Rechtbank Gelderland, 10-07-2026 (C/05/467321 / JE RK 26-534)
Verzoek verlenging uithuisplaatsing toegewezen. Afwijzing verlenging gedeeltelijke gezagsuitoefening en vervangende toestemming paspoort. Kinderen kunnen niet bij hun vader wonen zonder dat dit ten koste gaat van hun ontwikkeling, hulpverlening en schoolgang en het contact met hun moeder.
Full text
RECHTBANK GELDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Arnhem Zaaknummers: C/05/467321 / JE RK 26-534 (uithuisplaatsing) C/05/467323 / JE RK 26-535 (gedeeltelijke gezagsuitoefening) C/05/468015 / JE RK 26-600 (paspoort) Datum uitspraak: 10 juli 2026 beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en gedeeltelijke gezagsuitoefening en vervangende toestemming identiteitsbewijs in de zaak van het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (hierna: het LET), op dit moment belast met de feitelijke uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen die voor de kinderen gelden. Het LET handelt namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland (hierna: de GI), gevestigd in Arnhem. over [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna: [kind 1] ), [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna: [kind 2] ), als belanghebbenden zijn aangemerkt: drs. [naam curator] , mediator in [plaatsnaam] , in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de voornoemde minderjarigen [kind 1] en [kind 2] (hierna: de bijzonder curator). [naam moeder] (hierna: de moeder), wonend op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. van den Heuvel uit Arnhem, en [naam vader] (hierna: de vader), wonend te [woonplaats] , 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 19 en 29 mei 2026; de stukken van de vader, ontvangen op 29 juni 2026; voorgaande beschikkingen en vonnissen over (een van) de ouders. 1.2. De zitting achter gesloten deuren is gehouden op 30 juni 2026. Daarbij zijn gehoord: de moeder met haar advocaat; de vader; de bijzonder curator; twee vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad); twee vertegenwoordigers van het LET. 1.3. De kinderen zijn om hun mening gevraagd. Zij hebben een gesprek met de kinderrechter gehad. Tijdens de zitting is samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.4. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer C/05/464911 / FA RK 26-1129, waarbij de moeder als verzoeker om eenhoofdig gezag heeft gevraagd. 2 De relevante feiten 2.1. De moeder en de vader zijn de ouders van [kind 1] en [kind 2] . Zij hebben samen het gezag over de kinderen. 2.2. De kinderen hebben van 2 november 2018 tot 2 mei 2022 onder toezicht gestaan van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. 2.3. Op 11 januari 2024 heeft de kinderrechter de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld van de GI. Die ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en geldt nog tot 11 januari 2027. 2.4. Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 30 juni 2025 is de vader veroordeeld omdat hij zich in de periode van 1 november 2023 tot en met 17 oktober 2024 veelvuldig en langdurig schuldig heeft gemaakt aan doxing, smaadschrift en belediging over/van meerdere medewerkers van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en een jeugdhulpaanbieder. 2.5. De kinderrechter heeft op 4 en 14 maart 2025 de verzoeken tot (spoed)uithuisplaatsing van de kinderen afgewezen. Het LET heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 14 maart 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is daarna bij beschikking van 23 september 2025 alsnog verleend door het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden. Daarna is de machtiging tot uithuisplaatsing bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2026 verlengd tot 11 juli 2026. 2.6. Bij beschikking van 29 oktober 2025 is de GI belast met het gezag over [kind 2] voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing. 2.7. Bij beschikking van 27 februari 2026 is voor de duur van de ondertoezichtstelling een bijzonder curator over de kinderen benoemd. 