Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7194 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 08-07-2026 (13-309819-25)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Polen. Artikel 7 OLW: Het feit (niet betalen van kinderalimentatie) is door de toevoeging bij de feitsomschrijvingin het EAB "thereby exposed them to the impossibility of satisfying their basic needs" dubbel strafbaar en kan worden gekwalificeerd onder artikel 255 Sr. Arikel 6a OLW: Ook al komt de rechtbank, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over detentieomstandigheden, niet tot een einduitspraak, overweegt de rechtbank omtrent het gevoerde gelijkstellingstellingsverweer het volgende. De rechtbank heeft kennis genomen van het gelijkstellingsdossier en stelt vast dat op basis van de verstrekte informatie niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op dit moment vijf jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Artikel 11 OLW: het vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte aanvullende informatie voor de opgeëiste persoon niet weggenomen. De rechtbank stelt een individueel gevaar vast en stelt een redelijke termijn. Het onderzoek wordt heropend en geschorst.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-309819-25 Datum uitspraak: 15 juli 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 4 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 oktober 2025 door the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt the enforceable/exercisable decision of the District Court in Chojnice of 19th July, 2023, on applying a preventive measure in a form of temporary arrest met kenmerk II K 157/21. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk iemand tot wiens onderhoud hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand laten. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Gelijkstelling Ook al komt de rechtbank, gelet op hetgeen hier onder 6.2 wordt overwogen, niet tot een einduitspraak, overweegt de rechtbank omtrent het gevoerde gelijkstellingstellingsverweer het volgende. De rechtbank heeft kennisgenomen van het gelijkstellingsdossier en stelt vast dat op basis van de verstrekte informatie niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op dit moment vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. 6 Artikel 11 OLW 6.1 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2 Poolse detentieomstandigheden Inleiding In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 12 mei 2026 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten: “1. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender? 2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s): 3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell? 4. If not, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell? The Court requests information on: - Which activities the wanted person can participate in; - The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library, common rooms, etc.); - The frequency of such activities and how much time the wanted person can access the common areas outside of the cell; - Whether the permission to participate in activities or access to common areas is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which conditions or procedural rules; and/or - Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.” Op 18 mei 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ Further to the e-mail message dated 12th May 2026, the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department informs that it is impossible (at the moment) to provide name (details) of any particular custody on remand/temporary arrest facility to which [de opgeëiste persoon] would be sent (transferred); as a result, it is impossible to give answers to your questions number 2, 3 and 4. At the same time, according to the information obtained from the District Court in Chojnice, the temporary arrest of [de opgeëiste persoon] is connected with the necessity to carry out forensic­ psychiatric assessment with his participation, and after carrying it out, the temporary arrest will be canceled immediately. Putting him in a particular remand cell depends on orders of the Director of a particular Remand/Detention Center and also it depends on the Rules and Regulations in force in such a center .” Op 28 mei 2026 heeft het IRC vervolgens de volgende aanvullende vragen gesteld: “1) Could you please inform me where [de opgeëiste persoon] will most likely be detained after his surrender to Poland? As indicated in my email of 12.05.2026, the Court of Amsterdam ruled that there is a general real risk of violation of fundamental rights for remand prisoners in Poland. 2) Is it possible to guarantee that [de opgeëiste persoon] will not be detained in the remand regime after his surrender?” Op 5 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: “Further to the e-mail message dated 28th May 2026, the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department informs that temporary arrest detention on remand) of [de opgeëiste persoon] - the accused, will be carried out most probably in the External Branch of the Koronowo Penitentiary in Chojnice (…). The temporary arrest (detention on remand) will be canceled immediately after carrying out the forensic-psychiatric assessment of the accused which (the assessment) will take place as soon as possible. Such assessment is carried out by forensic psychiatrists (court-appointed psychiatrists) at the District Court in Chojnice once a month.” Op 16 juni 2026 heeft het IRC nogmaals vragen gesteld, vergelijkbaar met de vragen van 12 mei 2026. Op 18 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: “(…)the Regional Court in Słupsk, 2nd Criminal Division does not have the information required to answer the very detailed questions posed by the court in Amsterdam as it exceeds the scope of information specified in the provisions of the Regulation of the Minister of Justice of 23 December 2022 on the Organizational and Administrative Regulations for the Enforcement of Pre-Trial Detention.” Op 29 juni 2026 heeft het IRC de volgende vragen gesteld, te weten: “(…) In Annex 1 I have attached additional information we have received in a different surrender case with regard to the External Branch of the Koronowo Penitentiary in Chojnice. 