Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:20111 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 17-07-2026 (NL26.19148 en NL26.19149)

Rechtbank Den Haag
Summary

Asiel Kenia. Somalische of keniaanse nationaliteit, inspanningsverplichting gegrond.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.19148 (beroep) NL26.19149 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag 1] 1984, van Keniaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A.W. IJland), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Latul). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. De gemachtigde van de minister is met voorafgaand bericht niet op de zitting verschenen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Asielrelaas 4. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij [eiser] heet en is geboren op [geboortedag 2] 1988. Hij heeft verklaard dat hij de Somalische nationaliteit heeft en tot de Garre bevolkingsgroep behoort. Verder heeft hij verklaard dat hij vanaf 2012 problemen heeft met de Marehan stam, omdat zijn zwager land wil innemen dat eiser geërfd heeft van zijn vader. Eiser is vervolgens mishandeld en gevlucht. In Kenia is hij vervolgens getrouwd met een Keniaanse vrouw en heeft hij vier kinderen gekregen. Eiser heeft ook verklaard dat hij in 2018 beschoten is en tot 2022 onder de radar heeft verbleven tot hij is vertrokken naar Zuid-Afrika. Daar heeft hij gewerkt tot februari 2025 tot daar ook Marehan-leden te zien waren. Vervolgens is hij teruggekeerd naar Kenia en heeft hij elf maanden in Kenia ondergedoken gezeten in Nairobi. Besluitvorming 5. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven Identiteit, nationaliteit en herkomst; en Problemen met de Marehan-leden. 5.1. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende documenten verstrekt en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Eisers verklaringen komen niet overeen met zijn echt bevonden Keniaanse paspoort, waarmee hij door heel veel verschillende landen is gereisd en waarmee hij een visum heeft verkregen. 5.2. De minister vindt eisers problemen met de Marehan-leden ook ongeloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende documenten verstrekt en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De verklaringen over zijn reis naar Kenia zijn opmerkelijk en het is ongerijmd dat hij steeds moest vluchten. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. 5.3. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000. Herhaling eerder ingelaste stukken 6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser handhaaft alle stellingen die eerder in de procedure zijn ingenomen en verwijst naar eerder in de procedure overgelegde stukken. De reactie van de minister op die stellingen zijn een herhaling van zetten en daarom volstaat een verwijzing naar de eerder ingenomen stellingen en overgelegde stukken. 7. De rechtbank overweegt dat wat eiser heeft aangevoerd een herhaling van zetten is. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit hierop gemotiveerd is ingegaan. Nu eiser niet heeft aangegeven waarom de weerlegging van die bezwaren onjuist is dan wel op welke andere wijze het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan, kan een enkele herhaling van zetten niet tot enig resultaat leiden. Somalische nationaliteit 8. Eiser stelt verder dat de minister ten onrechte met betrekking tot de identiteit, nationaliteit en herkomst heeft overwogen dat niet voldoende inspanning is geleverd om aan te tonen dat hij de Keniaanse nationaliteit niet heeft. De Keniaanse ambassade heeft medegedeeld dat een verificatieprocedure dient te worden doorlopen waaraan de immigratie- en naturalisatiedienst haar medewerking dient te verlenen, onder andere door eiser (in staat te stellen zich) te presenteren op de ambassade en daarbij het Keniaanse paspoort ter beoordeling aan de Keniaanse ambassade ter beschikking te stellen. De minister miskent dat het leveren van meer inspanningen niet gevergd kan worden van eiser, omdat de Keniaanse ambassade voldoende duidelijkheid heeft verschaft over het te volgen proces. De minister is nu aan zet om medewerking te verlenen aan dit proces. 9. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in een uitspraak van 14 maart 2024 het toetsingskader heeft uiteengezet rondom de beoordeling van persoonsgegevens en de nationaliteit van een vreemdeling. Hieruit volgt dat de minister in beginsel mag uitgaan van de gegevens zoals vermeld in een authentiek bevonden paspoort en dat het in de eerste plaats op de weg van de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat een echt bevonden paspoort op een frauduleuze wijze is verkregen. Uit deze uitspraak volgt dat van een vreemdeling mag worden verwacht dat hij alles doet waar hij redelijkerwijs toe in staat is om van de autoriteiten een verklaring te verkrijgen waaruit blijkt of zij het paspoort aanmerken als rechtsgeldig afgegeven en/of zij de vreemdeling als hun onderdaan beschouwen. De Afdeling heeft in overweging 4 toegelicht hoe een vreemdeling dit kan doen. Zo wijst de Afdeling op het opnemen van contact met de diplomatieke vertegenwoordiging van het land dat het paspoort heeft afgegeven in een voor hen gangbare taal. Daarnaast moet een vreemdeling de door de betreffende autoriteiten voorgeschreven procedures volgen, de gevraagde informatie verstrekken en zo nodig rappelleren. Als een vreemdeling onvoldoende moeite heeft gedaan om een dergelijke verklaring van de autoriteiten te verkrijgen, mag de minister ervan uitgaan dat de vreemdeling de nationaliteit heeft die op het paspoort is vermeld. Als een vreemdeling een oprechte inspanning heeft geleverd om een verklaring te krijgen van de autoriteiten over de verkrijging van zijn paspoort en/of zijn nationaliteit, maar daar desondanks niet in is geslaagd, is het aan de minister om die autoriteiten te benaderen. 10. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende inspanning heeft verricht om van de Keniaanse autoriteiten een verklaring te verkrijgen over zijn paspoort en/of zijn nationaliteit. De gemachtigde van eiser heeft namelijk op 29 maart 2026 in het Engels per e-mail een bericht gestuurd naar de Keniaanse ambassade in Den Haag met de vraag of geverifieerd kan worden of het Keniaanse paspoort van eiser op een legale wijze is uitgegeven. Vervolgens heeft de gemachtigde op 30 maart 2026 per e-mail gerappelleerd. Daarnaast heeft de gemachtigde op 30 maart 2026 telefonisch contact met de ambassade gehad en hiervan een screenshot overgelegd. Tijdens het telefoongesprek tussen de gemachtigde van eiser en de ambassade is gebleken dat eiser medewerking van de minister nodig heeft om de voorgeschreven procedures te volgen. 11. Het standpunt van de minister dat hij niet hoefde mee te werken aan een presentatie aan de Keniaanse ambassade, omdat eiser geen enkel document heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn verklaring dat zijn paspoort op frauduleuze wijze is verkregen, volgt de rechtbank niet. In de aanvullende zienswijze heeft de gemachtigde van eiser beschreven hoe de verificatieprocedure volgens de ambassade eruitziet. Die procedure houdt in dat eiser persoonlijk moet verschijnen op de ambassade en een toestemmingsformulier moet ondertekenen, waarna dit formulier tezamen met het paspoort wordt doorgestuurd naar de autoriteiten in Nairobi waarna verder onderzoek plaatsvindt. Dat eiser nog ondersteunende documenten moet overleggen over dat zijn paspoort op frauduleuze wijze is verkregen, volgt niet uit deze beschrijving van de ambassade. De minister heeft deze beschrijving niet bestreden en ook niet nader toegelicht waarom ondersteunende documenten wel nodig zijn. Gelet op het voorgaande heeft de minister niet aan zijn samenwerkingsverplichting voldaan. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 12. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. 14. Omdat op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. 15. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dit levert 3 procespunten op met een waarde van € 934,- per punt. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.19148: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.19149: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:1071.

Similar Content