2.8. Bij beschikkingen van 13 april 2026 is de GI belast met het gezag over [kind 1] (voor zover dat wordt uitgeoefend door de vader) voor het geven van toestemming voor een medische behandeling voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten voor: de inschrijving bij een orthodontist in de buurt van het gezinshuis en de overdracht van het medische dossier van [kind 1] aan deze orthodontist; de inschrijving bij een tandarts in de buurt van het gezinshuis en de overdracht van het medische dossier van [kind 1] aan deze tandarts. En met het gezag over [kind 2] (voor zover dat wordt uitgeoefend door de vader) voor het geven van toestemming voor een medische behandeling voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten voor: de aanmelding bij specialistische jeugd ggz, de daaropvolgende diagnostiek en indien geïndiceerd een (medicamenteuze) behandeling; de inschrijving bij de tandarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier aan deze tandarts, periodieke controles en indien noodzakelijk behandeling; de inschrijving bij de huisarts in de buurt van de groep, overdracht van het medische dossier aan deze huisarts en indien noodzakelijk behandeling. 2.9. Bij vonnis van 5 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter – samengevat en voor zover hier relevant – het volgende beslist: de vader is verboden op enigerlei wijze uitlatingen openbaar te maken, te plaatsen of te laten plaatsen over of waarin wordt gerefereerd aan één of meer (huidige of voormalige) medewerkers van de GI en/of het LET; de vader is verboden om uitlatingen openbaar te maken die naar aard of strekking opruiend, haatzaaiend dan wel anderszins onrechtmatig zijn, waaronder in ieder geval uitingen zoals die waarin de GI en/of het LET (of de bij hen werkzame personen als groep): a) worden aangeduid als — of beschuldigd van het zijn van— "kinderhandelaar(s)", "kinderdief/kinderdieven", "ontvoerder(s)", "kinderontvoerder(s)", "verkrachter(s)", “mishandelaar(s)", "(kinder)misbruiker(s)", "viespeuk(en)", "fraudeur(s)", "Landelijk Extremisten Tuig", "Leugenaars Extremisten Tuig", "Extremisten Tuig", "(vies smerig) tuig”, dan wel met andere aanduidingen van naar aard en strekking gelijke ernst; b) worden afgeschilderd als deel van een crimineel netwerk gericht op kinderhandel, kindermishandeling of kindermisbruik; of c) ten aanzien van wie wordt opgeroepen tot of wordt gedreigd met "ophangen", "tentoonstellen", "tribunalen", lijfstraffen of enig ander geweld; ook is het de vader verboden om persoonsgegevens van de medewerkers van de GI en/of het LET op enigerlei wijze openbaar te maken, te verspreiden of anderszins ter beschikking te stellen aan derden; en moest de vader binnen 48 uur na betekening van dat vonnis alle uitingen in welke vorm dan ook die hij heeft gedaan over of waarin hij refereert aan één of meer (huidige of voormalige) medewerkers van de GI en/of het LET van al zijn social media-accounts, websites en overige door hem beheerde online kanalen verwijderen en verwijderd (te doen) houden. 3 Het verzoek 3.1. Het LET verzoekt om, uitvoerbaar bij voorraad: de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een gezinsgerichte accommodatie (de rechtbank begrijpt: gezinsgerichte voorziening) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling; de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] voor een verblijf van een aanbieder jeugdhulp (de rechtbank begrijpt: in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling; de bij beschikking van 13 april 2026 uitgesproken gedeeltelijke gezagsuitoefening over [kind 2] ten aanzien van medische behandelingen te verlengen voor de duur van de uithuisplaatsing; vervangende toestemming te verlenen aan de GI ten aanzien van de toestemming van vader voor het verkrijgen van een Nederlands reisdocument ten behoeve van [kind 2] . 4 Het standpunt van de moeder 4.1. De moeder is het eens met de verzoeken. 5 Het verweer van de vader 5.1. De vader betwist de bevoegdheid van het LET, waardoor de verzoeken reeds om die reden moeten worden afgewezen. 5.2. De vader heeft op 29 juni 2026 fysiek stukken ingediend bij de rechtbank. De omvang daarvan is ongeveer 200 pagina’s. De opbouw is als volgt. Er is één ‘processtuk’ met de titel ‘verweerschrift beëindiging gezamenlijk gezag’ met een vijftal bijlagen (grievenbundel, correspondentie met de rechtspraak, verslag van de bijzonder curator, correspondentie met de moeder en correspondentie met Karakter en het LET). De vader stelt dat dit één integraal processtuk betreft en dat het gehele dossier integraal bij de beoordeling moet worden betrokken. De vader verzoekt: de toepasselijke rechtsgronden ambtshalve aan te vullen; de wettelijke noodzaaktoets volledig en zelfstandig uit te voeren; de waarheidsplicht van artikel 21 Rv strikt te toetsen; de grievenbundel integraal bij de beoordeling te betrekken, ambtshalve de bevoegdheid, procespositie en bewijswaarde van het LET en de betrokken GI te toetsen alvorens enige beslissing te nemen. En om ambtshalve te toetsen: of is voldaan aan de waarheidsplicht van artikel 21 Rv; of de juiste rechtsgronden overeenkomstig artikelen 24 en 25 Rv zijn toegepast; of verzoekster heeft voldaan aan haar bewijslast; of de rapportages waarop het verzoek steunt voldoen aan de eisen van objectiviteit, controleerbaarheid en zorgvuldigheid; op welke wettelijke grondslag de door het LET opgestelde rapportages, plannen van aanpak en overige processtukken in deze procedure worden gebruikt en welke zelfstandige bewijswaarde daaraan kan worden toegekend; uitsluitend die feiten en stukken aan de beslissing ten grondslag te leggen waarvan de herkomst, bevoegdheid, totstandkoming en inhoud objectief kunnen worden vastgesteld. 5.3. Tijdens de zitting heeft de vader nog een aantal stellingen ingenomen. De inhoud daarvan is opgenomen in het proces-verbaal. Die stellingen komen samengevat op het volgende neer: de procedure voldoet niet aan artikel 6 EVRM; een eerlijk proces mag niet afhangen van juridische bijstand. Alle stukken van de vader moeten aan de wet en het belang van de kinderen worden getoetst. Tijdens de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is onvoldoende gekeken naar proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid. Hierdoor is artikel 8 EVRM geschonden. Het belang van de kinderen is ondergeschikt gemaakt aan het vasthouden aan genomen besluiten. Belastende informatie werd als vaststaand gezien, terwijl ontlastende feiten onvoldoende zijn meegenomen. De rechtbank moet op grond van artikel 25 Rv relevante rechtsgronden aanvullen en wetgeving integraal toepassen. De uitvoering van de maatregelen schaadt de relatie tussen de vader en de kinderen. De contactbeperkingen zijn onnodig en slecht gemotiveerd, wat loyaliteitsconflicten bij de kinderen veroorzaakt. Contactbeperkingen zijn alleen toegestaan bij actuele noodzaak. De kinderen hebben recht op een normale relatie met hun ouders. Het rapport van de bijzonder curator wijst op schade aan de identiteitsvorming van de kinderen. Er is onvoldoende gedaan om ouderverstoting te voorkomen. Het LET handelde oncontroleerbaar en mogelijk strafbaar, maar de aangifte van de vader wordt belemmerd. Er is sprake van valsheid in geschrifte en samenspanning, mogelijk georganiseerde misdaad (artikel 140 Sr). De conclusies van de andere partijen missen onderbouwing en zorgvuldige besluitvorming. Ook deed de vader aangifte van smaad en laster door de moeder. 6 De verzoeken van de bijzonder curator op zitting 6.1. Namens de kinderen heeft de bijzonder curator op zitting verzocht om: de machtiging tot uithuisplaatsing niet te verlengen; een onvoorwaardelijke contactregeling met de vader vast te stellen. 7 De beoordeling Wat is de beslissing? 7.1. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] . De overige verzoeken van het LET wijst de rechtbank af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt. Recht op een eerlijk proces 7.2. De stelling van de vader dat de procedure niet voldoet aan artikel 6 EVRM is niet concreet onderbouwd. De rechtbank volgt die stelling daarom niet. Voor zover dit een verweer vormt, wordt dit gepasseerd. Ook de stukken die de vader zonder advocaat heeft ingediend zijn namelijk meegewogen bij de beoordeling en alle standpunten van de vader zijn uitgebreid besproken tijdens de zitting. Ontvankelijkheid en betrokkenheid LET 7.3. De vader heeft (wederom) betoogd dat het LET onbevoegd is om kinderbeschermingsmaatregelen uit te voeren dan wel verzoeken te doen namens de GI. De rechtbank passeert dit verweer en verwijst naar hetgeen daarover in de beschikking van 9 januari 2026 , overwegingen 4.1. tot en met 4.8 al is gezegd. De rechtbank voegt daaraan toe dat het LET onderdeel is van, en kan handelen namens alle gecertificeerde instellingen, als zij daartoe opdracht krijgt. Dat is de afspraak die de gecertificeerde instellingen met elkaar hebben gemaakt. De reden voor de betrokkenheid van het LET is de vader bekend. Hoewel hij betwist dat dit aan zijn eigen gedrag ligt, staat dat wat de rechtbank betreft vast. Bij brief van 14 