 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ophouding van eiser terecht heeft gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. De reden is dat eiser ten tijde van de ophouding niet in het bezit was van identificerende documenten waardoor de identiteit van eiser niet gelijk kon worden vastgesteld. 9. De rechtbank stelt vast dat naast h en r de overige gronden niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer. 10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De enkele niet onderbouwde stelling dat eiser een Poolse vriendin heeft in Nederland, maakt het voorgaande niet anders. Temeer nu eiser heeft verklaard dat hij wel terug kan naar Libië. Daarbij heeft eiser de gestelde relatie niet onderbouwd met stukken en verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen. 11. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt zicht op uitzetting in eisers geval niet. Verweerder stelt terecht dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in algemene zin naar Libië niet ontbreekt. Ter zitting heeft verweerder cijfers overlegd ten aanzien van de overdracht aan Libië over de periode 2024 en 2025. In 2024 zijn 35 laissez-passer (lp)-aanvragen ingediend, negen lp’s afgegeven, zeven nationaliteiten bevestigd en een gedwongen uitzetting met een lp. In 2025 zijn 30 lp-aanvragen ingediend, twee nationaliteiten bevestigd, drie lp’s afgegeven en heeft een gedwongen vertrek met lp plaatsgevonden. Weliswaar blijkt uit de cijfers dat er weinig gedwongen vertrekken plaatsvinden, maar niet blijkt dat er helemaal geen gedwongen vertrekken plaatsvinden. Eiser heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten worden opgemaakt dat eiser geen lp zal verkrijgen. 12. Uit het arrest Aroja blijkt – kort samengevat – dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, alle perioden die een vreemdeling ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht bij elkaar moeten worden opgeteld. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser van 19 juni 20217 tot en met 1 augustus 2017 in bewaring heeft verbleven. Op 12 juni 2026 was de maximale termijn van zes maanden nog niet overschreden. Er bestaat voor de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 13. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet dat hij declaratoir verblijfsrecht heeft verkregen. Niet is gebleken dat eiser een aanvraag “verblijf bij EU-partner” heeft ingediend. Daarbij heeft eiser ook verklaard dat hij wel terug kan naar Libië. Verweerder stelt ook terecht dat er een rechtsgeldig terugkeerbesluit ligt en dat uit het feit dat eiser geld ontvangt van de gemeente Amsterdam niet maakt dat daaruit opgemaakt kan worden dat hij rechtmatig verblijf heeft. 14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 Afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3070. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (C-150/24). Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.

Similar Content