Rechtbank Amsterdam, 13-09-2018 (C/13/641798 / HA RK 18-9)
Verzoek om inzage in de persoonsgegevens ex artikel 35 Wbp. Het verzoek wordt (deels) toegewezen, in die zin dat verzoeker recht heeft op een overzicht van de onderliggende persoonsgegevens uit de interne notities en correspondentie. Geen sprake van gezag van gewijsde.
Full text
beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/641798 / HA RK 18-9 Beschikking van 13 september 2018 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, advocaat W.E. van Bentem te Garrelsweer, tegen naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, verweerster, advocaat mr. M.J.M.T. Keulaerds te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna [verzoekster] en ABN AMRO worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van [verzoekster] van 12 januari 2018, met producties, de brief van ABN AMRO van 30 januari 2018, de beschikking van 19 maart 2018, waarin een mondelinge behandeling is gelast, het verweerschrift van ABN AMRO van 6 juni 2018, met producties, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 juni 2018. 1.2. De beschikking is bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Tussen [verzoekster] en ABN AMRO heeft een arbeidsverhouding bestaan gedurende de periode van 12 maart 2001 tot en met 30 april 2011. Tevens heeft tussen [verzoekster] en ABN AMRO een rechtsverhouding bestaan uit hoofde van een door ABN AMRO aan [verzoekster] verstrekte hypothecaire geldlening. 2.2. Bij brief van 3 november 2017 heeft [verzoekster] ABN AMRO verzocht op grond van artikel 35 lid 2 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) opgave te doen van de haar betreffende persoonsgegevens die door ABN AMRO zijn verwerkt. 2.3. ABN AMRO heeft daarop bij brief van 30 november 2017 geantwoord. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ABN AMRO te bevelen om binnen twee weken na betekening van de in deze te geven beschikking aan [verzoekster] schriftelijk mede te delen of door haar persoonsgegevens van [verzoekster] zijn en/of nog worden verwerkt, met bepaling dat: de schriftelijke mededeling alsnog een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de [verzoekster] betreffende persoonsgegevens dient te bevatten; de schriftelijke mededeling de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers van deze gegevens, alsmede de beschikbare herkomst van de gegevens dient te vermelden. 3.2. Daarnaast verzoekt [verzoekster] de rechtbank te bepalen dat ABN AMRO, voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om volledig aan de bevelen onder 3.1. onder a en b te voldoen, een dwangsom van € 1.000,00 zal verbeuren, vermeerderd met de wettelijke rente daarover steeds vanaf het moment waarop de dwangsom opeisbaar is geworden en ABN AMRO te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.3. [verzoekster] legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. ABN AMRO heeft met haar brief van 30 november 2017 slechts ten dele voldaan aan het verzoek van [verzoekster] . ABN AMRO heeft nagelaten duidelijk te maken wat er is gebeurd met de e-mails die vanaf het e-mailaccount van [verzoekster] zijn verzonden en ontvangen gedurende haar dienstverband. [verzoekster] betwist dat deze e-mails zijn vernietigd en verzoekt om inzage voor zover deze e-mails betrekking hebben op interne correspondentie omtrent haar functioneren binnen de bank en haar aanspraken op bonussen. Verder heeft ABN AMRO zich (volgens [verzoekster] onterecht) op het standpunt gesteld dat ten aanzien van interne notities en correspondentie die de persoonlijke gedachten van medewerkers van ABN AMRO bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad, artikel 35 Wbp buiten toepassing kan worden gelaten, een en ander voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten en vrijheden van ABN AMRO en/of de betreffende medewerkers, zodat van dergelijke documenten geen kennisneming wordt verleend. Tot slot voert [verzoekster] aan dat ABN AMRO geen opgave heeft gedaan van de door haar verwerkte persoonsgegevens betreffende [verzoekster] in het kader van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomsten van geldlening, al dan niet met hypotheekstelling. 