Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:8693 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 15-07-2026 (HAA 26/2656)

Rechtbank Noord-Holland
Summary

Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde last onder dwangsom om de bewoning van de woning van eisers in Enkhuizen door meerdere huishoudens te beëindigen en beëindigd te houden. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van één huishouden en dat de woning dus in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Dit is een overtreding. Er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden die ertoe nopen om van handhaving af te zien. Evenmin slaagt het beroep op artikel 8 EVRM, omdat dit artikel niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers in dit geschil. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Full text

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 26/2656 en 26/2655 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit Sint Maartensvlotbrug, eisers (gemachtigde: mr. E.M.M. Eyking), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen , het college (gemachtigde: A. Nolten). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde last onder dwangsom om de bewoning van de woning aan de [adres] in Enkhuizen door meerdere huishoudens te beëindigen en beëindigd te houden. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college de last onder dwangsom mocht opleggen. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Daarbij gaat de voorzieningenrechter eerst in op de vraag of sprake is van een overtreding doordat meerdere huishoudens in de woning verblijven. Onder 5 komt aan de orde of sprake is van bijzondere omstandigheden die het college ertoe hadden moeten nopen om niet handhavend op te treden. Onder 6 bespreekt de voorzieningenrechter de gestelde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij het besluit van 17 maart 2026 tot oplegging van de last onder dwangsom gebleven. 2.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.2 Het college heeft op 29 juni 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] en zijn gemachtigde. Namens het college hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en [naam 1] . 2.4 Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen. Beoordeling door de voorzieningenrechter De van belang zijnde feiten en omstandigheden 3.1 Eisers zijn de eigenaren van de eengezinswoning aan de [adres] in Enkhuizen (hierna: de woning). Eisers verhuren de woning. 3.2 Op het perceel van de woning is het bestemmingsplan “Noord / Oude Gouw 2008” van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 1 januari 2024 onderdeel gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Enkhuizen. 3.3 Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen-2’. Volgens artikel 14 van de planregels zijn gronden waarop deze bestemming rust bestemd voor woonhuizen al dan niet in combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep. Artikel 1.54 van de planregels bepaalt dat onder de term ‘woonhuis’ wordt begrepen: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden. Artikel 1.52 van de planregels bepaalt dat een ‘woning’ is: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 3.4 De toezichthouders van de gemeente Enkhuizen hebben van de afdeling Burgerzaken de melding gekregen dat op het adres van de woning aan de [adres] negen personen staan ingeschreven. Twee toezichthouders hebben vervolgens de woning bezocht op 10 december 2025. Zij troffen op dat moment de heer [naam 2] aan. Hij vertelde dat 7 personen in de woning woonden namelijk: - [naam 3] , geboren in 1971, van Poolse nationaliteit; - [naam 4] , geboren in 1993, van Poolse nationaliteit; - [naam 2] , geboren in 1994, van Poolse nationaliteit; - [naam 5] , geboren in 1995, van Oekraïense nationaliteit; - [naam 6] , geboren in 1996, van Oekraïense nationaliteit; - [naam 7] , geboren in 2003, van Oekraïense nationaliteit; - [naam 8] , geboren in 2003, van Oekraïense nationaliteit. De heer [naam 2] verklaarde verder dat hij sinds 6 december in de woning woonde samen met zijn moeder en broer. De huur was € 120,- per persoon, per week (dus totaal € 360,- x 4 = € 1.440,- per maand). Zij werken alle drie bij [bedrijf 1] . De heer [naam 5] verklaarde dat hij met zijn vriendin [naam 6] in de woning woonde. Zij betaalden € 750,- huur per persoon, per maand (dus in totaal € 1.500,- per maand). Zij werken allebei bij de [bedrijf 2] . [naam 7] en [naam 8] werken allebei bij de [bedrijf 3] . De toezichthouders zagen beneden een woonkamer met open keuken. De twee slaapkamers op de tweede bouwlaag werden gebruikt door [naam 5] en [naam 6] en de ander door [naam 4] en [naam 2] . Via de trap kwamen de toezichthouders op de derde bouwlaag waar een gordijn was gespannen. Daarachter was het bed van [naam 3] . In de kamer achter de deur was de slaapkamer van [naam 7] en [naam 8] . Een vliering was te bereiken via een vlizotrap, maar die was niet in gebruik. 3.5 Op 19 februari 2026 heeft het college aan eisers het voornemen bekend gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen. Eisers hebben hiertegen een zienswijze ingediend. 