oktober 2024 heeft de GI de vader medegedeeld dat de uitvoering van de maatregel werd overgedragen aan het LET. In die brief staat: “ Wij stellen vast dat u op geen enkele van deze verzoeken gehoor geeft waardoor de jeugdbescherming belet wordt bij de uitvoering van de juridische maatregel. Tevens stellen wij helaas vast dat de online intimidatie en bedreiging op YouTube, LinkedIn en Facebook onverminderd doorgang vinden. U blijft profielfoto’s, functienamen, de inhoud van what’s app-berichten, de inhoud van e-mails en audioberichten van gevoerde gesprekken zonder toestemming online delen. U bent meerdere malen formeel door ons verzocht te stoppen met deze doxing. In een persoonlijk gesprek met u hebben wij u geïnformeerd ons genoodzaakt te zien om hiervan aangifte te doen. Ondanks dat wij tot op heden ieder persoonlijk contact met u als prettig hebben ervaren, leidt de online intimidatie en bedreiging ertoe dat wij jeugdbeschermers hier niet langer bloot aan kunnen stellen . Jeugdbescherming Gelderland heeft daarom besloten dat de samenwerking met de jeugdbeschermers die ruim anderhalve maand met u in contact proberen te komen, komt te vervallen. Zij zullen geen contactpersoon meer zijn en met hen mag en kan geen contact meer worden opgenomen. In de week van 14 oktober 2024 zullen de nieuwe jeugdbeschermers van LET JB contact met u opnemen en het traject verder voortzetten .” De vader had alleen al op basis van die brief kunnen en moeten afleiden dat het LET vanaf dat moment bevoegd was om de uitvoering van de maatregelen op zich te nemen. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat de weigerachtige houding tegenover het LET en de verweren van de vader over de bevoegdheid van het LET niets anders zijn dan een incorrect juridisch rookgordijn. Afwijzing verlenging gedeeltelijke gezagsuitoefening en vervangende toestemming paspoort 7.4. Bij afzonderlijke beschikking van 10 juli 2026 heeft de rechtbank beslist dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt. Die beschikking is ook uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat noodzakelijke gezagsbeslissingen vanaf nu door alleen de moeder genomen kunnen worden en dat een eventueel hoger beroep vanuit de vader de werking van die beslissing niet opschort. Een aparte interventie vanuit de rechtbank in de vorm van een gedeeltelijke gezagsuitoefening of vervangende toestemming is daardoor overbodig geworden. Het LET heeft de verzoeken namelijk alleen gedaan omdat de vader niet meewerkt. De moeder is volgens hen wel in staat die beslissingen te nemen. Daarom wijst de rechtbank deze verzoeken af. De uithuisplaatsing 7.5. Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. 7.6. De rechtbank stelt voorop dat er sinds de initiële uithuisplaatsing van de kinderen weinig is veranderd in de situatie rondom de vader. Hij voert nog steeds veel strijd en belast de kinderen daar direct of indirect mee. Een voorbeeld daarvan is dat hij tijdens een videobelmoment (wat al erg veel moeite kostte om te organiseren) [kind 1] belast met zijn strijd en haar daarin probeert te betrekken en actief probeert in te zetten. Een videobelmoment met [kind 2] lijkt goed te verlopen, maar vervolgens zet de vader fragmenten daarvan online. Volgens het LET heeft de vader daarover gezegd dat hij dit doet zodat iedereen die hem volgt kan zien wat hem is aangedaan. Ook wil hij op deze manier meer mensen te mobiliseren om te ‘jagen’ op de jeugdbeschermers, rechters, politie en hulpverleners die in zijn ogen zijn kinderen onterecht hebben ontvoerd. De vader plaatst regelmatig foto’s of video’s online met een reeks van verwijten van die strekking, meestal aan het adres van het LET. De vader is continu bezig om te bewijzen dat het LET onderdeel is van een bredere illegale organisatie die zijn kinderen op onwettige wijze hebben ‘ontvoerd’. Hij gaat in die beschuldigingen al langere tijd erg ver. In 2025 is de vader in eerste aanleg strafrechtelijk veroordeeld voor doxing, smaad en belediging van jeugdbeschermers. Bij vonnis van 5 juni 2026 zijn aan de vader meerdere geboden en verboden opgelegd in relatie tot opruiende berichten over de jeugdbeschermers en over (wederom) doxing. Het daadwerkelijke belang van de kinderen lijkt de vader daarmee al langere tijd uit het oog verloren. De kinderen hopen namelijk nog steeds op onbelast contact met hun vader. De vader is daartoe nog niet in staat gebleken. 