Rechtbank Amsterdam, 07-07-2026 (13-317755-25)
Executie-EAB Polen; artikel 12 OLW: 12 sub a en 12 sub c OLW aan de orde; meerdere vonnissen; geen geslaagd beroep op gelijkstelling; overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-317755-25 Datum uitspraak: 7 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 oktober 2024 door the District Court of Zamość, second penal division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.C. Sneep, waarnemend voor mr. S. de Goede, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court of Tomaszow Lubelski, second penal division van 18 juli 2018 met kenmerk II K 361/18. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 26 juli 2018. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het vonnis van 18 juli 2018 en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm opgelegd. De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat uit de door de uitvaardigende autoriteiten verstrekte informatie niet duidelijk blijkt op welke datum is beslist tot de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf naar een onvoorwaardelijke, hetgeen de aanleiding vormt voor uitvaardiging van het EAB. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. The Regional Court of Tomaszow Lubelski heeft de tenuitvoerlegging van die straf bevolen, omdat de opgeëiste persoon een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank constateert dat in onderdeel f) van het EAB als datum van de beslissing tot tenuitvoerlegging 22 maart 2021 wordt vermeld, terwijl de aanvullende informatie van 19 mei 2026 een beslissing van 24 juli 2019 vermeldt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hiertoe het onderzoek te heropenen nu uit de informatie voldoende blijkt dat sprake is geweest van een beslissing tot tenuitvoerlegging van de straf naar aanleiding van een nieuw strafbaar feit en dat die beslissing tot tenuitvoerlegging zelf niet hoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW (zie hierna onder 4.). 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen in het kader van artikel 12 OLW. Het is onduidelijk of de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting in 2018 daadwerkelijk in zijn handen heeft gekregen. Het opgegeven adres betrof het adres van zijn moeder, waar hij niet meer verbleef. Hierover dienen nadere vragen te worden gesteld. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet. Ten aanzien van het vonnis van 18 juli 2018 geldt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, waardoor de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW aan de orde is. Van de voorwaardelijk opgelegde straf is de tenuitvoerlegging bevolen, omdat de opgeëiste persoon een nieuw strafbaar feit had gepleegd. De triggerende veroordeling is aan de opgeëiste persoon betekend op 26 juli 2019, waardoor de situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW zich voordoet. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het vonnis van the Regional Court of Tomaszow Lubelski, second penal division van 18 juli 2018 met kenmerk II K 361/18 De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces die tot de beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 26 juni 2018 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. De vrijheidsstraf is aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Regional Court of Tomaszow Lubelski is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Als de vrijheidsstraf deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling is geen sprake van een wijziging van de aard of maat van de oorspronkelijk opgelegde straf. Als de vrijheidsstraf géén deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling (en dus een nieuwe vrijheidsstraf is) moet worden beoordeeld of de rechter beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de aard en de maat van de vrijheidsstraf heeft gehad. Uit onderdeel f) van het EAB en de aanvullende informatie van 19 mei 2026 blijkt dat de beslissing tot tenuitvoerlegging niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen maakte onderdeel uit van de oorspronkelijke veroordeling. De rechtbank hoeft die beslissing dus niet te toetsen aan artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 19 mei 2026 blijkt dat de veroordeling van the Regional Court of Tomaszow Lubelski, second penal division met kenmerk II K 661/19 heeft geleid tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. Ten aanzien van het vonnis van the Regional Court of Tomaszow Lubelski, second penal division met kenmerk II K 661/19 Uit de aanvullende informatie van 19 mei 2026 blijkt dat de beslissing in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend. Daarbij is hij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep of verzet ingesteld. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: mishandeling, begaan tegen zijn moeder. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. 6.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft hiertoe stukken overgelegd. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken de laat zijn ingediend en dat deze daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Er is geen enkel stuk overgelegd over de verblijfplaats van de opgeëiste persoon in Nederland. De opgeëiste persoon heeft weliswaar veel gewerkt, maar op de jaaropgaves staan Poolse adressen vermeld. In het UWV-verzekeringsbericht valt op dat er een gat in de gewerkte uren zit, in de periode van september 2024 tot en met juli 2025. Het is onduidelijk of de opgeëiste persoon toen heeft gewerkt en waar hij heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft een klein kind in Polen, wat erop wijst dat zijn gezinsleven zich in Polen bevindt. 6.3. Oordeel van de rechtbank 6.3.1. Bewijsstukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. Dit stelt de rechtbank en de officier van justitie in staat de stukken te bestuderen, en stelt de officier van justitie in de gelegenheid om vragen te stellen aan de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6a, negende lid, OLW. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. Ondanks dat de stukken niet binnen bovengenoemde tien dagen termijn zijn ontvangen, zal de rechtbank de gelijkstellingsstukken wel bij haar beoordeling betrekken. In het onderhavige geval zijn de overgelegde documenten voldoende overzichtelijk en geordend. De rechtbank vindt daarvoor relevant dat de gelijkstellingsstukken, die op 16 juni 2026 door de rechtbank zijn ontvangen, voorzien zijn van een beknopte toelichting, waarin de inhoud van de aanvullende stukken voldoende wordt geduid. Het UWV-verzekeringsbericht is weliswaar pas op 22 juni 2026 ontvangen, maar de rechtbank zal de inhoud toch toestaan omdat het gaat om slechts één aanvullend document dat dermate overzichtelijk is dat de uiterst late aanlevertijd een goede beoordeling niet in de weg staat. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op het feit dat dit document gedateerd is op 22 juni 2026 en het dus voor de verdediging ook onmogelijk was om dit op een eerdere datum te verstrekken. 6.3.2. De gelijkstelling Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan het eerste vereiste van een ononderbroken rechtmatig verblijf van tenminste vijf jaar in Nederland. De verdediging heeft geen informatie overlegd waaruit blijkt op welke adressen de opgeëiste persoon gewoond heeft in Nederland. Uit de jaaropgaven in combinatie met het UWV-verzekeringsbericht kan weliswaar worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon vanaf 7 oktober 2019 gedurende meerdere jaren in Nederland heeft gewerkt en aan de hand van het aantal uren kan het niet anders dan dat hij hier ook heeft verbleven. Echter naast een periode van april tot juli 2022, waarin de opgeëiste persoon geen werk heeft gehad en hij daar ook geen verklaring voor geeft, constateert de rechtbank eveneens dat uit het UWV-document blijkt dat de opgeëiste persoon in elk geval vanaf begin september 2024 geen arbeidsovereenkomst in Nederland heeft gehad. Vanaf dat moment is er geen onderbouwing in het dossier voor zijn rechtmatig verblijf in Nederland totdat hij in juni 2025 weer arbeid verricht. Zijn eigen verklaring ter zitting, namelijk dat hij in die periode bij een vriend in Nederland heeft verbleven (en af en toe zwart heeft gewerkt) is niet onderbouwd door de verdediging. Nu hiervoor concrete en objectieve stukken ontbreken, is de vereiste periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland niet aangetoond. 7 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Zamość, second penal division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. HvJ EU 9 oktober 2025, C798/23, ECLI:EU:C:2025:763 ( Abbottly ). Zie HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rechtbank Amsterdam, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5116. Rechtbank Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .