Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2025:28015 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 20-10-2025 (NL25.38952)

Rechtbank Den Haag
Summary

asiel. beroep ongegrond. Jordanese nationaliteit. identiteit ongeloofwaardig. problmen met politie in Jordanië ongeloofwaardig.

How it connects

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38952 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I. Wudka), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Latul). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 29 april 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit en stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Jordanië heeft verlaten omdat hij tussen zijn twaalfde en vijfentwintigste continu door de politie werd mishandeld. Via zijn broer heeft eiser te horen gekregen dat de inlichtingendienst op de hoogte is van zijn asielaanvraag in Nederland. Eiser vreest bij terugkeer opgepakt, mishandeld en verkracht te worden. Hij vreest voor de inlichtingendienst en de politie. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en eisers problemen met de politie in Jordanië. 3.1. Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de identiteit van eiser niet, nu hij deze niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft dit ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt. Hij heeft onvoldoende documenten gegeven en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Ook heeft eiser zijn problemen met de politie in Jordanië niet met documenten onderbouwd en heeft hij daar niet samenhangend en aannemelijk over verklaard. Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd , omdat hij meerdere malen met onbekende bestemming is vertrokken en andere persoonsgegevens in Duitsland heeft opgegeven. Dat eiser uit Jordanië komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is of dat hij bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. In het bestreden besluit wordt niet inhoudelijk ingegaan op wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Het overleggen van documenten is voor eiser heel lastig, nu hij lange tijd geleden is vertrokken uit Jordanië en hij daar niemand meer heeft. Hij zal proberen om nog nadere documenten te verkrijgen, maar hij is door de verstreken tijd in bewijsnood gekomen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiser zijn asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 6. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Met de enkele stelling dat dit niet zo is, heeft eiser onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd. 7. Bij de beoordeling van de asielaanvraag mag verweerder betrekken of eiser objectieve documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Wanneer eiser zijn asielmotief onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve documenten, toetst verweerder vervolgens of eiser op een andere manier zijn asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt. Een asielmotief kan alsnog geloofwaardig worden geacht als eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw.. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder dan ook aan eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser al in 2017 en 2023 asiel heeft aangevraagd in Nederland en hij van het belang van het hebben van identificerende documenten op de hoogte was. Vastgesteld wordt dat eiser na ongeveer 8 jaar er nog steeds niet in is geslaagd om identificerende documenten te verkrijgen of daartoe een poging te doen. Ook mocht verweerder het bevreemdend vinden dat eiser geen documenten heeft overgelegd ten aanzien van zijn problemen met de politie in Jordanië, nu eiser stelt enorm vaak mishandeld te zijn geweest. Het standpunt van eiser dat hij in bewijsnood verkeert omdat hij al lange tijd niet meer in Jordanië is geweest en hij niemand meer in het land heeft waardoor het lastig is voor eiser om aan documenten te komen, leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij enige inspanning heeft verricht om aan documenten te komen. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet. 8. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de andere tegenwerpingen van verweerder. Niet is gebleken dat verweerder het relaas niet ongeloofwaardig heeft mogen vinden. 9. Het voorgaande maakt dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt en dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Jordanië. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag af kunnen wijzen. Conclusie en gevolgen 10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. 11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw. Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 30b, eerste lid, onder a en g van de Vw. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3. Op grond van Werkinstructie 2024/6 Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.

Similar Content