Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7459 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 02-07-2026 (13-036597-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB Frankrijk; artikel 12 OLW: 12 sub d OLW aan de orde; verzetgarantie; artikel 11 OLW: algemeen gevaar weggenomen; overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-036597-26 Datum uitspraak: 2 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 14 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2026 door de Procureur-Generaal van het Gerechtshof van Parijs (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Suriname) inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [inschrijvingsadres]; feitelijk verblijfadres: [feitelijk verblijfadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 3 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam. De behandeling van de zaak is voor bepaalde tijd aangehouden om de antwoorden op de door het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) gestelde vragen over de detentieomstandigheden in Frankrijk af te wachten. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Zitting van 23 juni 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verstekvonnis van 9 oktober 2024 door Kamer 3, Afdeling 2 van het Gerechtshof van Parijs , met referentie: 23/003782. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Het EAB vermeldt dat van deze straf nog twee jaren, zes maanden en 16 dagen resteren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d): “ X 3.4 de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar X de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en X de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en X de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen (tien dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving van het arrest indien de beklaagde in Frankrijk (vasteland – France Métropolitaine) woonachtig is, één maand vanaf het moment van de kennisgeving indien de betrokkene buiten dit grondgebied woonachtig is. (…) ​​​​​​​Daar het besluit jegens de betrokkene bij verstek is gewezen kan hij een verzetsprocedure aantekenen. In dat geval zal de aanvankelijke bij verstek genomen beslissing teniet worden gedaan, en zal de betrokkene opnieuw berecht worden voor de feiten die het onderwerp zijn van het Europees aanhoudingsbevel. Overigens zal hij aan een rechter worden voorgeleid, de Rechter van Vrijheden en van Detentie, die het besluit zal nemen of de betrokkene tot aan zijn berechting in voorlopige detentie blijft of niet, op basis van het aanhoudingsbevel.” Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is. 4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden Inleiding Gelet op door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte verzetgarantie, zoals hiervoor onder 3.1 besproken, is het aannemelijk dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in een Huis van Bewaring zal worden geplaatst. In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan drie m². Gelet op dit algemene gevaar heeft de Cour d’appel de Paris – Parquet Général – Internationale afdeling op 6 mei 2026 de volgende informatie verstrekt: " (...) Aangezien de beslissing over de plaatsing van [opgeëiste persoon] bij zijn aankomst in Frankrijk onder de bevoegdheid valt van het ressortsparket van Parijs, het gerecht dat het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, kan het ressortsparket van Parijs de Nederlandse autoriteiten meedelen dat [opgeëiste persoon] bij zijn aankomst in Frankrijk waarschijnlijk zal worden gevangengehouden in de penitentiaire inrichting van Le Havre, waarvan de bezettingsgraad op 30 april 2026 112% bedraagt. Het gaat echter om een tijdelijke plaatsing, aangezien [opgeëiste persoon] na afloop van een zogenaamde oriëntatieprocedure in een andere penitentiaire inrichting kan worden geplaatst, waarna het aan de penitentiaire administratie is om de inrichting aan te wijzen waarin de betrokkene zal worden vastgehouden. De duur van zijn onderbrenging in de penitentiaire inrichting van Le Havre hangt af van de datum waarop [opgeëiste persoon] opnieuw door het cour d’appel van Parijs zal worden berecht voor de feiten die eerder aanleiding gaven tot zijn veroordeling bij verstek tot een gevangenisstraf van drie jaar (mocht hij besluiten om na zijn overlevering tegen deze beslissing verzet in te stellen), en vervolgens van de datum van zijn opname in een evaluatiecentrum, een noodzakelijke voorwaarde voor zijn definitieve plaatsing in een strafinrichting, instellingen waar de regelgeving een numerus clausus oplegt en die daardoor nooit te maken hebben met overbevolking. [opgeëiste persoon] zal na zijn overlevering en, in voorkomend geval, de bevestiging van zijn veroordeling, aangewezen zijn op overbrenging naar een strafinrichting na afloop van een zogenaamde oriëntatieprocedure. In dit kader zal hij binnen een termijn van maximaal 14 maanden na zijn definitieve veroordeling in een nationaal evaluatiecentrum (CNE) worden geplaatst. Na afloop van deze evaluatie in een CNE zal [opgeëiste persoon] definitief worden overgeplaatst naar een penitentiaire inrichting die bestemd is voor tenuitvoerlegging van straffen. (...) 