7.7. Wat wél veranderd is sinds de initiële uithuisplaatsing is de situatie rondom [kind 1] en [kind 2] . [kind 1] woont op een voor haar fijne plek in een gezinshuis en [kind 2] op een behandelgroep. De kinderen lijken zich goed te ontwikkelen op hun huidige woonplekken. Zij hebben prettig contact met hun moeder en krijgen beiden individuele hulpverlening. [kind 2] gaat weer fulltime naar school. Om al die ontwikkelingen in gang te zetten was de uithuisplaatsing noodzakelijk en dat is die nog steeds. Zonder de uithuisplaatsing zullen de kinderen naar verwachting weer bij de vader gaan wonen. De redelijke verwachting is dat de patronen van de vader zich dan herhalen. Er heeft bij de vader geen enkele gedragsverbetering plaatsgevonden. In tegendeel, zijn gedrag is steeds feller en radicaler geworden. Het contact tussen de kinderen en hun moeder zal de vader naar verwachting snel weer ontzeggen, zoals dat in het verleden ook gebeurde. Verder zal, als de vader het niet eens is met school of hulpverlening, ook dit worden stopgezet. De vader heeft [kind 2] bijvoorbeeld meer dan een jaar thuisgehouden van school. Dit terwijl de vader de strijd met het LET, de school en het samenwerkingsverband bleef doorvoeren. Het is aannemelijk dat de individuele hulp en schoolgang van de kinderen op korte termijn weer zou komen stil te liggen als de kinderen bij de vader gaan wonen. De kinderen zijn door de uithuisplaatsing uit een ongezond gesloten gezinssysteem bij de vader gehaald. Er was – en is – voor de kinderen nog steeds erg weinig ruimte om een eigen wereldbeeld te vormen en om de positieve band met hun moeder te behouden. Zij worden nog steeds belast met de strijd van de vader, zowel zijn strijd tegen de jeugdbescherming en overige instanties als zijn strijd tegen de moeder. Bovendien weigert de vader mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek of aan individuele hulpverlening. De kinderen hebben recht op een zo evenwichtig mogelijke en gezonde ontwikkeling. Dat kan nog steeds niet op een andere manier worden gewaarborgd dan via de gedwongen uithuisplaatsing. Daarom verlengd de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. 7.8. De stelling van de vader dat het hof onrechtmatig, wegens gebrek aan nieuwe feitelijke omstandigheden, tot een uithuisplaatsing (na initiële afwijzing door de rechtbank) heeft kunnen beslissen volgt de rechtbank niet. Die argumentatie gaat namelijk op meerdere vlakken mank. Ten eerste is de hoger beroepsprocedure juist bedoeld om – ook als de feitelijke omstandigheden niet veranderd zijn – het verzoek nogmaals voor te leggen aan een andere rechtsprekende instantie. Ten tweede waren de feitelijke omstandigheden wel degelijk anders dan tijdens de initiële afwijzing door de rechtbank. Het hof heeft bijvoorbeeld de tussentijdse verlengingsbeschikkingen en het aanhoudende weigerachtige en intimiderende gedrag van de vader richting de betrokken jeugdbeschermers en hulpverleners betrokken in zijn oordeel. Afwijzing verzoeken bijzonder curator 7.9. De bijzonder curator is benoemd bij beschikking van 27 februari 2026. De rechtbank heeft de bijzonder curator in die procedure verzocht om uiterlijk 30 juni 2026 aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat de ouders en het LET daar uiterlijk binnen twee weken schriftelijk op mogen reageren. De rechtbank zal zich verder niet uitlaten over de inhoud van het rapport van de bijzonder curator in deze procedure, omdat de inhoudelijk behandeling van dit rapport onderdeel is van een andere procedure. 7.10. Wel zal de rechtbank beslissen op de mondelinge verzoeken die de bijzonder curator namens de kinderen tijdens de zitting heeft gedaan. Deze verzoeken wijst de rechtbank af. De kinderen kunnen niet bij de vader wonen, kort gezegd, omdat dit schadelijk is voor hun ontwikkeling en ten koste gaat van onbelast contact met de moeder, hun schoolgang en continuering van hun hulpverlening. Ook een onvoorwaardelijke contactregeling met de vader acht de rechtbank niet in hun belang. De vader heeft inmiddels laten zien dat hij niet in staat is om zich aan simpele voorwaarden te houden voor dat contact en te handelen in het belang van de kinderen. De vader belast de kinderen direct of indirect met zijn strijd. Conclusie en bespreking van het overige verweer van de vader 7.11. Anders dan de vader vindt de