Rechtbank Den Haag, 08-07-2026 (NL25.25103)
Asiel Somalië; problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig; ongegrond.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.25103 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.J. Verwers), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. M.R. Stuart). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 25 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Somalië en behoort tot de Ashraf bevolkingsgroep. Hij was apotheekhouder in Mogadishu. Op een dag is hij gebeld door zijn halfbroer voor medische hulp, waarna eiser naar hem in Afgooye toe is gegaan. Vervolgens is eiser naar een gebied gebracht waar Al-Shabaab actief was. Zijn halfbroer bleek lid te zijn van Al-Shabaab en heeft eiser gevraagd zich ook bij hen aan te sluiten. Eiser voelde zich gedwongen en is vervolgens als lid geïntroduceerd. Daarna kreeg hij drie dagen de tijd om zaken met zijn gezin in Mogadishu te regelen, maar keerde niet terug omdat hij geen lid wilde zijn. Op 25 april 2022 heeft zijn halfbroer hem telefonisch bedreigd en medegedeeld dat zijn andere broer is gedood. Eiser is bij terugkeer naar Somalië bang om gedood te worden door Al-Shabaab. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; discriminatie vanwege het behoren tot de minderheidsclan Ashraf; problemen met Al-Shabaab. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft aangetoond met documenten, maar houdt de gegevens aan die eiser zelf heeft opgegeven. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat de discriminatie vanwege het behoren tot de minderheidsclan Ashraf geloofwaardig is. Ten aanzien van de problemen met Al-Shabaab stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen daarover niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder goede reden. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Tot slot kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. De minister concludeert dat de asielaanvraag ongegrond is. Mocht de minister de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling toepassen? 5. Eiser heeft deze beroepsgrond op de zitting ingetrokken. Een inhoudelijke bespreking is daarom niet meer nodig. Heeft de minister terecht gesteld dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn? 6. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn problemen met Al-Shabaab niet heeft onderbouwd met documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval. De minister heeft daar een aantal redenen voor gegeven die eiser betwist. De rechtbank bespreekt die hieronder. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd, zonder goede reden (artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000) 6.1. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een medische achtergrond heeft of een apotheekhouder is geweest. Op de zitting heeft de minister de tegenwerping ten aanzien van de medische achtergrond laten vallen, omdat eiser in beroep daarover alsnog documenten, waarvan de minister de juistheid in het midden laat, heeft ingebracht. De minister handhaaft de tegenwerping dat eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij apotheekhouder is geweest. 6.2. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij verwijtbaar geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij apotheekhouder is geweest. Volgens eiser was het voor hem onmogelijk om met objectieve documenten uit Somalië te vluchten. Eiser voert daarnaast aan dat hij geen contact kan krijgen met zijn familie of anderen in Somalië, omdat hij zijn telefoon met contactgegevens in de zee bij Griekenland is verloren. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij apotheekhouder was, en daarvoor geen goede reden heeft gegeven. Eiser heeft geen inspanningen verricht om aan documenten uit Somalië, waaronder de gestelde eigendomspapieren van zijn apotheek, te komen. De enkele verklaring dat het voor hem onmogelijk was om met documenten te vluchten en hij daarnaast geen contact heeft kunnen krijgen met zijn familie is onvoldoende, omdat hij op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij andere pogingen heeft gedaan om aan documenten te komen. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000) Apotheekhouder 6.4. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat hij met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij apotheekhouder is geweest van een eigen apotheek. Volgens eiser zijn de verwachtingen van de minister over de kennis van iemand met een eigen apotheek niet toegespitst op de Somalische situatie. Eiser voert aan dat een apotheekhouder geen exacte namen van producenten van medicijnen uit het hoofd hoeft te kennen en dat geen licentie of diploma nodig is om een eigen apotheek te openen. Volgens eiser legt een apotheekhouder de instructies uit die op de bijsluiter van de medicijnen staan. Eiser voert aan dat hij tijdens het nader gehoor voldoende heeft laten blijken kennis te hebben van medicijnen. Over zijn verklaring dat hij nooit bij een apotheek van de overheid gewerkt kan hebben, omdat er überhaupt geen overheid in Somalië is, voert hij aan dat hij bedoelde dat er geen werkende, maar enkel een corrupte overheid is. 6.5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij houder is geweest van een eigen apotheek. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser summier en algemeen heeft verklaard over de medicatie die hij verkocht en de kennis die hij overbracht aan klanten. Van iemand die stelt apotheekhouder te zijn geweest, mag worden verwacht dat hij meer toelichting kan geven over de medicijnen die hij verstrekte. Daarnaast stelt de minister terecht dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het bezit van de apotheek. Zo heeft eiser bij het eerste politieverhoor verklaard dat hij bij een apotheek van de overheid werkzaam was, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard een eigen apotheek te hebben. De stelling van eiser dat hij nooit bij een apotheek van de overheid gewerkt kan hebben, omdat er überhaupt geen werkende overheid is, neemt de tegenstrijdigheid niet weg. Bovendien is eiser met zijn tegenstrijdigheden geconfronteerd in nader gehoor. Dat sprake zou zijn van een onjuiste vertaling of weergave van het proces-verbaal van het gehoor is volgens de rechtbank niet gebleken. Rekrutering 6.6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de reden waarom Al-Shabaab hem wilde rekruteren. Volgens eiser heeft de minister zijn verklaringen uit het politieverhoor en het aanmeldgehoor ten onrechte meegenomen, omdat deze verhoren niet met voldoende waarborgen zijn omkleed en hij geen ruimte heeft gehad om zijn asielrelaas verder uit te leggen. Eiser voert daarbij aan dat hij direct heeft gecorrigeerd wat hij in het politieverhoor heeft gezegd vanaf het moment dat dit voor hem mogelijk was. Daarnaast voert eiser aan dat de verblijfplaats van zijn halfbroer voor hem onbekend was, hij daar nooit is geweest en de exacte locatie niet aan hem is gegeven. Volgens eiser valt niet in te zien dat hij hierover meer zou moeten verklaren. Daarnaast voert eiser aan dat niet duidelijk is wat de consequentie is van het intrekken van de tegenwerping van de minister in het besluit dat hij de naam van de leider van Al-Shabaab niet wist. 6.7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reden waarom Al-Shabaab hem wilde rekruteren. Zo heeft eiser in het politieverhoor verklaard dat Al-Shabaab hem niet heeft gevraagd bij hen aan te sluiten, maar enkel dat hij met zijn werk in de apotheek moest stoppen. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij door Al-Shabaab is benaderd, omdat hij ambtenaren in de apotheek hielp. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat dit vanwege zijn medische kennis en fysieke kracht is. De minister heeft deze tegenstrijdigheden bij de beoordeling mogen betrekken, nu een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet worden gemaakt. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op het feit dat eiser tijdens het nader gehoor en in de correcties en aanvullingen de gelegenheid heeft gehad om op deze verklaringen te reageren. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven waarom niet van die verklaringen uit mag worden gegaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiser vaag heeft verklaard over de verblijfsplaats van zijn halfbroer, waardoor lastig te verifiëren is of eiser daadwerkelijk naar een gebied van Al-Shabaab is gereisd. Dat de minister de tegenwerping dat eiser de naam van de leider van Al-Shabaab niet wist in het bestreden besluit heeft ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel. De andere tegenwerpingen blijven namelijk staan en kunnen de tegenwerping dragen. Verstrijken van termijn 6.8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de door Al-Shabaab gestelde termijn van drie dagen. Volgens eiser is zijn halfbroer er kennelijk van uitgegaan dat de driedagentermijn op vrijdag is gaan lopen, wat betekent dat de termijn dan op maandag is verstreken. 6.9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over (het verstrijken van) de termijn. Volgens de verklaringen van eiser is hij op 22 april 2022 voor drie dagen teruggegaan naar Mogadishu. Vervolgens is hij in de ochtend van 25 april 2022 gebeld door zijn halfbroer omdat de termijn voorbij was. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat de termijn toen nog liep en daarom valt niet in te zien dat zijn halfbroer zo vroeg contact heeft opgenomen. Als dit aan eiser wordt voorgehouden, verklaart hij dat zijn halfbroer heeft gezegd dat de drie dagen ‘min of meer’ voorbij waren. De minister stelt terecht dat sprake is van wisselende verklaringen. Bovendien valt niet te volgen dat de halfbroer zou hebben gesproken van een termijn die ‘min of meer’ was verstreken, indien hij ervan uitging dat de termijn op 22 april 2022 was gaan lopen. Telefoongebruik en bereikbaarheid 6.10. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij vaag heeft verklaard over zijn telefoongebruik en hoe zijn halfbroer hem kon bereiken. Volgens eiser is Al-Shabaab, gelet op haar netwerk en haar werkwijze bij het rekruteren, in staat om telefoonnummers te achterhalen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar landenformatie en een brief van VluchtelingenWerk Nederland. Volgens eiser is hij in de ochtend gebeld op zijn privételefoon en in de avond op zijn bedrijfstelefoon. 6.11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser vaag heeft verklaard over zijn telefoongebruik en hoe zijn halfbroer hem kon bereiken. Eiser heeft verklaard dat hij na zijn telefoongesprek met zijn halfbroer, om negen uur in de ochtend, zijn telefoon heeft uitgezet, zodat hij niet meer bereikbaar was en hij een andere telefoon in gebruik heeft genomen. Vervolgens heeft eiser verklaard dat zijn halfbroer hem om tien uur in de avond kon bereiken om te vertellen dat zijn broer was vermoord. De rechtbank volgt de minister erin dat niet duidelijk is geworden hoe de halfbroer op de hoogte was van het andere nummer. De door eiser in beroep gegeven verklaring dat hij in de ochtend is gebeld op zijn privételefoon en in de avond op zijn bedrijfstelefoon, neemt deze onduidelijkheid niet weg. Wetenschap moord op broer 6.12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij weinig over de moord op zijn broer weet. Hij voert aan dat hij alles heeft verteld wat hij hierover kan vertellen. Vanwege de bedreigingen was het volgens eiser voor hem onmogelijk om de begrafenis bij te wonen, waardoor hij niet meer details kan geven. 6.13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser weinig over de moord op zijn broer weet. Eiser heeft verklaard dat zijn broer bij de apotheek is vermoord door Al-Shabaab, maar weet verder geen details te geven. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn broer in Mogadishu is begraven, maar de exacte locatie niet te weten. De minister stelt terecht dat van eiser meer concrete informatie mag worden verwacht, nu deze gebeurtenis aanleiding heeft gevormd voor zijn vertrek uit Somalië. Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000) 6.14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Volgens eiser gaat de minister voorbij aan de uitleg waarom hij in Griekenland heeft verteld dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Bovendien voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit relevant is voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. 6.15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser tijdens zijn asielprocedure in Griekenland onjuiste persoonsgegevens heeft verstrekt. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Dat de minister in deze procedure uitgaat van de door eiser opgegeven Somalische nationaliteit doet aan het voorgaande niet af. Daarmee wordt niet weggenomen dat eiser eerder bewust onjuiste informatie aan de Griekse autoriteiten heeft versterkt en daarmee heeft geprobeerd te misleiden. Conclusie 6.16. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Nader gehoor p. 12-13 en p. 15. Verslag nader gehoor, p. 18-19. HV12 Proces-verbaal van verhoor, p. 2 en verslag nader gehoor, p. 15. Verslag nader gehoor, p. 21. Eiser wijst daarbij op artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, en op Rechtbank Den Haag, zp. Haarlem, ECLI:NL:RBDHA:2024:4110, r.o. 5.7.1. en Rechtbank Den Haag, zp. Middelburg, ECLI:NL:RBDHA:2022:7666, r.o. 6. HV12 Proces-verbaal van verhoor, p. 2-3. Verslag aanmeldgehoor, p. 13. Verslag nader gehoor, p. 5 en p. 12. Vergelijk de uitspraak van 12 december 2025, Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, ECLI:NL:RBDHA:2025:24019, r.o. 8.1.1. en de bevestiging daarvan in hoger beroep van ABRvS 8 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:86; zie ook ABRvS 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459, r.o. 2.1.1. Verslag nader gehoor, p. 21. Verslag nader gehoor, p. 5 en p. 11. Verslag nader gehoor, p. 12. Algemeen Ambtsbericht Somalië, maart 2020, Algemeen Ambtsbericht Somalië juni 2023 en VluchtelingenWerk Nederland, ‘Somalië – Rekrutering Al-Shabaab buiten controlegebieden’, 6 augustus 2024. Verslag nader gehoor, p. 16. Verslag nader gehoor, p. 17. Zie paragraaf C1/4.3.2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Verslag nader gehoor, p. 4.