2.2. De materiële detentieomstandigheden in de penitentiaire instelling van Le Havre In de penitentiaire instelling van Le Havre, net als in alle Franse penitentiaire instellingen, wordt de capaciteit van de cel bepaald bij de circulaire van 16 maart 1988 op basis van de vloeroppervlakte van de ruimte. De oppervlakte van de sanitaire ruimte wordt dus meegerekend in de oppervlakte van de cel; deze is afhankelijk van technische beperkingen en varieert tussen 1,4 en 1,8 m². Elke cel in deze instellingen beschikt over een ruimte die toegang biedt tot sanitair en een wastafel. De afdeling voor mannen in het huis van bewaring van Le Havre beschikt over 297 plaatsen, waarvan 3 cellen bestemd zijn voor personen met beperkte mobiliteit en 30 cellen gereserveerd zijn voor nieuwkomers. Het huis van bewaring voor volwassen mannen beschikt met name over: - 144 cellen met een oppervlakte van 10 tot 11 m² met een theoretische capaciteit van één plaats; - 63 cellen met een oppervlakte van 13 tot 14 m² met een theoretische capaciteit van twee plaatsen; - 4 cellen met een oppervlakte van 14 tot 19 m² met een theoretische capaciteit van drie plaatsen; - 1 cel met een oppervlakte van 19 tot 24 m² met een theoretische capaciteit van drie plaatsen. Elke cel beschikt over een raam dat open kan, waardoor de lucht kan worden ververst en de gedetineerden bij natuurlijk licht kunnen lezen en werken. Elke cel beschikt over een afgescheiden sanitaire ruimte met een toilet, een wastafel met koud en warm water en een verwarmingssysteem. De verlichting wordt verzorgd door een plafondlamp, die wordt bediend via een schakelaar in de cel. Elke gedetineerde beschikt over een bed. (...) Toegang tot culturele, sportieve, sociale, integratie-, opleidings- of werkactiviteiten vindt plaats op verzoek van de gedetineerde en na bevestiging van zijn inschrijving op een lijst. Zo kunnen gedetineerden sporten in een fitnessruimte of op een buitensportveld. Ze hebben ook toegang tot onderwijs dat is aangepast aan hun niveau en wordt gegeven door personeel van het Ministerie van Onderwijs dat in de instelling werkzaam is, of, eventueel, tot afstandsonderwijs via het CNED (Centre National d'Enseignement à Distance), en ze hebben toegang tot de bibliotheek van de instelling. Op voorwaarde dat ze zich voor werk hebben ingeschreven, kunnen gedetineerden ook betaald werk verrichten in de werkplaatsen van de instelling of in de algemene dienst. Elke instelling organiseert ook culturele activiteiten op basis van programma's die in de loop van het jaar worden aangepast. Zou de gedetineerde geen enkele activiteit aanvragen of niet reageren op voorstellen van het personeel, kan hij toch elke dag minstens een uur lang luchten. De tijd die in de cel wordt doorgebracht, hangt af van de activiteiten die de gedetineerde verricht, met dien verstande dat de gedetineerde ’s nachts niet langer dan twaalf uur in de cel mag worden opgesloten. (…) " Naar aanleiding van deze informatie heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 26 mei 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld: “ 1. When detained in one of the 144 cells with a surface area of 10 to 11 m2 with a theoretical capacity of 1 place (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than one other person in which case he would have at least have 8.2 m2 individual floor space in that cell when detained individually (10 m2 -/- 1,8 m2 sanitary area) or 4.1 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate? 2. When detained in one of the 63 cells with a surface are of 13 to 14 m2 with a theoretical capacity of 2 places (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than two other persons in which case he would have at least have 5.6 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate (13 m2 -/- 1,8 m2 sanitary area) or 3.7 m2 individual floor space in that cell when detained with two other cellmates? 3. When detained in one of the 4 cells with a surface are of 14 to 19 m2 with a theoretical capacity of 3 places (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than three other persons in which case he would have at least have 4.06 m2 individual floor space in that cell when detained with two other cellmates (14 m2 -/- 1,8 m2 sanitary area) or 3.05 m2 individual floor space in that cell when detained with three other cellmates? 