Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 06-07-2026 (BRE 25/1083 tot en met 25/1091)
Artikel 8:29 Awb
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/1083 tot en met 25/1091 beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. J.M. Sitzen van Wladimiroff Advocaten N.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Het verzoek 1. De inspecteur heeft, met dagtekening 12 juni 2025, een verweerschrift ingediend en daarbij een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. De inspecteur heeft een gesloten envelop overgelegd met daarin stukken die volgens de inspecteur (deels) geheimgehouden moeten worden. De inspecteur heeft een NN-lijst en AN-lijst van de geanonimiseerde namen bijgevoegd. 1.1. Bij brief van 30 juni 2025 heeft de inspecteur, op verzoek van de rechtbank, nader omschreven op welke (delen van de) bijlagen van het verweerschrift het verzoek ziet. Overwegingen Geen zitting 2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. Kader voor beoordeling 3. De omstandigheid dat een stuk een stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb is, brengt niet automatisch mee dat dit stuk (volledig) aan de andere partij ter kennis moet worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt immers aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 3.1. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Beoordeling van het verzoek 4. De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, kennis genomen van de delen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De delen van de geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om delen van de stukken geheim te houden. 4.1. Het verzoek om beperkte kennisneming ziet op de bijlagen 1, 3, 59, 63, 65, 66, 72, 74 tot en met 79, 84 tot en met 89, 99, 100, 102, 103, 104, 107, 108, 110, 113, 114, 118, 138, 139, 140 en 172. De inspecteur heeft de persoonlijke gegevens van de betrokken ambtenaren geschoond om redenen van privacy. Bijlagen 1 tot en met 140 4.2. De geheimhoudingskamer stelt vast dat de zwartgelakte passages in de bijlagen 1, 3, 59, 63, 65, 66, 72, 74 tot en met 79, 84 tot en met 89, 99, 100, 102, 103, 104, 107, 108, 110, 113, 114, 118, 138, 139 en 140 de persoonsgegevens van de betrokken ambtenaren bevatten. Belanghebbende heeft de rechtbank toestemming gegeven om kennis te nemen van deze stukken. De geheimhoudingskamer zal daarom geen beslissing nemen over het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de bijlagen 1 tot en met 140. Bijlage 172 4.3. De geheimhoudingskamer stelt vast dat de zwartgelakte passages in bijlage 172 (diverse e-mails inspecteur, FIOD, OM) de persoonsgegevens van de betrokken (belasting)ambtenaren in Nederland en in het buitenland bevatten. Belanghebbende verzet zich tegen het anonimiseren van deze persoonsgegevens. 4.4. De geheimhoudingskamer overweegt als volgt. Zoals belanghebbende terecht heeft gesteld zijn de gegevens niet consequent geanonimiseerd en is de naam van een aantal personen nog steeds uit de stukken te herleiden. Nu de inspecteur het verzoek om anonimiseren niet anders heeft gemotiveerd dan “om redenen van privacy” van de betrokken ambtenaren is de geheimhoudingskamer van oordeel dat voor deze gegevens geen sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Het algemeen belang bij bescherming van die persoonsgegevens weegt in dit geval niet zwaarder dan het belang van de kennisneming van deze gegevens door belanghebbende. Conclusie 4.5. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van bijlage 172 af. Beslissing De geheimhoudingskamer: - wijst het verzoek om beperkte kennisneming van bijlage 172 af; - verzoekt de inspecteur om binnen zes weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is de stukken ten aanzien waarvan het verzoek om beperkte kennisneming is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van zes weken na verzending van deze beslissing. Deze beslissing is genomen door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 6 juli 2026. De beslissing is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . griffier rechter De beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld. Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.