Skip to content
Case Law · OGEABES ·ECLI:NL:OGEABES:2025:173 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 12-03-2025 (100.00070/23)

OGEABES
Summary

Onderzoek Themis. Dat onderzoek richt zich op de No Limit Soldiers (NLS), een organisatie die zich schuldig zou hebben gemaakt aan grootscheepse handel in verdovende middelen, het plegen van geweldsdelicten en het witwassen van de criminele opbrengsten.. Als op 5 november 2015 een vrouw op Saint Martin, het Franse deel van Sint Maarten, wordt vermoord is dit het startschot voor een reeks van gewelddadige liquidaties op Sint Maarten en Saint Martin, die volgens het openbaar ministerie allemaal verband houden met haar moord. De verdachte zou als “moordmakelaar” bij deze moorden betrokken zijn. Daarnaast zou de verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan uitlokking tot afpersing. Pgp-berichten. Uitgebreide overwegingen over pgp bewijs, ontvankelijkheid en equality of arms. Levenslang geëist. Het gerecht komt tot gedeeltelijke vrijspraak en legt een gevangenisstraf van 11 jaar en 3 maanden op.

Full text

parketnummer: 100.00070/23 uitspraak: 12 maart 2025 tegenspraak Vonnis van dit gerecht in de strafzaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteland], volgens eigen opgave in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande (in Sint Maarten), op grond van de zogenaamde Onderlinge Regeling Detentiecapaciteit Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Nederland (ORD) gedetineerd in de extra beveiligde inrichting te Vught in Nederland. 1 Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 juli 2023, 1 november 2023, 31 januari 2024, 8 mei 2024, 29 augustus 2024, 9, 10 en 12 december 2024 en 12 maart 2025. Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M.A. Oudendijk en mr. C.H. Hato-Willems (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en de raadsman mr. G.N. Weski en de raadsvrouw mr. S.R. Bommel naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting van 9 december 2024 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen. Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd. De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1 deelneming aan een criminele organisatie zich noemende NLS in Curaçao, Sint Maarten, Dominicaanse Republiek, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld in de periode 1 januari 2014 tot en met 26 november 2020, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van moord en/of doodslag en/of uitlokking tot moord en/of doodslag en/of het voorbereiden van even genoemde feiten en/of het opzettelijk handelen in verdovende middelen en/of het witwassen dan wel gewoontewitwassen van de van de misdrijf verkregen opbrengsten, aan welke een of meer even genoemde misdrijven de verdachte heeft deelgenomen; Feit 2 primair: het (mede)plegen van uitlokking van de moord/doodslag op [slachtoffer 1] op 7 februari 2016 in Saint Martin, uitgelokt door de verdachte in de periode 5 november 2015 tot en met 7 februari 2016 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de moord/doodslag op [slachtoffer 1], gepleegd in diezelfde periode; Feit 3 primair: het (mede)plegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2] op 8 april 2016 in Saint Martin, uitgelokt door de verdachte in de periode 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Sint Maarten, Saint Martin, Nederland, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2], gepleegd in diezelfde periode; Feit 4 het (mede)plegen van uitlokking van een poging tot afpersing van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de periode van 14 april tot en met 27 april 2016 in Sint Maarten, Saint Martin, Frankrijk, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld, gepleegd in diezelfde periode in Sint Maarten, Saint Martin, Groot-Brittannië, Frankrijk en/of elders ter wereld. Feit 5 primair: het (mede)plegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 5] op 5 november 2016 in Sint Maarten, uitgelokt door de verdachte in de periode 15 maart 2016 tot en met 6 november 2016 in Sint Maarten, Saint Martin Nederland, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 5], gepleegd in diezelfde periode; Feit 6 primair: het (mede)plegen van uitlokking van de moord/doodslag op [slachtoffer 6] op 14 maart 2017 in Sint Maarten, uitgelokt door de verdachte in de periode 5 november 2015 tot en met 14 maart 2017 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld; subsidiair: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 6], gepleegd in diezelfde periode; na wijziging tenlastelegging meer subsidiair: het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van (uitlokking) moord/doodslag op [slachtoffer 6] in Sint Maarten, gepleegd in diezelfde periode. 3 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 3.1. Rechtsmacht Artikel 1:6 Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt: De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op de Nederlander die zich buiten Sint Maarten schuldig maakt aan een feit hetwelk door de strafwet van Sint Maarten als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is ook straf is gesteld. Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt dat de moord op [slachtoffer 1], de poging moord op [slachtoffer 2] en de afpersing van [slachtoffer 3]/[slachtoffer 4] allen zijn gepleegd op Saint Martin, het Franse deel van Sint Maarten. Ook de aan de verdachte verweten uitlokkingshandelingen hebben telkens mede plaatsgevonden buiten het land Sint Maarten. De verdachte woonde ten tijde van het plegen van deze feiten in Groot-Brittannië, dus buiten Sint Maarten, en bezit, gezien zijn eigen verklaring, de Nederlandse nationaliteit. Het gerecht heeft zich ervan vergewist dat op de aan de verdachte onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, die naar het recht van Sint Maarten telkens een misdrijf opleveren, in Saint Martin naar Frans strafrecht (Code Pénal) ook telkens straf is gesteld. Betreffende hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd heeft het gerecht gelet op de strafbaarstelling, in het land Saint Martin krachtens artikel 221 eerste lid van het Franse Wetboek van Strafrecht (moord) en artikel 312 eerste lid van het Franse Wetboek van Strafrecht (afpersing). Gelet hierop is de strafwet van Sint Maarten ook van toepassing op deze feiten en heeft het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten dan ook rechtsmacht. 