Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:18251 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 23-06-2026 (C/09/704012 / HA RK 26-269)

Rechtbank Den Haag
Summary

Tussenbeschikking voorlopig deskundigenonderzoek

Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/704012 / HA RK 26-269 Beschikking van 23 juni 2026 in de zaak van [verzoekster] B.V. te [plaats] , verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaten: mr. M. van Rijen en mr. P.R. van der Vorst, tegen 1 GRONDBANK MIDDEN-NEDERLAND B.V. te Waddinxveen, hierna te noemen: Wagro, advocaten: mr. R. van der Jagt en mr. W. van Eijk, 2. GRONDBANK HET GROENE HART B.V. te Waddinxveen, hierna te noemen: GHGH, advocaat: mr. M.J.A. Verhagen, verweerders, en 3 3. [belanghebbende] te [woonplaats] , hierna te noemen: [belanghebbende] , advocaat: mr. G.J.M. de Jager, belanghebbende. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het op 27 maart 2026 ontvangen verzoek, met producties 1 tot en met 8; het op 7 mei 2026 ontvangen verweerschrift van GHGH, met producties 1 tot en met 3; het op 7 mei 2026 ontvangen verweerschrift van Wagro, tevens houdende een zelfstandig verzoek, met bijlagen 1 tot en met 17; de op 8 mei 2026 ontvangen e-mail van [verzoekster] ; de e-mail van 11 juni 2026 van Wagro; de e-mails van 15 juni van GHGH, [belanghebbende] , [verzoekster] en Wagro. 1.2. Op 11 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden. De advocaten van [verzoekster] hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Die spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier. 1.3. De beschikking was bepaald op 22 juni 2026 en is nader bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoekster] is een bedrijf dat zich onder andere bezighoudt met werkzaamheden op het gebied van grondverzet. [belanghebbende] is eigenaar van verschillende percelen aan/nabij het adres [adres] en drijft een eenmanszaak die onder meer is gericht op detailhandel in motorvoertuigen en handel in landbouwmachines. 2.2. Wagro en GHGH zijn grondbanken; Wagro is een groothandel in zand en grind en GHGH verricht handelsbemiddeling in verschillende soorten grond. 2.3. In 2024 heeft GHGH [verzoekster] in contact gebracht met Wagro. Vervolgens heeft [verzoekster] in de periode december 2024 tot en met april 2025 grond afgenomen bij Wagro ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in opdracht van [belanghebbende] op het terrein van [belanghebbende] aan de [adres] . Onderdeel van deze werkzaamheden was het afgraven van de bovenste grondlaag en het aanbrengen/toepassen van nieuwe grond op de afgegraven delen. 2.4. Bij brief van 2 maart 2025 heeft Omgevingsdienst Midden-Holland (hierna: ODMH) [verzoekster] en [belanghebbende] bericht voornemens te zijn aan hen een last onder dwangsom op te leggen. Als reden daarvoor heeft ODMH opgegeven dat uit verificatieonderzoek is gebleken dat sprake is van het op grote schaal toepassen van met plastic verontreinigde grond door [verzoekster] op het perceel van [belanghebbende] . Daarom moet de grond volgens ODMH als afval worden aangemerkt en is de toepassing ervan op het terrein van [belanghebbende] te kwalificeren als een overtreding. ODMH heeft [verzoekster] en [belanghebbende] gemaand om deze overtreding te beëindigen door het (laten) verwijderen en afvoeren van de verontreinigde grond. 2.5. [verzoekster] heeft zienswijzen ingediend tegen het voorgenomen besluit van ODMH. Tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure was nog niet bekend wanneer ODMH een definitief besluit zal nemen over de voorgenomen oplegging van de last onder dwangsom. 2.6. Bij brief van 18 maart 2026 heeft [verzoekster] GHGH en Wagro aansprakelijk gesteld voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het afnemen en toepassen van de grond heeft geleden en nog zal lijden. In deze brief heeft [verzoekster] Wagro en GHGH in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan een nog te verrichten onderzoek naar de kwaliteit van de van Wagro afkomstige grond. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen. Dat verzoek onderbouwt [verzoekster] als volgt. De grond die [verzoekster] van Wagro heeft afgenomen voldoet niet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, waardoor de grond ook niet voldoet aan de (bestuursrechtelijke) eisen voor de uitgevoerde toepassing op het perceel van [belanghebbende] . Daarom dreigt er nu voor [verzoekster] een bestuursrechtelijke dwangsom en lijdt [verzoekster] schade door kosten voor sanering en afvoer. Ook lijdt [verzoekster] bedrijfs- en reputatieschade en verwacht zij dat [belanghebbende] zijn eventuele schade op haar zal verhalen. Volgens ODMH is het aan [verzoekster] om nader onderzoek te doen naar de kwaliteit van de grond. Alle partijen zijn erbij gebaat dat dat onderzoek gezamenlijk wordt uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige, maar Wagro en GHGH weigeren hieraan mee te werken. Daarom verzoekt [verzoekster] de rechtbank om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen. Met de uitkomsten van dat onderzoek kan [verzoekster] zich beraden op verdere (civielrechtelijke) vervolgstappen. 3.2. Wagro en GHGH verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Wagro voert daartoe aan dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen en heeft een zelfstandig verzoek tot afschrift van stukken gedaan. GHGH voert eveneens aan dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4 De beoordeling Beoordelingskader voorlopig deskundigenonderzoek 4.1. Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. Een voorlopig deskundigenonderzoek zoals [verzoekster] dat verzoekt is zo’n bewijsverrichting. De rechter wijst een dergelijk verzoek in beginsel toe, tenzij: de verlangde informatie onvoldoende bepaald is; er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; het verzoek in strijd is met de goede procesorde; er sprake is van misbruik van bevoegdheid; r andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek 4.2. De rechtbank verklaart [verzoekster] ontvankelijk in haar verzoek. Het ontvankelijkheids-verweer van Wagro, luidende dat [verzoekster] een verkeerde rechtsingang heeft gekozen, omdat zij een civielrechtelijke procedure gebruikt om bewijs te verzamelen ten behoeve van een bestuursrechtelijke procedure, slaagt niet. Het is juist dat [verzoekster] de uitkomsten van een deskundigenonderzoek ook kan (en wil) inzetten in de bestuursrechtelijke procedure, zeker nu ODMH het aan [verzoekster] heeft gelaten om nader onderzoek te doen naar de grond. Dat laat echter onverlet dat [verzoekster] haar civielrechtelijk belang bij het door haar verzochte deskundigenonderzoek voldoende heeft toegelicht, zoals ook hierna in 4.3. wordt overwogen. Bij deze beslissing weegt mee dat de bestuursrechtelijke procedure niet wordt doorkruist door een voorlopig deskundigenbericht, omdat ODMH het dus aan [verzoekster] laat om onderzoek te doen. [verzoekster] heeft voldoende belang bij een voorlopig deskundigenonderzoek 4.3. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] voldoende belang heeft bij een voorlopig deskundigenonderzoek en dat het verzoek niet prematuur is gedaan, zoals Wagro en GHGH hebben gesteld. Het is juist dat de uitkomst van het bestuursrechtelijke traject – of aan [verzoekster] een last onder dwangsom zal worden opgelegd – nog niet vaststaat. Deze omstandigheid staat echter niet in de weg aan toewijzing van dit verzoek, omdat zekerheid over die uitkomst daarvoor geen voorwaarde is. Daarnaast heeft [verzoekster] haar stelling dat de van Wagro afgenomen grond niet aan de civielrechtelijke dan wel overeengekomen daaraan te stellen eisen voldoet voldoende gemotiveerd. Uit onderzoek door ODMH is immers gebleken dat er plastic in de grond is aangetroffen en dat de mogelijkheid bestaat dat er ook andere vervuiling in de grond aanwezig is, zoals bestrijdingsmiddelen en zink. De betwisting van deze stelling door Wagro neemt het belang van [verzoekster] bij het verzochte onderzoek niet weg. Dat geldt ook voor de stelling van Wagro dat niet vaststaat of de te onderzoeken grond van haar afkomstig is of niet. Deze omstandigheden zijn bij uitstek geschikt om door een deskundige te laten beoordelen. 4.4. Ook de overige betwistingen van het belang van [verzoekster] leiden niet tot afwijzing van het verzoek. Dat [verzoekster] nog niet duidelijk heeft gemaakt op welke grondslag zij Wagro aansprakelijk wenst te stellen – contractueel of buitencontractueel – is geen reden om het verzoek af te wijzen. De precieze kwalificatie van de rechtsbetrekking is namelijk niet van (doorslaggevend) belang bij de beoordeling van dit verzoek. De door Wagro en GHGH geopperde mogelijkheid om [verzoekster] eerst zelfstandig onderzoek naar de grond te laten verrichten – om te beoordelen of een gezamenlijk onderzoek nodig is – komt de rechtbank inefficiënt voor en leidt evenmin tot het ontbreken van belang van [verzoekster] bij dit verzoek. De rechtbank zal een voorlopig deskundigenonderzoek bevelen 4.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank een voorlopig deskundigenonderzoek zal bevelen. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de door [verzoekster] voorgestelde deskundige, maar deze voorgestelde deskundige heeft aan de rechtbank laten weten niet beschikbaar te zijn. Daarom zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om in onderling overleg een nieuwe deskundige aan te dragen, zoals hierna in 4.9 weergegeven. 4.6. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit (nog te begroten) voorschot zal daarom door [verzoekster] moeten worden betaald. De vraagstelling aan de deskundige 4.7. Wagro en GHGH hebben beiden bezwaar gemaakt tegen de door [verzoekster] voorgestelde vraagstelling aan de deskundige. Uit wat er in de stukken staat vermeld en tijdens de mondelinge behandeling is besproken maakt de rechtbank op dat de door [verzoekster] voorgestelde vraagstelling uitbreiding behoeft. Wagro heeft namelijk aangevoerd dat het niet vaststaat dat de te onderzoeken grond van haar afkomstig is en dat er onduidelijkheid bestaat over hoeveel van de bij [belanghebbende] toegepaste grond van haar afkomstig is. Voordat de te onderzoeken grond werd toegepast op de percelen van [belanghebbende] heeft [verzoekster] daar graafwerkzaamheden verricht. Bij Wagro en GHGH bestaat behoefte aan duidelijkheid over wat de invloed van deze werkzaamheden is geweest op de huidige samenstelling van de te onderzoeken grond. 4.8. Naar aanleiding van het debat tussen partijen acht de rechtbank de volgende vraagstelling passend: Kunt u conform de norm NEN 5740 of de norm AP04 onderzoek verrichten op de in paragrafen 2.6 en 2.7 in het verzoekschrift genoemde delen 2 - 5 van het perceel van [belanghebbende] en vaststellen of de bij deze locaties (aan)gebrachte grond relevante concentraties van OCB's en/of zink bevat? Mede gelet op de uitkomsten van uw onderzoek onder 1: voldoet de grond aan de EKV BRL 9335-4 (certificaat code 084742405124-EKV-4) en aan de klasse landbouw/natuur? In hoeverre speelt de contaminatie van plastic daarbij een rol? Kunt u aangeven wat de herkomst is van de onder 1 en 2 onderzochte (aangebrachte) grond? Indien de grond afkomstig is van Wagro, kunt u vaststellen of de (mogelijke) contaminaties bij Wagro al in de grond aanwezig waren of niet? Zijn er, indien er relevante concentraties zijn (normoverschrijding), verwerkers die deze grond zouden willen accepteren? Zo ja, kunt u de verwerkers bij naam noemen? Kunt u omschrijven welke voorschriften respectievelijk waarborgen in acht genomen moeten worden bij het bewerken, transporteren en verwerken van grond zoals in de onderhavige casus speelt en zijn er in dit geval aanwijzingen dat hiermee in strijd is gehandeld en, zo ja, door wie? Kun u op basis van de beschikbare informatie resp. aan de hand van de uitkomsten van het te verrichten onderzoek beoordelen of de (door ODMH aangetroffen) verontreiniging afkomstig is van/samenhangen met de van Wagro (via [verzoekster] ) door [belanghebbende] ontvangen grond of mogelijk (mede) een andere oorzaak heeft gelet op de gebruikshistorie van de percelen van [belanghebbende] en, zo nee, welke informatie moet hiervoor en door wie nog worden aangeleverd? Welke omstandigheden zijn naar uw oordeel verder van belang in verband met uw algehele onderzoek en voornoemde vragen? Partijen mogen een nieuwe deskundige aandragen en reageren op de vraagstelling 4.9. Partijen krijgen de gelegenheid om een nieuwe deskundige voor te dragen ter benoeming en om te reageren op de door de rechtbank opgestelde vraagstelling. Omwille van efficiëntie dienen partijen met elkaar te overleggen en in hun bericht aan de rechtbank te melden of de overige partijen kunnen instemmen met de hen voorgestelde deskundige. Een voorstel moet zijn voorzien van contactgegeven, waaronder in elk geval een e-mailadres waarop de rechtbank de deskundige kan bereiken. De rechtbank zal de voorgenomen deskundige benaderen en partijen per e-mail informeren over zijn of haar beschikbaarheid en – bij bereidheid tot benoeming – partijen gelegenheid geven om te reageren op het voorschot van deze deskundige. Daarna zal de rechtbank een beschikking wijzen waarin de deskundige wordt benoemd. Zelfstandig verzoek van Wagro 4.10. Wagro heeft bij haar verweerschrift een zelfstandig verzoek gedaan om [verzoekster] te veroordelen tot inzage in bepaalde stukken. Partijen hebben gelegenheid gehad om in onderling overleg te bezien of er vrijwillig aan dit verzoek kan worden voldaan. Om die reden is dit verzoek tijdens de mondelinge behandeling van 11 mei 2026 niet afdoende besproken. Volgens Wagro is [verzoekster] onvoldoende bereid om zonder voorbehoud de door haar verlangde informatie te verstrekken, zij handhaaft daarom haar verzoek. [verzoekster] meent dat juist Wagro niet in overleg wilde treden. Hoe het ook zij: [verzoekster] zal in de gelegenheid worden gesteld een schriftelijke reactie in te dienen op het inzageverzoek van Wagro. Afsplitsing van dit zelfstandig verzoek acht de rechtbank niet nodig. Na ontvangst van de reactie zal de rechtbank partijen berichten over de voortgang van de procedure. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. stelt partijen in de gelegenheid om binnen twee weken na heden een nieuwe te benoemen deskundige aan te dragen en te reageren op de vraagstelling; 5.2. stelt [verzoekster] in de gelegenheid om binnen twee weken na heden een schriftelijke reactie in te dienen op het tegenverzoek van Wagro; 5.3. houdt de beslissing voor het overige aan. Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. 2184

Similar Content