3.4. ABN AMRO voert verweer tegen inwilliging van het verzoek. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan. 4 De beoordeling Overgangsrecht 4.1. Sinds 25 mei 2018 is de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: Uitvoeringswet AVG) van toepassing en geldt de Wbp niet meer. Op grond van artikel 48 lid 10 Uitvoeringswet AVG geldt echter voor schriftelijke verzoeken als bedoeld in (onder meer) artikel 46 Wbp die reeds aanhangig zijn op het moment van inwerkingtreding van de Uitvoeringswet AVG, het recht zoals dit gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet AVG. Deze overgangsbepaling is in onderhavig geval van toepassing en het verzoek zal dus worden beoordeeld op grond van de Wbp. Het verzoek 4.2. [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek, aangezien het verzoek binnen de wettelijke termijn van artikel 46 Wbp is ingediend. 4.3. Tussen partijen staat vast dat het verzoek van [verzoekster] uiteenvalt in drie categorieën: I) het e-mailaccount van [verzoekster] , II) de interne notities en correspondentie van de juristen van ABN AMRO onderling en III) de gegevens omtrent de hypotheek. De rechtbank zal het verzoek per categorie beoordelen. I) Het e-mailaccount van [verzoekster] 4.4. Het verzoek om persoonsgegevens te verkrijgen die verband houden met de e-mails van [verzoekster] wordt afgewezen. ABN AMRO heeft bij brief van 30 november 2017 schriftelijk aan [verzoekster] medegedeeld dat persoonsgegevens van haar zijn verwerkt. ABN AMRO heeft daarbij een overzicht gegeven van de e-mails met persoonsgegevens van [verzoekster] . Duidelijk is dat deze gegevens zijn verwerkt vanwege de arbeidsverhouding die bestond tussen [verzoekster] en ABN AMRO. Bovendien heeft ABN AMRO per e-mail aangegeven de datum van de e-mail, het onderwerp van de e-mail en wie deze heeft verstuurd en ontvangen. Daarmee heeft zij al voldaan aan het verzoek van [verzoekster] . 4.5. [verzoekster] betwist dat deze opsomming in de brief van 30 november 2017 volledig is. Het zou onduidelijk zijn wat er is gebeurd met de e-mails van het e-mailaccount van [verzoekster] . Zij betwist dat er e-mails zouden zijn vernietigd. De rechtbank passeert dit betoog. ABN AMRO heeft namelijk toegelicht dat zij verder geen e-mailaccount of e-mails meer van [verzoekster] heeft, nu dat e-mailaccountant bij uitdiensttreding is opgeheven. Vervolgens heeft ABN AMRO bij IBM, de beheerder van de e-mailaccounts van ABN AMRO, nadere navraag gedaan, waarna zij alsnog enkele e-mails heeft gevonden en deze bij het verweerschrift heeft overgelegd. Daarmee heeft ABN AMRO, voor zover als mogelijk, voldoende duidelijk gemaakt wat er is gebeurd met de e-mails van het account van [verzoekster] . Daartegenover heeft [verzoekster] onvoldoende gemotiveerd betwist dat er nog wel e-mails bestaan. De enkele blote betwisting van de stelling dat de e-mails zijn vernietigd is daarvoor onvoldoende. Het verzoek wordt op dit onderdeel afgewezen. II) De interne notities en correspondentie 4.6. ABN AMRO heeft verweer gevoerd inhoudende dat er sprake is van gezag van gewijsde. ABN AMRO wijst erop dat [verzoekster] eerder een procedure tegen haar heeft gevoerd op de voet van artikel 46 Wbp. In die procedure is om exact dezelfde persoonsgegevens verzocht. In die procedure heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 5 juli 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3020) dit verzoek toen afgewezen. Dit is vervolgens door de Hoge Raad bevestigd. Nu er volgens ABN AMRO sindsdien geen nieuwe interne notities en correspondentie over [verzoekster] zijn bijgekomen, verzoekt [verzoekster] aldus inzage in stukken waarover al is geoordeeld door het gerechtshof Amsterdam. 