Rechtbank Den Haag, 15-07-2026 (NL25.30420)
Visum kort verblijf. Schending van de hoorplicht in bezwaar. Beroep gegrond.
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.30420 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [eiseres] , eiseres geboren op [geboortedag] 1962, van Syrische nationaliteit, (gemachtigde: mr. C.J. Ullersma), en de minister van Buitenlandse Zaken, de minister (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de minister de aanvraag van eiseres om verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 10 juni 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingediend tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft een aanvullend stuk ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. De minister is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De gemachtigde van eiseres heeft zich met voorafgaand bericht afgemeld voor de zitting. Overwegingen 1. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd. 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Besluitvorming 3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum voor kort verblijf om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Volgens de minister is de relatie tussen referent en eiseres niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum te verlaten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij over regelmatig en substantieel inkomen in Syrië beschikt om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien. Ook heeft eiseres haar sociale en/of economische binding met Syrië onvoldoende aannemelijk gemaakt. Eiseres voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor een visum voor kort verblijf. 4. In het bestreden besluit werpt de minister enkel nog het bestaan van redelijke twijfel over of eiseres tijdig zal terugkeren naar Syrië tegen. De minister stelt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale binding heeft met het land van herkomst dat tijdige terugkeer naar Syrië is gewaarborgd. De minister legt daaraan ten grondslag dat eiseres niet met objectief verifieerbare stukken heeft aangetoond dat één van haar zussen in Syrië hulpbehoevend is. Zelfs al zou dat het geval zijn, dan bestaat de mogelijkheid dat één van de nog in Syrië woonachtige broers en/of zussen de zorgtaken van eiseres kunnen overnemen. 4.1. Verder acht de minister de economische binding met Syrië gering. Eiseres heeft geen objectief verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij naast haar pensioen óók werkzaam is als consultant. Er is onvoldoende komen vast te staan dat eiseres de inkomsten die zij verkrijgt vanuit haar pensioenuitkering ook daadwerkelijk ontvangt. Al zou dat wel zo zijn, dan is het enkel ontvangen van pensioen volgens de minister onvoldoende, omdat niet is gebleken dat aanwezigheid in Syrië is vereist om de pensioenuitkering te blijven ontvangen. Er zijn verder geen op naam gestelde bankafschriften of betalingsbewijzen overgelegd of andere documenten waaruit blijkt dat eiseres een bestendige economische verbintenis heeft met een werkgever. Hiermee is het volgens de minister niet aannemelijk dat eiseres over een regelmatig en substantieel inkomen in Syrië beschikt. Het bezitten van onroerend goed is volgens de minister eveneens geen sterke economische band die tijdige terugkeer waarborgt. Eiseres kan het onroerend goed verkopen of verhuren, zelfs vanuit buiten Syrië, waardoor zij niet is gebonden om tijdig terug te keren. Dat naast de garantstelling van een vriend van referent inmiddels ook referent zelf als garantsteller kan fungeren aangezien hij een baan heeft, leidt volgens de minister niet tot een ander oordeel. 4.2. Tot slot is er volgens de minister geen sprake van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek, nu het aan eiseres is om de juiste documenten te overleggen ter staving van haar visumaanvraag en de weigeringsgronden voor een visum zijn opgenomen in artikel 31, tweede lid, van de Visumcode . Gelet op wat in de aanvraag- en bezwaarprocedure is aangevoerd, verklaart de minister het bezwaar kennelijk ongegrond. Beroepsgronden 5. Eiseres voert in beroep aan dat de minister de hoorplicht heeft geschonden en verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling . Eiseres heeft in bezwaar geprobeerd veel meer toelichting te geven op haar situatie en op de gewijzigde inkomenssituatie van referent. Als er in bezwaar was gehoord, dan had dit een ander licht kunnen werpen op de redenen voor afwijzing die is gelegen in de binding van eiseres met Syrië en daarmee het doel van het voorgenomen bezoek. Het horen in visumzaken is volgens eiseres in zijn geheel problematisch. Uit een bijgevoegd Woo -beslissingen bij het beroepschrift blijkt dat in 2024 van de ruim 12.000 ingediende bezwaren in visumzaken, slechts 24 keer een hoorzitting heeft plaatsgevonden. In 2025 heeft slechts één hoorzitting plaatsgevonden in de bijna 3000 ingediende bezwaarschriften. Deze aantallen zijn zo laag dat zonder twijfel kan worden geconcludeerd dat het uitgangspunt van de minister in deze zaken is om niet te horen en dat de minister dit eerder slechts bij uitzondering doet. 6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het bestuursorgaan voordat het op bezwaar beslist de belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Het horen in bezwaar vormt daarmee een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. 6.1. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij van horen heeft kunnen afzien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. In het verweerschrift heeft de minister aanvullend gemotiveerd dat er had mogen worden afgezien van horen in bezwaar, omdat het onduidelijk is welke inspanningen eiseres concreet heeft verricht om de ontbrekende stukken te overleggen. De stukken die ontbreken zijn volgens de minister essentieel van aard, omdat deze de sociale en economische binding van eiseres dienen te onderbouwen. Het gaat om meerdere ontbrekende stukken waar wél om is verzocht, waaronder de ‘Vragenlijst visumaanvraag’. In bezwaar is verzocht om te worden gehoord zodat eiseres en/of referent de band tussen eiseres en haar kleinkinderen nader kan onderbouwen, om over haar bijdrage in de zorg te kunnen verklaren en om nadere informatie te verschaffen. Dat kan volgens de minister het ontbreken van bewijsstukken niet oplossen. Eiseres heeft de mogelijkheid gekregen om hier in de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ over te verklaren, maar die heeft zij niet opgestuurd. Tot slot zijn er geen concrete en onderbouwde redenen gegeven waarom de benodigde stukken niet kunnen worden overgelegd. 6.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres ter staving van haar aanvraag de volgende stukken heeft ingediend: - een salaris overzicht maart 2022 van eiseres van de Syrische overheid; - het bewijs dat eiseres de functie van lerares op een school heeft bekleed in de periode 7 april tot 2 september 2021; - een familie uittreksel met vertaling dat is afgegeven op 5 augustus 2021. Op dit uittreksel staat het gezin van eiseres en haar man vermeld; - een familie uittreksel met vertaling dat is afgegeven op 5 augustus 2021. Op dit uittreksel staat het gezin van de oudste zoon van eiseres en zijn echtgenote vermeld; - een garantstelling van de heer [persoon] ; - een bewijs van eigendom van een appartement in [plaats] op naam van eiseres dat op 6 september 2021 is afgegeven door de Syrische overheid; - bewijs van een retourvliegticket; - bewijs van reisverzekering; - een kopie van alle pagina’s van het paspoort van eiseres; - een aanvraagformulier. 6.3. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres in bezwaar de volgende stukken heeft ingediend: een kopie van het paspoort van referent; een werkgeversverklaring van referent; drie loonstroken van referent; een protocol van de [universiteit] over veiligheid; een getuigschrift van eiseres over het met goed gevolg afleggen van Engelse training bij de Amerikaanse ambassade; een onvertaalde brief van de arts van de zus van eiseres waarin staat dat zij zorgbehoevend is door haar slechte zicht vermogen; een brief van de schooldirecteur waar eiseres vrijwilligerswerk doet als docent Engels door een tekort aan docenten. 6.4. Ook stelt de rechtbank vast dat eiseres door middel van haar bezwaargronden haar aanvraag nader heeft toegelicht. Zo is eiseres in de gronden van bezwaar ingegaan op haar eigen situatie, de inhoudelijke afwijzingsgronden en het doel en de omstandigheden van haar verblijf. Verder constateert de rechtbank dat eiseres nieuwe elementen in bezwaar naar voren heeft gebracht. Zo heeft eiseres de veranderde inkomenssituatie van referent toegelicht en met stukken onderbouwd en is eiseres ingegaan op de onmogelijkheid om elkaar op een andere plek te bezoeken, doordat referent toestemming van zijn werkgever nodig heeft om naar het buitenland te gaan en er geen toestemming gegeven zal worden voor landen waar een veiligheidsrisico heerst. 6.5. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en daarmee niet van het horen had kunnen afzien. De minister heeft namelijk ten onrechte geconcludeerd dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit. Zoals de rechtbank in rechtsoverwegingen 6.2.-6.4. heeft toegelicht, heeft eiseres nieuwe stukken in bezwaar ingediend en haar aanvraag nader onderbouwd in de gronden van bezwaar. Dat de minister zich op het standpunt stelt dat het onduidelijk is welke inspanningen eiseres heeft verricht om de ontbrekende stukken te overleggen volgt de rechtbank niet. In de herstelverzuimbrief van 29 maart 2023 verzoekt de minister eiseres alleen om de gronden van bezwaar in te dienen en de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ op te sturen. Uit de brief volgt dus niet dat er andere stukken ontbreken die voor de minister essentieel zijn om het bezwaar inhoudelijk te kunnen beoordelen. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat er bij de minister kennelijk nog vragen opkwamen over het economisch belang nu de minister op dat punt onderbouwing mist. De rechtbank overweegt dat het juist op de weg van de minister had gelegen om onderzoek te doen naar deze onduidelijkheden, door middel van het houden van een hoorzitting. Op een hoorzitting had de minister de gerezen vragen ofwel aan referent ofwel aan eiseres kunnen stellen en eventueel om aanvullende documenten te vragen, nu een hoorzitting daar bij uitstek geschikt voor is. 6.6. Daarbij komt dat in de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ informatie wordt opgevraagd, waarover de minister grotendeels al beschikt. Onderdelen 1 tot en met 6 gaan over de sociale en economische binding van de aanvragen met het land van herkomst. Verder gaan onderdelen 7 tot en met 9 over het geplande bezoek, de persoonsgegevens van referent en de garantstelling. De rechtbank wijst erop dat eiseres deze gegevens ook in haar bezwaarschrift nader heeft aangevuld. De rechtbank acht tot slot van belang om te benoemen dat het ontbreken van een ingevulde ‘Vragenlijst visumaanvraag’ geen formele afwijzingsgrond voor het verstrekken van een visum voor kort verblijf betreft. 6.7. De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat de minister het horen in bezwaar niet achterwege heeft kunnen laten, nu het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. 8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1,0 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 10 juni 2025; - draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. Verordening nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode. Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wet open overheid. Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.