rechtbank dat het verzoek van het LET voldoende is onderbouwd en voldoende feitelijke grondslag heeft. De vader heeft erg veel stukken ingediend en stellingen ingenomen. Stellingen die hij vervolgens zelf niet concreet onderbouwt. De vader blijft veelal hangen in algemene juridische uitgangspunten, maar als het op de toespitsing op een concreet juridisch argument aankomt, is niet zonder meer duidelijk wat hij bedoelt. De rechtbank heeft de stukken van de vader gezien, beoordeeld, en is op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat de diverse herhalingen, niet concrete, niet of onvoldoende onderbouwde stellingen en pseudo-juridische argumentatie niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de stukken van de vader weliswaar vol staan met juridische tekst, met verwijzingen naar wetsartikelen en jurisprudentie, maar dat het ontbreekt aan onderlinge samenhang en duidelijke juridische argumentatie toegespitst op de relevante feiten. De stukken die in deze procedure zijn overgelegd komen qua taal en vorm bovendien niet overeen met de diverse uitingen die de vader elders doet (zoals die goed blijken uit het vonnis in kort geding van 5 juni 2026). Veel van de stellingen van de vader berusten namelijk – samengevat – op de volgende overtuiging. Sinds de vader in 2023 bij gemeente Renkum een zorgfraudemelding heeft gedaan over zorgaanbieder Regiezorg wordt zijn leven volgens hem bewust ontwricht als vergeldingsactie voor die melding. Na die melding zou die zorgaanbieder een valse Veilig Thuismelding hebben gedaan over de gezinssituatie van de kinderen bij de vader thuis waarna de jeugdbescherming betrokken is geraakt. De vader stelt dat rapportages met onjuistheden keer op keer zijn herhaald. Volgens de vader werken de moeder en de instanties (de jeugdbescherming (waaronder inmiddels het LET), ambtenaren, de politie en de rechtspraak) in een georganiseerd verband samen om hem te bestraffen voor zijn (zelfverklaarde) klokkenluideractiviteiten en werk als (zelfbenoemd) journalist. De casus van de vader is volgens hem slechts één voorbeeld van de grootschalige corruptie en fraude binnen de jeugdzorg en de rechtspraak, waarbij sprake is van een criminele organisatie, kinderhandel, kindermishandeling en/of kindermisbruik en van valsheid in geschrifte. Om die reden blijft de vader strijden, omdat hij er kennelijk van overtuigd is dat a) dit wereldbeeld klopt en b) hij degene is die hierover een grootschalige strijd moet ontketenen. Hij probeert daarom actief anderen te werven en te overtuigen van zijn wereldbeeld. Deze overtuiging wordt vervolgens in procedures verbloemd met veel pseudo-juridische argumentatie die – meestal – kort voor een zitting wordt overgelegd. Andere betrokken partijen worden beticht van onvoldoende onderbouwing van stellingen of zelfs van misbruik van procesrecht, terwijl de vader hierin zelf juist continu in gebreke blijft. De vader blijft handelen vanuit zijn eigen overtuiging en wereldbeeld en lijkt dit ook niet meer los te kunnen laten. Zelfs niet in het belang van (contact met) zijn kinderen. De kinderen hebben daar op allerlei vlakken last van. 7.12. De rechtbank ziet de uithuisplaatsing van de kinderen daarom als een onvermijdelijke en noodzakelijke maatregel om het belang van de kinderen én de moeder verder te beschermen tegen de beschadiging van die belangen door de vader. Uitvoerbaarheid bij voorraad 7.13. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing blijft gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld en zolang het gerechtshof niet anders beslist. 8 De beslissing De rechtbank: 8.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een gezinsgerichte voorziening tot 11 januari 2027; 8.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 januari 2027; 8.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 8.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. de Jongh (voorzitter), C.L. Pas en K. van der Lee, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Vlemmings als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. ECLI:NL:RBGEL:2025:11803. ECLI:NL:GHARL:2025:5800. ECLI:NL:RBGEL:2026:843. Partijen bekend onder zaaknummer 455860. ECLI:NL:RBGEL:2026:1570. ECLI:NL:RBGEL:2026:2930 en ECLI:NL:RBGEL:2026:2926. Partijen bekend onder zaaknummer: 467408. ECLI:NL:RBGEL:2026:843. Artikel 1:265c lid 2 BW. Partijen bekend onder zaaknummer: 459845