3.6 In het primaire besluit van 17 maart 2026 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat de overtreding van artikel 5.1,eerste lid onder a, van de Omgevingswet moet worden beëindigd en beëindigd gehouden. Voldoen eisers niet aan de last dan verbeuren zij een dwangsom van € 15.000,- ineens. Eisers kunnen aan de last voldoen door binnen 12 weken (hierna: de begunstigingstermijn) na dagtekening van het besluit maximaal één afzonderlijk huisouden in de woning op het perceel [adres] in Enkhuizen te huisvesten. Dit wordt als volgt gemotiveerd. In artikel 27a van de planregels staat dat het verboden is om gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming. Eisers gebruiken de woning voor de huisvesting van personen die niet gezamenlijk zijn aan te merken als één afzonderlijk huishouden en dit is in strijd met het bestemmingsplan. In de woning verblijven personen met een Poolse en Oekraïense nationaliteit. Voor het aannemen van één afzonderlijk huishouden is vereist dat sprake is van onderlinge verbondenheid en een zekere continuïteit in de samenstelling. In deze situatie is gebleken dat tussen de zeven bewoners geen nauwe band bestaat en dat onderlinge verbondenheid ontbreekt. Een persoon heeft ook verklaard pas sinds 6 december 2025 in de woning te wonen. Dit duidt op recent en mogelijk tijdelijk verblijf. Ook verschillen de hoogte en de systematiek van de huurbetalingen. De verschillende huurprijzen en betaalafspraken duiden op afzonderlijke huurrelaties. Deze omstandigheden wijzen erop dat meerdere personen individueel woonruimte huren en gebruiken, zonder dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Ook is de woning ingericht met afzonderlijke slaapplaatsen, verspreid over meerdere verdiepingen. Deze inrichting is kenmerkend voor individuele bewoning en niet voor bewoning door één huishouden. Dat meerdere bewoners voor dezelfde werkgever werkzaam zijn, maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat een van de Poolse bewoners zorg behoeft zou hebben en de Oekraïense personen zich in een vluchtsituatie bevinden, is onvoldoende om de vereiste onderlinge verbondenheid aan te nemen. Dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan is slechts toegestaan als daarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. Daarvan is geen sprake. Het college acht de handhaving niet onevenredig. Van een concreet zicht op legalisatie is geen sprake. Dat enkele bewoners kwetsbaar zouden zijn en dat sprake is van krapte op de woningmarkt, maakt evenmin dat van handhaving moet worden afgezien. 3.7 Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en hebben het college op 23 maart 2026 verzocht om de begunstigingstermijn op te schorten tot 6 weken na de beslissing op het bezwaar. Bij besluit van 25 maart 2026 heeft het college dit verzoek afgewezen. 3.8 Op 3 april 2026 hebben eisers weer verzocht om opschorting van de begunstigingstermijn. Bij besluit van 8 april 2026 heeft het college dit verzoek weer afgewezen. 3.9 Op 20 april 2026 zijn eisers op een hoorzitting gehoord. 3.10 In het betreden besluit van 12 mei 2026 heeft het college in navolging van het advies van de bezwaaradviescommissie het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de last in stand gelaten. 3.11 In een besluit van 1 juni 2026 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de begunstigingstermijn zoals opgenomen in de last van 17 maart 2025 wordt verlengd tot een week na de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening of tot een week na de intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening. Is sprake van een overtreding doordat meerdere huishoudens in de woning verblijven? 4.1 Eisers stellen dat wel sprake is van één huishouden, zodat geen sprake is van een overtreding. De personen die in de woning wonen delen de gehele woning, inclusief woonkamer, keuken en badkamer. Er is sprake van wederzijdse zorg en verbondenheid. De intentie is om op duurzame basis samen te blijven wonen. Dat er verschillende betalingen worden gedaan, betekent niet dat sprake is van commerciële kamerverhuur. Het zijn bijdragen aan de huur en de gezamenlijke lasten. Het feit dat een slaapkamer door een gordijn is afgeschermd, is ook geen argument tegen het bestaan van één huishouden omdat het alleen een invulling is van de slaapruimte en niets zegt over het feitelijk samenleven en delen van de woning. Daarbij komt dat het college haar besluit mede baseert op de inschrijving in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). Uit de jurisprudentie volgt echter dat de BRP niet doorslaggevend is voor de feitelijke woonsituatie. Het college had nader onderzoek moeten doen door nog een huisbezoek af te leggen of bij de buren navraag te doen. Ten slotte hebben eisers ter onderbouwing van het standpunt een verklaring gezamenlijke bewoning van 31 mei 2026, een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd van 31 mei 2026, een schriftelijke verklaring ondertekend door vijf bewoners van 24 juni 2026 en 2 foto’s overgelegd. 4.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van één huishouden en dat de woning dus in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Dit is een overtreding. 4.2.1 Uit vaste jurisprudentie volgt dat het criterium om te spreken van één huishouden is dat sprake is van samenwonen in een zekere duurzame en bestendige samenstelling, waarbij tussen de bewoners onderlinge verbondenheid bestaat die verder gaat dan alleen het gezamenlijk bewonen van dezelfde woning. Uit het controlerapport van de toezichthouders blijkt dat daarvan geen sprake is. In de woning woonden op dat moment zeven bewoners met de Poolse en Oekraïense nationaliteit. Niet is gebleken van een nauwe band of onderlinge verbondenheid tussen alle bewoners. Eerder is sprake van individuele bewoning en afzonderlijke huurrelaties. Dat de bewoners in praktische zin samen gebruik maken van de woning en dat zij elkaar mogelijk ondersteunen, is daartoe onvoldoende. Daarvoor is meer nodig. 