3.2. Gevoerde verweren ter zake van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging en de betrouwbaarheid van verkregen bewijsmateriaal Standpunt verdediging Namens de verdachte heeft de raadsman primair het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. In deze zaak is dusdanige inbreuk gemaakt op het recht van de verdachte op i) gelijke proceskansen (equality of arms), ii) het ondervragingsrecht en iii) de waarheidsvinding, dat wat er ook ter reparatie en compensatie wordt ondernomen, het proces in zijn geheel niet meer eerlijk genoemd kan worden, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 onder b van het EVRM. Door de raadsman is daartoe aangevoerd dat het beginsel van “equality of arms”, dat onderdeel is van het beginsel op een eerlijk proces, is geschonden aangezien de verdediging in deze rechtszaak geen gelijke kansen heeft gehad om haar zaak te presenteren, dan wel de resultaten van de opsporing te onderzoeken en controleren. Haar is de toegang tot de relevante informatie onthouden, inclusief de omvangrijke datasets en technologische middelen om de gegevens te analyseren en interpreteren; Daarnaast heeft de verdachte door de zeer lange duur van de opsporings- en vervolgingsfase, de gebruikte selectie- en zoekmethode bij de vergaring en waardering van het bewijsmateriaal, alsmede de onrechtmatigheden die zich daarbij hebben voorgedaan, niet daadwerkelijk en effectief het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen. Dit heeft geleid dat de behandeling van de strafzaak in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Ten slotte is aan de volledigheid van de waarheidsvinding tekort gedaan door het onoverzichtelijke woud aan opsporingsonderzoeken waarnaar in het dossier wordt verwezen, alsmede de zeer gebrekkige lokale politieonderzoeken die hebben plaatsgevonden naar de verschillende aan de verdachte verweten moordaanslagen. Subsidiair heeft de raadsman op genoemde gronden bewijsuitsluiting bepleit van de geselecteerde PGP-berichten, meer subsidiair strafvermindering. Verweren met betrekking tot PGP-data Daarnaast heeft de raadsman verweren gevoerd meer specifiek gericht op de zogenaamde ‘PGP-problematiek’. De raadsman heeft aan het gerecht en het openbaar ministerie voorafgaand aan de zitting een stuk toegestuurd, genaamd: ‘ Pleitaantekeningen ad punt B, deel PGP/encrypted communicatie’ . Dit stuk is echter niet op de terechtzitting voorgedragen en kan om die reden niet zonder meer als pleitnotitie worden beschouwd. Op de terechtzitting heeft de raadsman overgelegd en voorgedragen zijn pleitnotities (‘ deel A, C en D’ genaamd ) . Hierin heeft hij kort naar ‘deel B’ verwezen. De raadsman heeft meegedeeld dat ‘deel B’ een vrij theoretische gehalte heeft, waarop hij in deze zaak niet specifiek de nadruk wil leggen, mede omdat op onderdelen inmiddels in de rechtspraak beslissingen zijn genomen, onder andere ook door de Hoge Raad. Het moet het gerecht van het hart dat het stuk ‘deel B’ moeilijk te doorgronden is. Het lijkt erop dat dit stuk het resultaat is van jarenlang procederen in PGP-zaken, waarbij allerlei in de loop der tijd verzamelde argumenten en deelstukken later lijken te zijn toegevoegd. Dit is op zich niet onbegrijpelijk, maar maakt het wel moeilijk leesbaar. Het is lastig nog structuur in het stuk te ontwaren, althans zodanig dat daarop kan worden gereageerd. Bovendien bevat het stuk elementen die duidelijk niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak, zoals de verwijzing naar EU-rechtspraak, het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, en de verwijzing naar systemen (zoals Encrochat) die in deze zaak niet aan de orde zijn. Gelet op het bovenstaande, en nu dit stuk uitdrukkelijk niet is voorgedragen op de terechtzitting en de raadsman slechts in zeer algemene zin naar de daarin weergegeven standpunten heeft verwezen, stelt het gerecht vast dat dit stuk geen integraal onderdeel uitmaakt van het pleidooi. Het gerecht is dus ook niet gehouden te responderen op de daarin gevoerde verweren. Dat neemt niet weg dat de raadsman wel in zijn algemeenheid heeft gesteld dat bij de wijze waarop de PGP-data zijn verkregen en verwerkt inbreuk is gemaakt op artikel 8 EVRM, en ook op artikel 6 EVRM. Omdat het dossier grotendeels bestaat uit PGP-berichten en de juridische vraagstukken rondom de PGP-berichten daar interessant en relevant genoeg voor zijn, zal het gerecht toch ook enige overwegingen hieraan wijden. Samenvatting van de verweren De raadsman heeft kort samengevat het volgende gesteld: De kern van het bewijs tegen de verdachte berust vrijwel volledig op een selectie van in Costa Rica, Canada en Frankrijk in bulk verzamelde gesprekken van PgPsafe, Ennectom en Sky ECC. De voor de verdachte belastende data bestaat in feite slechts uit een paar gesprekken die door hem zijn gevoerd in november 2015 en april 2016. Deze berichten zijn geselecteerd uit honderden miljoenen berichten (bulkcommunicatiedata) met onbekende en onbetrouwbare (technische) methoden (de sneeuwbalmethode) en zonder duidelijk juridisch kader. Het openbaar ministerie heeft in deze en gelijksoortige andere strafzaken in Nederland, schoorvoetend en mondjesmaat inzicht gegeven in hoe de tactische en technische verwerving en verwerking van de PgP bulkdata, alsmede de selectie en identificatie van de verdachte(n) heeft plaatsgevonden. Er is bovendien sprake van onvolledigheid van de geselecteerde gesprekken, waardoor bij gebrek aan context, de uitleg en interpretatie die daaraan door het openbaar ministerie wordt gegeven, minst genomen arbitrair is. De verkregen PgP-data zijn daardoor onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs. Vanwege het tijdsverloop – het eerste opsporingsonderzoek waarnaar in dit dossier wordt verwezen dateert uit 2012 - is er voor de verdediging geen reële mogelijkheid meer om de toentertijd door de opsporingsambtenaren ingezette technische en tactische opsporingsmethoden op effectieve en onafhankelijke wijze te toetsen of getuigen te ondervragen. Ook daarom is van een gelijk speelveld geen sprake. Dit beginsel houdt immers ook in dat de verdediging in de gelegenheid moet worden gesteld al het bewijsmateriaal te onderzoeken, controleren en presenteren op zodanige wijze dat zij niet in een nadelige positie ten opzichte van het openbaar ministerie wordt geplaatst. Ten slotte heeft het openbaar ministerie voor de samenstelling van het dossier, uitgaande van het bestaan van een organisatie NLS waarvan de verdachte deel zou uitmaken, gebruik gemaakt van een scala aan gegevens uit een veelheid van opsporingsonderzoeken, naar misdrijven die in het verleden zouden zijn gepleegd door de NLS. Deze onderzoeken hebben mede gediend als aanleiding voor de opsporing jegens de verdachte. Geen van die onderzoeken is (volledig) gevoegd in het onderhavige dossier. Het gaat hier om minstens veertig opsporingsonderzoeken, daterend vanaf 2012 in het Caribisch gebied, terwijl de verdachte vanaf 2013 al niet meer in het Caribisch gebied woonachtig was en dus in ieder geval niet ter plaatse was op de momenten dat de misdrijven op de eilanden door de NLS werden gepleegd. In de onderzoeken die destijds door de lokale politie zijn uitgevoerd naar de verschillende moordaanslagen, zijn de schutters nooit aangehouden. De dadersporen die ter plaatse zijn gevonden zijn niet of nauwelijks onderzocht op betrokkenheid van de verdachte. Het aanvullende (getuigen)onderzoek dat in 2024 op verzoek van de verdediging heeft plaatsgevonden kan dit tekortschietende politieonderzoek niet compenseren. Vanwege het woud aan opsporingsonderzoeken kan de verdediging de informatie niet controleren, waardoor inbreuk is gemaakt op “de volledigheid van de waarheidsvinding”. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een oneerlijk proces, noch van enige andere normschending en acht daarom geen grond aanwezig voor niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafvermindering. De officier van justitie heeft daarbij onder andere verwezen naar eerdere uitspraken die zijn gedaan in eerder Themis-zaken. Een eventuele schending van artikel 8 EVRM leidt nog niet tot de conclusie dat ook artikel 6 EVRM is geschonden. En bij een eventuele schending van artikel 8 EVRM kan met de enkele constatering worden volstaan, net als in eerdere Themis-zaken is gebeurd, aldus de officier van justitie. Oordeel van het gerecht Voor de beoordeling relevant juridisch kader Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een vormverzuim of normschending als bedoeld in artikel 413 Sv – dus een onherstelbaar vormverzuim, dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit – is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval de normschending daaruit bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Of zoals meer recent dit criterium is aangepast: waardoor de aan het verdedigingsbelang toegebrachte schade zo groot is, dat wat er ook ter reparatie en compensatie wordt ondernomen, het proces in zijn geheel niet meer eerlijk genoemd kan worden, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 onder b van het EVRM. Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten die niet onder het bereik van deze normschendingen vallen, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet in aanmerking behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces. Daarbij moet het gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het oordeel kunnen dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”. Opmerking vooraf van het gerecht Van de verdediging die een beroep doet op schending van een onherstelbaar vormverzuim (normschending) als bedoeld in artikel 413 Sv, mag worden verlangd dat zij duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in dat artikel genoemde factoren (waaronder belang, ernst, nadeel) aangeeft tot welk rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. Het door de raadsman gevoerde verweer blinkt niet uit in helderheid. Er is niet aan de hand van het te hanteren beoordelingskader uiteengezet welk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel is geschonden of welk belang door dit voorschrift wordt gediend, noch is betoogd wat de ernst is van het verzuim of welk nadeel daardoor voor de verdachte is veroorzaakt. Dit betekent dat het verweer niet aan de eisen die daaraan worden gesteld voldoet en het om die reden reeds kan worden verworpen. Het gerecht ziet echter in het aangevoerde voldoende aanleiding om toch in te gaan op het gevoerde verweer. a. gelijke proceskansen/equality of arms In het strafprocesrecht staat het vinden van de materiële waarheid voorop. Het gerecht onderschrijft het standpunt dat een evenwichtige contradictoire behandeling van de strafzaak de kans op het vinden van de materiële waarheid vergroot. Dat betekent dat bij de opsporing rekening moet worden gehouden met de eventuele onschuld van de verdachten, dat zoveel mogelijk informatie wordt verstrekt, en dat de verdediging de kans krijgt vragen te stellen en bevindingen aan te vechten. Uit het recht op gelijke proceskansen vloeit echter niet voort dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van de opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Anders gezegd: het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om van methoden en resultaten van onderzoek kennis te nemen en deze te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om alles te controleren, noch geeft het de verdediging een ongeclausuleerd recht op inzage en verstrekking van alle stukken waaruit door het openbaar ministerie bij de samenstelling van het dossier een selectie is gemaakt. Een dergelijk recht volgt evenmin uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De relevante (interregionale) rechtshulpverzoeken, vorderingen en machtigingen, alsmede alle PgP-berichten die naar aanleiding daarvan in het opsporingsonderzoek Themis onderzoek zijn verkregen, bevinden zich in het strafdossier en zijn aan de verdediging (digitaal) ter beschikking gesteld. Aldus heeft de raadsman de inhoud van die stukken kunnen betrekken in de verdediging en kon de verdediging de gang van zaken omtrent verwerving, verwerking en doorverstrekking dienaangaande ook toetsen. Aan de raadsman is de toegang tot deze informatie dus niet onthouden. Het gerecht stelt vast dat de brondata van PgPsafe, Ennectom of Sky ECC geen onderdeel uitmaken van het dossier, net als de vele opsporingsonderzoeken waarnaar in het dossier wordt verwezen en die (mede) aanleiding zijn geweest voor de verdenking jegens de verdachte. Noch de opsporingsinstantie, het openbaar ministerie en het gerecht beschikken over deze gegevens, zodat de omstandigheid dat de verdediging daarover óók niet beschikt, geen reden is om aan te nemen dat er geen sprake is van gelijke proceskansen. De verdediging heeft de beschikking gekregen over het volledige dossier en de complete dataset PGP-berichten die is verstrekt aan het onderzoeksteam Themis. De verdediging heeft daarnaast met behulp van het door het NFI ontwikkelde bevragingssysteem Hansken, afdoende gelegenheid gehad om – net als het opsporingsteam – de complete dataset te bevragen en onderzoeken. Naar het oordeel van het gerecht is de verdediging daarmee voldoende in de gelegenheid geweest het gevormde dossier naar behoren te toetsen op volledigheid en evenwichtigheid in samenstelling, ondanks het feit dat het een omvangrijk dossier is en de opsporings- en vervolgingsfase een lange periode bestrijken. De raadsman heeft daar ook gebruik van gemaakt en verzoeken gedaan die ook deels zijn toegewezen. Ondervragingsrecht Ook dit onderdeel van het verweer houdt geen stand. Het recht op gelijke proceskansen houdt in dat voldoende tijd en faciliteiten ter beschikking worden gesteld aan de raadsman om zijn verdediging zo te organiseren dat hij in staat is alle relevante verweren aan de rechter voor te leggen en op die manier de uitkomst van het strafproces te beïnvloeden. Het is ontegenzeggelijk waar dat het opsporingsonderzoek lang heeft geduurd, en dat er veel tijd is verstreken sinds de liquidaties/aanslagen die verdachte zou hebben uitgelokt. De raadsman heeft echter niet aangegeven welke voor de waarheidsvinding noodzakelijk geachte feiten en omstandigheden vanwege de lange tijdsduur van het onderzoek niet meer zijn vast te stellen doordat het ondervragingsrecht is geschonden. Reeds om die reden is niet aannemelijk geworden dat het tijdsverloop een dusdanige complicatie heeft gevormd bij de vergaring en waardering van het bewijsmateriaal, dat de verdachte als gevolg daarvan niet daadwerkelijk en effectief het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze inbreuk onherstelbaar is en niet meer gecompenseerd kan worden. Het gerecht is dan ook van oordeel dat de bewijsbeslissing en de bewijsvoering niet op gespannen voet komen te staan met de “fairness of the proceedings as a whole”. Volledigheid van waarheidsvinding Dat de verdediging door het woud aan opsporingsonderzoeken en gebrekkige lokale opsporingsonderzoeken geen kennis heeft kunnen nemen van alle informatie en deze achteraf niet heeft kunnen controleren mist, gelet op het voorgaande, feitelijke grondslag. De verdediging beschikt over het volledige dossier en alle relevante gesprekken en kan deze – ook zonder Hansken – controleren. Dat door de gebrekkige lokale opsporingsonderzoeken en veelheid van andere opsporingsonderzoeken veel vragen onbeantwoord zijn gebleven kan eventueel tot vrijspraak leiden, maar kan niet leiden tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten. Laat staan een inbreuk die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De wijze van verkrijging van de PGP-berichten - Ennetcom berichten – In 2016 zijn in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland aan Canada, gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken gesloten te Den Haag op 1 mei 1991 (Trb. 1991, 85) de gegevens op de Blackberry-Enterprise Servers (BES-servers) van het Nederlandse bedrijf Ennetcom die zich in Toronto bevonden, doorzocht en veiliggesteld. Hierbij is een grote hoeveelheid data (PGP gesprekken) in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van een Canadese rechter. Het rechtshulpverzoek zag destijds op vier lopende strafrechtelijke onderzoeken (Koper, Rooibos, Rendlia en De Vink). Het onderzoek Themis maakte hier dus geen deel van uit. Dit rechtshulpverzoek is niet in het dossier gevoegd, maar wel de vertaalde beslissing van de Canadese rechter op 13 september 2016. Deze rechter heeft in zijn beslissing van 13 september 2016 bepaald dat het gevonden bewijsmateriaal alleen mocht worden gebruikt in de vier met name genoemde onderzoeken. Toegang tot, onderzoek aan, of gebruik van dat bewijsmateriaal in enig ander onderzoek in het Koninkrijk der Nederlanden zou volgens die beslissing slechts mogen plaatsvinden nadat daartoe door het Koninkrijk der Nederlanden een rechtelijke machtiging zou zijn afgegeven. De officier van justitie heeft hieraan voldaan en op grond van artikel 219 Sv een machtiging verzocht zowel aan de rechter-commissaris van Sint Maarten (afgegeven op 27 december 2019) als aan de rechter-commissaris van Curaçao (afgegeven op 3 januari 2020). Op basis van deze machtigingen heeft de officier van justitie vervolgens, door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland, verzocht om de relevante data afkomstig van de server van Ennetcom aan het dossier Themis toe te voegen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de officier van justitie in Curaçao verstrekt en in het Themis dossier gevoegd. Het gerecht ziet geen onrechtmatigheden in deze gang van zaken. - PgPSafe berichten – Op 4 april 2017 heeft de officier van justitie uit Nederland in de zaak 26Sassenheim een rechtshulpverzoek gedaan aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad. Na machtiging door de rechter te Costa Rica heeft bij het aldaar gevestigde bedrijf Rack Lodge S.A. op 9, 10 en 11 mei 2017 een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, (groten)deels zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP berichten in beslag genomen en op 9 juni 2017 naar Nederland overgebracht en aan het opsporingsteam in de zaak 26Sassenheim ter beschikking gesteld. Met behulp van het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ontwikkelde forensische systeem Hansken zijn de uit Costa Rica ontvangen data ontsloten. De dataset die is verkregen is niet volledig, hetgeen verklaard kan worden uit het feit dat de doorzoeking in Costa Rica door de Costa Ricaanse autoriteiten vroegtijdig is beëindigd. Men vond het na drie dagen kopiëren van de server wel welletjes. Dat hierdoor bij gebrek aan context, een onjuiste interpretatie van enig specifiek aan de verdachte toegeschreven PgPSafe bericht is gemaakt, is door de raadsman niet gesteld noch gebleken, zodat zijn stelling dat de gehele dataset vanwege de gekopieerde onvolledigheid als onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs moet worden aangemerkt, feitelijk niet aannemelijk is geworden. De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data, afkomstig van de server van PGP Safe. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt. Er is door de officier van justitie voorafgaande aan dit verzoek om doorverstrekking geen machtiging aan de rechter-commissaris in Curaçao/Sint Maarten gevraagd, omdat volgens de officier van justitie deze voorwaarde voor door verstrekking aan andere politieonderzoeken niet door de Costa Ricaanse autoriteiten was gesteld en dus niet noodzakelijk was. Het gerecht acht deze stelling van de officier van justitie niet begrijpelijk en in strijd met het recht. Het was immers duidelijk dat het openbaar ministerie de beschikking zou krijgen over een grote hoeveelheid data, die naar verwachting ook (een grote hoeveelheid) inhoudelijke communicatie zou bevatten. Voor het verkrijgen en doorzoeken van dergelijke communicatie is voorafgaande machtiging van een rechter nodig. Het ontbreken van een rechterlijke machtiging voor het doorsturen van de PGP Safe gegevens naar het Themis onderzoek levert een onherstelbaar vormverzuim op. Het gerecht gaat er echter van uit dat, als de officier van justitie om een machtiging had verzocht, de rechter-commissaris deze had afgegeven, gezien de ernst van de verdenkingen. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, te weten rechterlijk toezicht op het verkrijgen van gevoelige gegevens, is groot, maar nakoming van het voorschrift zou in dit geval voor deze zaak geen andere uitkomst hebben gehad. Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden kan volgens vaste jurisprudentie bovendien niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan hoogstens in algemene zin worden gezegd dat bij het kopiëren van een dergelijke grote hoeveelheid versleutelde communicatie altijd in enige mate sprake is van privacyschending. Het gerecht concludeert dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan. - Sky ECC berichten – Door de Franse autoriteiten en met machtiging van de Franse rechter is op 1 april 2020 een interceptiemiddel geplaatst op de server in Roubaix waarvan Sky ECC/Encrochat gebruik maakte. De aldus door de Franse autoriteiten verkregen informatie is vervolgens live gedeeld met de Nederlandse autoriteiten op grond van een overeenkomst die is gesloten in verband met de oprichting van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT). Op deze wijze is een zeer grote hoeveelheid berichten – soms tot zelfs 100.000 berichten per uur – live aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten ter beschikking gesteld. Voorafgaande aan het door de Franse autoriteiten aansluiten en activeren van de in Nederland ontwikkelde techniek die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk maakte, is een machtiging van de rechter-commissaris gevorderd en verkregen. Op 4 mei 2021 ontving het opsporingsonderzoek Themis een informatierapport van Europol met daarin berichten van specifieke gebruikers van Sky ECC die mogelijk relevant waren voor het Themis onderzoek. De officier van justitie in Curaçao heeft vervolgens, na machtiging van de rechter-commissaris van Curaçao van 21 mei 2021 en 13 oktober 2021 (maar niet van de rechter-commissaris in Sint Maarten waar het opsporingsonderzoek officieel liep), door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan Frankrijk verzocht om data afkomstig van deze server. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Op 13 juli 2021 en op 3 mei 2022 heeft het onderzoeksteam Themis de Sky ECC data ontvangen en in het dossier Themis gevoegd. Frankrijk heeft toestemming gegeven om deze data zowel in strafzaken in Curaçao als in Sint Maarten te gebruiken. Het gerecht ziet geen onrechtmatigheden in deze gang van zaken. Verwerking van de PGP-data De verdediging heeft gesteld dat de opsporingsdiensten door het bewaren van alle verkregen PGP-data ongerichte bulkdata onder zich hadden. Het doorzoeken van deze bulkdata is in strijd met het recht op privacy en op zodanige wijze gebeurd dat dit niet alleen een schending van artikel 8, maar ook van artikel 6 EVRM oplevert, aldus de raadsman. Het gerecht overweegt hieromtrent nog het volgende. Dat er sprake is geweest van het bewaren en doorzoeken van een grote hoeveelheid privacygevoelige data is voor het gerecht evident. Van een algemene en ongedifferentieerde verzameling data, wat doorgaans bedoeld wordt met bulkdata, kan – anders dan de verdediging stelt – echter niet worden gesproken. Het gaat immers om de data van een afgebakende groep, namelijk de gebruikers van de respectievelijke PGP-diensten. Het gaat ook om een concrete verdenking dat deze diensten gebruikt werden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten bezig hielden. Dat is een wezenlijk andere situatie dan bijvoorbeeld het bewaren van alle metadata van alle