4.7. [verzoekster] stelt dat met het gezag van gewijsde de doeltreffendheid van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”) onderuit wordt gehaald. Verder is de uitkomst van het arrest van de gerechtshof Amsterdam niet meer in lijn met de Europeesrechtelijke jurisprudentie. Bedacht moet worden dat het hier gaat om bescherming van persoonsgegevens, een van de grondrechten van de EU, aldus [verzoekster] . De rechtbank overweegt dat door een betrokkene met redelijke tussenpozen verzocht kan worden om kennis te nemen van de hem betreffende persoonsgegevens. Het idee hierachter is dat een betrokkene moet kunnen controleren of de hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt en zo ja, om vervolgens de rechtmatigheid daarvan te kunnen controleren. Uit het feit dat dit verzoek vaker mag worden gedaan volgt dat niet snel aangenomen kan worden dat sprake is van gezag van gewijsde. Er zal immers weer opnieuw onderzocht moeten worden of er persoonsgegevens zijn verwerkt. Daar komt bij dat inmiddels vast is komen te staan dat een betrokkene recht heeft op een volledig en begrijpelijk overzicht van de persoonsgegevens die in een juridische analyse zijn weergegeven, ook al kan de analyse als zodanig niet als een persoonsgegeven worden gekwalificeerd (Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081). 4.8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep op het gezag van gewijsde niet slaagt. [verzoekster] heeft recht op inzage in de door ABN AMRO verwerkte persoonsgegevens, ook ten aanzien van de tussen partijen in het geding zijnde interne notities en correspondentie. Daarmee heeft [verzoekster] nog steeds geen recht op een afschrift van deze stukken nu deze zich niet laten kwalificeren als persoonsgegevens. Het verzoek zal aldus worden toegewezen dat ABN AMRO aan [verzoekster] een overzicht moet verschaffen van de onderliggende persoonsgegevens. Daarbij moet ABN AMRO mededelen de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers van deze gegevens, alsmede de beschikbare herkomst van de gegevens. III) De hypotheekgegevens 4.9. Dan resteert het verzoek tot inzage in de hypotheekgegevens. De rechtbank overweegt als volgt. ABN AMRO heeft erkend dat zij met de brief van 30 november 2017 onvolledig is geweest, maar zij heeft inmiddels [verzoekster] per brief van 1 juni 2018 alsnog geïnformeerd over de betreffende persoonsgegevens. Uit die brief blijkt dat ABN AMRO persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt in het kader van de hypotheekverhouding die tussen partijen bestond. Het doel was een verantwoord financieel beheer. Zij heeft daarbij een overzicht gegeven van de stukken die persoonsgegevens van [verzoekster] bevatten. Per stuk staat vermeld om wat voor stuk het gaat, de datum van het stuk en, voor zover nodig, waar het overgaat en welke organisaties, anders dan ABN AMRO, de gegevens hebben ontvangen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat ABN AMRO reeds heeft voldaan aan het verzoek tot inzage in de hypotheekgegevens, zodat dit onderdeel van het verzoek wordt afgewezen. Dwangsom 4.10. Voor het verbinden van een dwangsom aan deze veroordeling ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Proceskosten 4.11. De rechtbank veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 291,00 aan griffierecht en € 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00) aan salaris advocaat. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. beveelt ABN AMRO om binnen vier weken na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] te verschaffen een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de [verzoekster] betreffende persoonsgegevens uit de interne notities en correspondentie, met vermelding van de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers van deze gegevens, alsmede de herkomst van de gegevens; 5.2. veroordeelt ABN AMRO tot betaling van de proceskosten, welke aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.377,00; 5.3. verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Deze beschikking is gegeven door mr. B.T. Beuving, rechter, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.