4. When detained in the one cell with a surface area of 19 to 24 m2 with a theoretical capacity of 3 places (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than three other person in which case he would have at least have 5.7 m2 individual floor space in that cell when detained with two other cellmates (19 m2 -/- 1,8 m2 sanitary area), 4.3 m2 individual floor space in that cell when detained with three other cellmates?” In reactie op deze vragen van het IRC is op 16 juni 2026 de volgende aanvullende informatie ontvangen: “Het Parket-Generaal van het Gerechtshof van Parijs is in staat om aan de Nederlandse autoriteiten aan te geven dat [opgeëiste persoon], gezien de huidige omstandigheden van de Justitiële Inrichting van Le Havre, in aanmerking kan komen: - Voor een cel van 10 à 11 m²: 8,2 m² individuele ruimte indien hij er alleen in detentie verblijft of 4,1 m² individuele ruimte indien hij er met een medegevangene in detentie verblijft; - Voor een cel van 13 à 14 m²: 5,6 m² individuele ruimte indien hij er met één medegevangene verblijft of 3,7 m² individuele ruimte indien hij er met twee andere medegevangenen in detentie verblijft; - Voor een cel van 14 à 19 m²: 4,06 m² individuele ruimte indien hij er met twee andere medegevangenen in detentie verblijft of 3,05 m² individuele ruimte indien hij er met drie medegevangenen in detentie verblijft; - Voor een cel van 19 à 24 m²: 5,7 m² individuele ruimte indien hij er met twee andere medegevangenen in detentie verblijft of 4,3 m² individuele ruimte indien hij er met drie andere medegevangenen in detentie verblijft. Het Parket-Generaal van het Gerechtshof van Parijs is van oordeel aldus alles in het werk te stellen teneinde te verzekeren dat de Europese detentienormen worden nageleefd, voor het geval [opgeëiste persoon] tijdelijk in de justitiële inrichting van Le Havre wordt gedetineerd.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de garantie van 16 juni 2026 het algemene gevaar voor een schending van grondrechten niet wegneemt voor de opgeëiste persoon en dat daarom geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Uit die informatie blijkt namelijk niet hoe de celruimte zich verhoudt ten opzichte van de bezettingsgraad van 112% in Le Havre . Ook blijkt uit de informatie die de Franse autoriteiten geven dat de opgeëiste persoon mogelijk in een cel terechtkomt van drie vierkante meter. In de aanvullende informatie is niet gespecificeerd welke compenserende factoren er in dat geval zijn. Niet is uitgesloten dat de opgeëiste persoon 23 uur per dag op cel zal zitten in een cel van drie vierkante meter. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemene gevaar voor een schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Uit de informatie van de Franse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon mogelijk in een cel terechtkomt tussen de drie en vier vierkante meters. De overige detentieomstandigheden dienen daarom te worden meegewogen. In de garantie worden meerdere compenserende factoren genoemd. De detentiegarantie volstaat daarom. Oordeel van de rechtbank Op grond van de aanvullende informatie van 6 mei 2026 en 16 juni 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in de detentie-instelling van Le Havre gedetineerd zal worden. De rechtbank zal daarom voor deze instelling moeten onderzoeken of het algemene gevaar voor een schending van grondrechten met de afgegeven detentiegarantie is weggenomen. De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 16 juni 2026 – in combinatie met de door het IRC gestelde vragen - vast dat de opgeëiste persoon in een cel geplaatst zal worden tussen de 3,05 en 8,2 vierkante meters. Nog daargelaten dat het voor Frankrijk aangenomen algemene gevaar niet ziet op het aantal uren dat een gedetineerde structureel per dag op cel moet doorbrengen blijkt uiit de aanvullende informatie van 6 mei 2026 dat de opgeëiste persoon niet structureel 23 uur per dag op cel zal verblijven. De rechtbank ziet ook overigens in de genoemde materiële omstandigheden geen reden om aan te nemen dat er in het geval van de opgeëiste persoon sprake is van een gevaar voor een schending van zijn grondrechten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze informatie geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest, ten aanzien van de opgeëiste persoon. Het verweer wordt verworpen.. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur-Generaal van het Gerechtshof van Parijs voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter mr. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffiers. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751

Similar Content