abonnees van een (willekeurige) telecomprovider ten behoeve van toekomstige strafrechtelijke onderzoeken. Desalniettemin staat voor het gerecht vast dat reeds het bewaren van de data enige inbreuk maakt op de privacy van de betrokkenen. Dat hierbij zou zijn gehandeld in strijd met de wet- en regelgeving is door de verdediging echter niet aannemelijk gemaakt en is het gerecht ook anderszins niet gebleken. Dat het openbaar ministerie kennelijk in gelijksoortige andere strafzaken, die in Nederland hebben gespeeld, schoorvoetend en mondjesmaat inzicht heeft gegeven in hoe de tactische en technische verwerking van de PGP data, alsmede de selectie en identificatie van de verdachte(n) heeft plaatsgevonden, moge zo zijn, maar is hier niet aan de orde. Het gerecht merkt hierbij op dat niet ook gegevens bekend gemaakt hoeven te worden die voor de beoordeling van de betrokken zaak niet van belang moeten worden geacht en dat het mogelijk moet zijn dat daarbij ook rekening gehouden wordt met gerechtvaardigde belangen van opsporing en vervolging, één en ander ter beoordeling van de rechter. Ook dat is onderdeel van het recht op gelijke kansen. Conclusie Gelet op het bovenstaande is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Nu er geen sprake is van schending van enig norm, zal ook het verweer tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering worden verworpen. 3.3. Bij pleidooi gedane verzoeken Mede met een beroep op artikel 6 van het EVRM heeft de raadsman het gerecht verzocht het dossier te complementeren met de op pagina 18 en 19 van de pleitnotities onder de letters a t/m e genoemde stukken. Het gerecht wijst deze verzoeken af nu de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. Verzoek a De verdediging heeft verzocht om de toevoeging aan het dossier van “de volledige politiedossiers” waaruit ten behoeve van de verdenking en opsporing in de Themis zaak is geput, teneinde een meer effectieve mogelijkheid van betwisting van de beschuldiging jegens de verdachte te kunnen bewerkstelliggen. In de kern heeft de raadsman aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat hij wil nagaan of deze opsporingsonderzoeken rechtmatig zijn gestart/verlopen en mogelijk ontlastende gegevens voor de verdachte bevatten. De verdediging heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat de wijze waarop de politieonderzoeken waarnaar de raadsman in algemene zin verwijst, niet rechtmatig zouden zijn verlopen of ontlastende informatie over de verdachte bevatten. Het gerecht oordeelt dan ook dat voeging van deze dossiers in het licht van de beslissingen die in deze strafzaak moeten worden genomen niet noodzakelijk is. Het verzoek wordt afgewezen. Verzoek b (volledige tijdlijn van Themis), Verzoek c (verantwoording resultaten project “ta basta awor”) en Verzoek d (verantwoording onderzoeksresultaten lokale opsporingsonderzoeken) De verdediging heeft voorts verzoeken gedaan die neerkomen op het opmaken van aanvullende processen-verbaal waarin antwoord dient te worden gegeven op de vele vragen van de verdediging ten aanzien van uiteenlopende onderwerpen van het politieonderzoek in Themis. De verdediging wenst daarmee in de gelegenheid gesteld te worden de resultaten van het politieonderzoek in Themis en andere politieonderzoeken die in deze zaak hebben plaatsgevonden, in het kader van een evenwichtige waarheidsvinding te controleren. Bij de motivering van deze verzoeken maakt de raadsman echter onvoldoende concreet waarom beantwoording van de door hem gestelde vragen relevant zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing. Hoewel onder omstandigheden moet worden aanvaard dat van de verdediging niet meer kan worden gevergd dan dat zij slechts in meer algemene bewoordingen wijst op mogelijke gebreken die aan het opsporingsonderzoek kleven en het op de weg van het openbaar ministerie en opsporingsautoriteiten liggen om nader mededeling te doen van feiten en omstandigheden die een verantwoord oordeel van de rechter mogelijk maken, is daarvan in dit geval geen sprake. Door de raadsman is op geen enkel specifiek onderdeel aangegeven waarom er sprake zou zijn van onregelmatigheden in het opsporingsonderzoek. Hoewel het gerecht zich ervan bewust is dat volstrekte zekerheid omtrent het al dan niet bestaan van mogelijke onregelmatigheden in de opsporing nimmer valt te verkrijgen en het verder van oordeel is dat het vinden van de materiële waarheid in het strafproces voorop staat, zodat het onaanvaardbaar moet worden geacht dat de rechter gegevens, bij het openbaar ministerie of de politieautoriteiten bekend, worden onthouden van zodanige aard dat hij, indien hij deze had gekend tot een ander oordeel zou moeten of kunnen komen, acht het gerecht voldoende grond aanwezig voor zijn oordeel dat voor een deugdelijke beslissing in deze zaak, het opmaken van aanvullende processen-verbaal ter beantwoording van de door de raadsman gestelde vragen niet noodzakelijk is. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verzoek e (verantwoording selectie PGP-brondata) Ten slotte wenst de verdediging dat een aanvullend proces-verbaal wordt opgemaakt waarin gedetailleerd verantwoording wordt afgelegd over hoe de selectie van het in het buitenland verkregen PGP-datamateriaal heeft plaatsgevonden, dit ter controle van de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor bij de bespreking van het verweer tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is opgenomen, ziet het gerecht zonder nadere motivering van de raadsman geen aanleiding tot een nadere verantwoording over de selectie van de berichten in het dossier. Het verzoek wordt afgewezen. Overigens heeft de verdediging gelet op de hierna te nemen beslissingen tot vrijspraak van een groot aantal van de ten laste gelegde feiten, ook maar zeer beperkt belang bij het inwilligen van dit laatste verzoek. 4 Vrijspraken 4.1. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van alle tenlastegelegde feiten. Volgens de raadsman is er geen enkel wettig en overtuigend bewijsmiddel voor enige betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, en voor zover dat er wel zou zijn in de vorm van enkele PGP-gesprekken is dat volstrekt onvoldoende om medeplegen dan wel medeplichtigheid aan de moord te bewijzen. Er is geen technisch of forensisch bewijs dat de verdachte belast. Ten aanzien van het medeplegen/medeplichtigheid aan uitlokking moord op [slachtoffer 1] heeft de raadsman meer specifiek het volgende naar voren gebracht. Er zijn slechts twee gesprekken op 5 en 6 november 2015, maanden voordat [slachtoffer 1] daadwerkelijk wordt doodgeschoten, waarin de naam van [slachtoffer 1] valt en vooral de gesprekspartner van de verdachte aangeeft dat hij hem wil vermoorden. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn woorden slechts grootspraak waren en dat het bij woorden is gebleven. Ook ná het plegen van de moord is er geen gesprek waaruit betrokkenheid van de verdachte met deze moord op [slachtoffer 1] volgt. Voor het overige bestaat “het bewijs” in het Franse opsporingsonderzoek uit ruis, veroorzaakt door speculerende familieleden en vrienden van het slachtoffer, waaraan geen touw is vast te knopen. Ook de getuigen van de aanslag die door de Franse politie zijn gehoord hebben niks relevants over de schutters verklaard. Voor zover er mogelijke daders in het vizier zijn gekomen ([betrokkene 1] bijvoorbeeld), zijn die daders niet gehoord, hebben die daders geen enkel verband met de verdachte en komen zij ook niet uit St Croix, hetgeen in de bewijsconstructie van de officier van justitie de plaats is vanwaar de schutters met de boot door de verdachte zijn gehaald. Daarnaast zijn er volgens de Franse opsporingsautoriteiten tal van andere conflicten waar het slachtoffer bij betrokken was, zodat niet valt uit te sluiten dat de moord op [slachtoffer 1] vanuit een geheel andere hoek afkomstig is dan vanuit de NLS. De raadsman heeft wat betreft [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] in de kern genomen hetzelfde betoogd als hiervoor is weergegeven, hetgeen inhoudt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs. De raadsman heeft daartoe gesteld hetgeen is opgenomen in zijn pleitnotities (p. 58 t/m 66). Ook in de zaak Zambesi heeft de raadsman vrijspraak bepleit, bij gebrek aan concreet bewijs dat de verdachte bij de afpersing of überhaupt het gepleegde geweld was betrokken. De verdachte heeft alleen in het begin een kleine rol gespeeld, en is daarna naar Brazilië vertrokken en helemaal uit beeld verdwenen. Op zijn hoogst kan de rol die verdachte in deze zaak heeft gehad worden geduid als voorbereiding, wat niet is tenlastegelegd, aldus de raadsman. Ten aanzien van de aanslag op het leven van [slachtoffer 2] heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen enkele uitlokkingshandeling heeft gepleegd omdat zijn woorden slechts grootspraak waren. Alle handelingen of gedragingen die mogelijk belastend zouden kunnen zijn voor de verdachte hebben plaatsgevonden nadat het feit was gepleegd en dus “after the fact”. De verdachte heeft slechts uit loyaliteit naar [medeverdachte 1], geholpen om de bounty/prijs die door de NLS op het hoofd van [slachtoffer 2] was gezet aan de schutters uit te betalen. De verdachte kan daarom niet als medepleger van, noch als medeplichtige aan de uitlokking van de moordaanslag op [slachtoffer 2] worden aangemerkt. Daarnaast heeft de raadsman nog gewezen op een veelheid van gebreken in het lokale opsporingsonderzoek, contra indicaties en het volledige gebrek aan hard technisch of forensisch bewijs waaruit betrokkenheid van de verdachte bij de moordaanslag blijkt, waardoor de zeer reële mogelijkheid bestaat dat anderen dan de verdachte de moordaanslag op [slachtoffer 2] hebben uitgevoerd. De raadsman heeft ten slotte verzocht de verdachte vrij te spreken van deelname aan de criminele organisatie NLS. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte behoort tot genoemde criminele organisatie dan wel dat hij een aandeel in gedragingen heeft gehad, dan wel heeft ondersteund die strekken tot dan wel rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De verdachte heeft slechts zijdelings en sporadisch contact had met [medeverdachte 1] in het kader van zijn handel in verdovende middelen. De raadsman heeft daartoe gesteld hetgeen in zijn pleitnotities dienaangaande is vermeld (p. 27 t/m 32). Hij stelt daarin, kort gezegd en voor zover van belang dat: de verdachte niet komt uit Koraalspecht, geen tatoeages, kettingen of andere uiterlijke kenmerken heeft die hem afficheren met de NLS, hij geen Papiaments spreekt, in de tenlastegelegde periode niet in Curacao of Sint Maarten woont, slechts kort in beeld komt in november 2015 met losse teksten en niet voorkomt in enig TCI bericht; de verdachte slechts een korte periode contact heeft met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waarbij de communicatie vooral is gericht op de droefenis na de moord op [betrokkene 2]. Voor zover de berichten van de verdachte met het Sky ECC account na 2016 zien op verdovende middelen, deze contacten zich beperken tot de intentie van de verdachte om cocaine te kopen, hetgeen niet strafbaar is nu de partijen cocaïne nooit daadwerkelijk zijn gekocht of verkocht. De verdachte heeft geen enkel contact met [betrokkene 3], [betrokkene 1] en [medeverdachte 3]; uit een dataset van miljoenen berichten slechts enkele tientallen berichten van de verdachte zijn geselecteerd, zodat niet gezegd kan worden dat de verdachte zich op grote schaal en binnen een gestructureerd verband bezighield met de handel in verdovende middelen en/of geweldsdelicten. 4.2. Standpunt van de officier van justitie Door de officier van justitie is het standpunt ingenomen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van moord op [slachtoffer 1] (feit 2 primair), medeplegen van uitlokking van poging moord op [slachtoffer 2] (feit 3 primair) en medeplegen van de uitlokking van poging moord op [slachtoffer 5] (feit 5 primair). Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord op [slachtoffer 6] (feit 6 meer subsidiair). Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van afpersing in de zaak Zambesi (feit 4) en heeft hij deelgenomen aan de criminele organisatie NLS (feit 1). De kwalijke intenties die de verdachte had blijken uit de PGP-gesprekken die hij heeft gevoerd met anderen, onder andere [medeverdachte 1], waarin hij onder meer letterlijk zegt dat hij met veel plezier [slachtoffer 6] wil vermoorden. Het begint allemaal met gesprekken op 5 november 2015, de dag dat [betrokkene 2] is vermoord. De verdachte bespreekt die dag met [medeverdachte 1] hoe ‘we ze kunnen laten terugbetalen’. [medeverdachte 1] zegt dat onder andere [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden verdacht. Met [bijnaam slachtoffer 1] wordt [slachtoffer 1] bedoeld, en [bijnaam slachtoffer 2] is [slachtoffer 2], aldus de officier van justitie. Een paar dagen later zegt [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] dood wil. [bijnaam slachtoffer 6] is [slachtoffer 6]. Volgens de officier van justitie blijkt uit de berichten dat de verdachte de organisatie van de liquidaties van deze personen op zich heeft genomen; hij heeft de schutters ( goons ) geregeld, en zich bezig gehouden met de betaling van de schutters. Omdat de aanslag op [slachtoffer 6] pas 16 maanden na de dood van [betrokkene 2] heeft plaatsgevonden, en [slachtoffer 6] ook veel andere vijanden had, heeft het openbaar ministerie enige twijfels of er voldoende bewijs is voor het primair tenlastegelegde onder 6. Daarom heeft de officier gevorderd dat wordt bewezenverklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van de moord op [slachtoffer 6]. Met betrekking tot de poging moord op [slachtoffer 5] ([slachtoffer 5]) heeft de officier van justitie nog verwezen naar de OVC gesprekken van [medeverdachte 3], waarin [medeverdachte 3] onder andere zegt dat ‘de tweeling van town’ hard aangepakt moet worden, en het gesprek waarin de verdachte zegt dat [slachtoffer 5] is gaan schuilen. Ten aanzien van de zaak Zambesi heeft de officier van justitie overwogen dat de verdachte het voorwerk heeft verricht, door mensen te regelen voor een afpersing. Daarna heeft [medeverdachte 2] het overgenomen. Omdat niet helemaal duidelijk is of het tot een voltooide afpersing is gekomen, kan slechts medeplegen van uitlokking van een poging tot afpersing worden bewezen, aldus de officier van justitie. Uit het voorgaande, en uit het hele dossier, volgt dat de verdachte een belangrijke schakel is in de criminele organisatie NLS. Ook feit 1 kan daarom worden bewezen, aldus de officier van justitie. 4.3. Inleidende opmerkingen van het Gerecht Waar gaat deze zaak over? Deze strafzaak komt voort uit het omvangrijke opsporingsonderzoek dat bekend staat onder de naam Themis. Dat onderzoek richt zich op [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) en anderen die ervan worden verdacht zich in georganiseerd verband schuldig te hebben gemaakt aan grootscheepse handel in verdovende middelen, het plegen van geweldsdelicten en het witwassen van de criminele opbrengsten. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] worden door het openbaar ministerie gezien als de leiders van de criminele organisatie No Limit Soldiers (hierna: NLS). Deze groep zou op enig moment zijn ontstaan in de wijk Koraal Specht in Curaçao. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] kennen elkaar van kindsbeen af. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] zijn sinds 2010/2011 niet meer permanent woonachtig op Curaçao. [Medeverdachte 3] is verhuisd naar Sint Maarten. Daarmee heeft de NLS op Sint Maarten voet aan land gezet, aldus het openbaar ministerie. Als op 5 november 2015 [betrokkene 2], de vriendin van [medeverdachte 3], op Saint Martin, het Franse deel van Sint Maarten, wordt vermoord is dit het startschot voor een reeks van gewelddadige liquidaties op Sint Maarten en Saint Martin, die volgens het openbaar ministerie allemaal verband houden met haar moord. [Medeverdachte 3] zou wraak hebben gezworen en een lijst met namen hebben van mannen die verantwoordelijk worden gehouden door de NLS voor haar dood en daarom gedood moeten worden. Er is in deze zaak ook onderzoek gedaan naar de verdachte. De verdachte zou in ieder geval vanaf 2014 betrokken zijn bij de handel in verdovende middelen en deel uitmaken van de NLS en vanaf november 2015 in opdracht van de NLS betrokken zijn als “moordmakelaar” bij een reeks van moorden. De verdachte, die tot 2013 in Sint Maarten woonde en daarna woonachtig was in Londen, wordt ervan verdacht de uitvoerders van deze moorden te hebben uitgelokt. Het gaat hier om de moordaanslagen op achtereenvolgens: [slachtoffer 1] op 7 februari 2016 (feit 2), [slachtoffer 2] op 8 april 2016 (feit 3), [slachtoffer 5] op 5 november 2016 I(feit 5) en [slachtoffer 6] op 14 maart 2017 (feit 6). Daarnaast zou de verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan uitlokking tot afpersing van [slachtoffer 3]/[slachtoffer 4] in de maand april 2016 (feit 4). Interpretatie van gesprekken Het bewijs van dit feit berust in aanzienlijke mate op de inhoud van door de verdachte en anderen gevoerde PGP gesprekken en daarnaast ook op de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en OVC gesprekken. Voor zover deze gesprekken voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, komt het aan op de betekenis die voor het bewijs moet worden toegekend aan de inhoud van die gesprekken. Hierbij kan worden gelet op de kring van de verdachten en met wie de gesprekken zijn gevoerd, alsmede de continuïteit waarin zij voorkomen en de overige gedragingen en gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze zijn verricht en zich hebben voorgedaan, zoals reisbewegingen, ontmoetingen e.d. Vermoedelijk omdat de gespreksdeelnemers zich door het gebruik van PGP kennelijk onbespied wanen spreken zij zich in de onderhavige zaak vrij openlijk uit over hun plannen/voornemens. Daarnaast wordt echter ook gebruik gemaakt van verhullend of anderszins niet direct duidelijk taalgebruik, zodat in die geval

Similar Content