1) Could you please inform me whether this information also applies to [de opgeëiste persoon] after his surrender and placement in this detention center? (…) In Annex 2 I have attached such a guarantee that we have received in a different surrender case. This guarantee was deemed sufficient and the surrender was authorized. 2) Could you please inform me whether [de opgeëiste persoon] will also have the possibility to spend at least two hours per day outside of his cell if he participates in all activities provided in Chojnice and participates in the daily walk of 1 hour?” Op 1 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als volgt geantwoord: “The Regional Court in Słupsk, II Criminal Division, in relation to the correspondence, informs that inmates have the right to walk outside the cell for at least an hour and the opportunity to participate in cultural and educational activities outside the residential cell, although the frequency of such classes is unknown. Once again, it should be emphasized that the defendant will be released immediately after the forensic psychiatric examination is conducted.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Ten aanzien van de persoonlijke leefruimte van de opgeëiste persoon wordt slechts het absolute minimum aan persoonlijke leefruimte gegarandeerd. Over de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven en aan welke activiteiten hij kan deelnemen en hoe vaak en hoe lang hij aan deze activiteiten kan deelnemen, zijn door het IRC meerdere keren vragen gesteld. Uiteindelijk wordt in de aanvullende informatie van 5 juni 2026 aangegeven dat de opgeëiste persoon na overlevering waarschijnlijk zal worden geplaatst in de Externe Vestiging van de Penitentiaire Inrichting in Koronowo in Chojnice. Er wordt geen informatie gegeven over de tijd die de opgeëiste persoon, naast één uur wandelen per dag, buiten zijn cel kan verblijven. In de uitspraak van uw rechtbank van 24 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de informatie die was verstrekt over deze detentie-instelling en met name de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kon verblijven niet voldoende was. De uitvaardigende justitiële autoriteit stelt dat de opgeëiste persoon slechts voor een forensisch psychiatrisch onderzoek wordt vastgehouden en dat hij daarna direct in vrijheid wordt gesteld. Niet vermeld wordt echter wanneer dat onderzoek plaatsvindt en hoe lang het duurt. Omdat het IRC al meerdere keren vragen over de detentieomstandigheden heeft gesteld en uit de aanvullende informatie duidelijk blijkt dat een bepaalde tijd buiten de cel, meer dan een uur wandelen per dag, niet kan worden gegarandeerd, is het niet zinvol om nogmaals vragen te stellen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de detentieomstandigheden. Er is door het IRC meerdere keren geprobeerd de benodigde aanvullende informatie en garanties te krijgen. Hoewel er door de uitvaardigende justitiële autoriteit op meerdere momenten aanvullende informatie is verstrekt, kan niet worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon meer dan één uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De uitvaardigende justitiële autoriteit stelt dat de overlevering wordt verzocht ter uitvoering van een forensisch psychiatrisch onderzoek en dat de opgeëiste persoon na afronding van dat onderzoek in vrijheid wordt gesteld. Dat onderzoek zou binnen korte tijd kunnen zijn afgerond, maar het kan ook zijn dat het langer gaat duren. Na alle pogingen die al zijn gedaan om de benodigde aanvullende informatie te krijgen, ziet de officier van justitie geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nogmaals vragen te stellen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hiervoor is het volgende van belang. De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid wordt geplaatst in the External Branch of the Koronowo Penitentiary in Chojnice . Onduidelijk is hoeveel vierkante meter persoonlijke leefruimte de opgeëiste persoon in deze instelling tot zijn beschikking zal hebben. Daarnaast kan de rechtbank aan de hand van de verstrekte informatie niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de verstrekte aanvullende informatie dan ook geen garantie dat de opgeëiste persoon na overlevering wordt geplaatst in een (meerpersoons)cel met minimaal 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, en dat hij niet het risico loopt om structureel 23 uur per dag op zijn cel door te brengen. Gelet op het feit dat het IRC meerdere keren uitgebreide vragen heeft gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden en de uitvaardigende justitiële autoriteit al vier keer aanvullende informatie heeft verstrekt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals vragen te stellen. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen. Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. De voortzetting van de zaak zal zo mogelijk worden ingepland in de periode van 13 augustus 2026 tot en met 3 september 2026, zodat op dat moment kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden. Verlenging van de beslistermijn De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 29 juli 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de - geschorste - gevangenhouding met 60 dagen. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag in de periode van 13 augustus 2026 tot en met 3 september 2026. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 27 september 2026). VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de - geschorste - gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 60 dagen; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG713126359915QÈ G713126359915 Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 4 juni 2026, C-722/23 (Rugu) en C-91/24 (Aucroix), ECLI:EU:C:2025:549. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Zie onder meer: Rb. Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257. ECLI:NL:RBAMS:2024:8741.

Similar Content