4.2.2 De door eisers overgelegde ‘verklaring van gezamenlijke bewoning’ (op 1 juni 2026 aan de rechtbank gestuurd), de huurovereenkomst van 31 mei 2026 en de verklaring van de bewoners van 24 juni 2026 leiden niet tot een ander oordeel. Allereerst dateren deze verklaringen en de huurovereenkomst van na de opgelegde last, zodat het college die verklaring bij de oplegging van de last niet kon betrekken. Daarnaast blijkt uit de huurovereenkomst en deze verklaringen enkel hoe de woning feitelijk door de bewoners wordt gebruikt, namelijk dat zij de woonkamer, keuken en badkamer gezamenlijk gebruiken. Dat de bewoners gemeenschappelijke financiën hebben en dat tussen hen sprake is van een sociale verbondenheid en zorgplicht is alleen gesteld en op geen enkel wijze onderbouwd. Uit de omstandigheid dat de bewoners samen de woning en tuin zouden onderhouden en dat zij gezamenlijk een hond zouden hebben aangeschaft zoals ter zitting gesteld, zou misschien kunnen blijken dat zij enige vorm van een relatie met elkaar hebben tijdens de bewoning van de woning, maar deze omstandigheden maken niet dat tussen hen voldoende verbondenheid bestaat om te spreken van één huishouden. 4.2.3 Evenmin is de samenwoning tussen de bewoners duurzaam te noemen omdat de zeven bewoners, zo is ter zitting gebleken, pas sinds september / oktober 2025 op deze wijze samenwoonden. Een van de bewoners heeft tegen de toezichthouders tijdens de controle verklaard dat hij pas sinds december 2025 in de woning woont. Inmiddels hebben twee bewoners de woning ook alweer verlaten. Daarbij heeft het college ook mee kunnen wegen dat de bewoners verschillende huurbedragen betaalden, waarbij de een per week betaalde en de ander per maand. Dit duidt evenmin op een duurzame en bestendige samenstelling. 4.2.4 Gelet op het voorgaande volgt de voorzieningenrechter dus ook niet de stelling van eisers dat het college na het eerste bezoek van de toezichthouders nader onderzoek had moeten doen. 4.3 Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Is sprake van bijzondere omstandigheden? 5.1 Eisers voeren aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het college ertoe hadden moeten nopen om niet handhavend op te treden. Een aantal bewoners zijn ontheemden uit Oekraïne die vallen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Zij hebben behoefte aan veiligheid en stabiliteit. Ook is sprake van Poolse bewoners met een grote zorgbehoefte. Onderdeel van de bewonersgroep is namelijk een moeder met twee zonen die een afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Het is inhumaan om deze groep uit elkaar te trekken. Handhaving is onevenredig door de krapte op de arbeidsmarkt en de dakloosheid die zal ontstaan. Daarbij komt dat de bewoners al lange tijd op deze wijze samenwonen en er geen sprake was van overlast die handhaving noodzakelijk maakt. 5.2 De voorzieningenrecht stelt voorop dat het college bij een overtreding in beginsel handhavend dient op te treden. Daarvan kan worden afgeweken indien sprake is van een concreet zicht op legalisatie of bijzondere omstandigheden die handhaving onevenredig maken. Van een concreet zicht op legalisatie is geen sprake omdat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning te verlenen en eisers ook geen aanvraag hebben ingediend. De last is ook niet onevenredig. Het doel van de last is dat het gebruik van de woning weer in overeenstemming wordt gebracht met het omgevingsplan. De last is daarvoor een geschikt middel. De last is ook nodig omdat het strijdig gebruik zonder de last kan voortduren. Van en minder vergaande maatregel waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt is niet gebleken. Daarbij is van belang dat het college niet heeft gelast dat de woning moet worden ontruimd of dat bepaalde personen die woning moeten verlaten. Dat geen overlast in de buurt is vastgesteld, maakt het voorgaande niet anders. De gestelde zorgsituatie tussen de bewoners is niet onderbouwd met bijvoorbeeld medische informatie. Ook de nationaliteit van de bewoners, de krapte op de arbeidsmarkt en woningmarkt, maken niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden zodat van handhaving moet worden afgezien. 5.2 Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Is sprake van schending van artikel 8 EVRM? 6.1 Eisers voeren aan dat de last in strijd is met artikel 8 EVRM dat recht geeft op een eerbiediging van het privéleven en gezinsleven. 6.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 8 EVRM niet strekt tot de bescherming van belangen van eisers in dit geschil. Eisers wonen immers zelf niet in de woning. Deze beroepsgrond kan daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. De rechtbank verwijst naar artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde last onder dwangsom in stand blijft. 8. Het college heeft ter zitting de toezegging gedaan dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Eisers hebben dus nog zes weken na deze uitspraak om aan de last te voldoen. 9. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 10. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ECLI:NL:RVS:2025:3851 en ECLI:NL:RVS:2026:1796.

Similar Content