Rechtbank Amsterdam, 16-07-2026 (13-112605-26)
Vervolgings-EAB uit Polen. Artikel 6 OLW: gelijkstelling met een Nederlander. Terugkeergarantie voldoende. Artikel 9 OLW: het recht tot strafvordering is naar Nederlands recht niet verjaard. Artikel 11 OLW: detentiegarantie voldoende. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-112605-26 Datum uitspraak: 16 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2021 door the Circuit Court in Warsaw, VIII Criminal Department , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 18 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, zijn niet verschenen. De raadsman heeft bij e-mail van 17 juni 2026 om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht omdat hij wegens ziekte is verhinderd en hij zich niet meer heeft kunnen laten vervangen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor onbepaalde tijd geschorst om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zich te laten bijstaan door zijn raadsman. Zitting van 2 juli 2026 Op deze zitting is de behandeling van het EAB opnieuw aangevangen in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een beslissing van the District Court for the capital city of Warsaw in Warsaw, V Criminal Department van 17 juni 2021, met kenmerk V Kp 487/21, PK V WZ Ds.18.2021, die strekt tot aanhouding van de opgeëiste persoon. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer - kort gezegd - voldaan is aan de vereisten dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De opgeëiste persoon is sinds 20 augustus 2018 opgenomen als EU-burger in de Basisregistratie Personen. Nu de opgeëiste persoon in het bezit is van een registratiekaart duurzaam verblijfsrecht in de Europese Unie, afgegeven op 29 mei 2026, hoeft de opgeëiste persoon niet meer aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 29 mei 2026 volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht er niet toe leiden dat hij zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is dus voldaan. Garantie De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Polen. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Polen wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De Asystent prokuratora - [persoon] Departamentu do Spraw Przestępczości Zorganizowanej i Korupcji Prokuratury Krajowej w Warszawie heeft bij e-mail van 12 juni 2026 de volgende garantie gegeven: “ In response to your request concerning the provision of a return guarantee pursuant to Article 5(3) of Framework Decision 2002/584/JHA, I hereby confirm that Polish law provides for the transfer of a sentenced person to another Member State for the execution of a custodial sentence in accordance with Framework Decision 2008/909/JHA. Accordingly, should [opgeëiste persoon] , following his surrender to Poland, be sentenced by a final and enforceable judgment to an unconditional custodial sentence, the Republic of Poland guarantees that the sentence may be transferred to and enforced in the Kingdom of the Netherlands, subject to the conditions laid down in Framework Decision 2009/909/JHA and the applicable national legislation. ” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering worden geweigerd voor een feit als naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging kan plaatshebben. In het geval van de opgeëiste persoon is daarvan, op grond van artikel 7, eerste en derde lid, in verbinding met artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht, sprake als hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daaronder wordt begrepen de situatie dat hij kan aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000, en het feit naar Nederlands recht strafbaar is hetgeen hier aan de orde is. De opgeëiste persoon wordt verdacht van de handel in drie kilogram marihuana. Gelet op artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet wordt dit aangemerkt als ‘een grote hoeveelheid’, waarvoor een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren kan worden opgelegd. Op grond van artikel 70, eerste lid en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in twaalf jaren voor misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. Het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht zou zijn gepleegd in de periode tussen oktober 2010 en 10 januari 2011. Dat betekent dat het recht tot strafvordering voor het feit uiterlijk op 11 januari 2023 is verjaard. Op grond van artikel 72, eerste lid, Sr stuit echter iedere daad van vervolging de verjaring. De rechtbank stelt vast dat de verjaring is gestuit door daden van vervolging. The District Court for the capital city of Warsaw in Warsaw, V Criminal Department heeft namelijk op 17 juni 2021 een nationaal aanhoudingsbevel tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigd. Daarnaast is op 17 november 2021 het onderhavige EAB uitgevaardigd. Daarmee is in ieder geval in 2021 - en dus voor 11 januari 2023 - een nieuwe verjaringstermijn aangevangen. Het recht tot strafvordering is naar Nederlands recht dan ook nog niet verjaard. 7 Artikel 11 OLW 7.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7.2 Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon (nog) niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat die grondrechten worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 13 mei 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en hoe de detentieomstandigheden aldaar zijn. Op 18 mei 2026 heeft de Prokurator Prokuratury Okręgowej - [persoon] Departamentu do Spraw Przestępczości Zorganizowanej i Korupcji Prokuratury Krajowej w Warszawie de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ In response to your letter (email) dated May 13, 2026, sent to the District Court in Warsaw regarding suspect [opgeëiste persoon] (EAW VIII Kop 206/21), I am kindly presenting information obtained from the Warsaw-Służewiec Detention Center, where [opgeëiste persoon] is to be held in case PK V WZ Ds.18.2021, conducted by the Masovian Branch of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Warsaw. - (…). If [opgeëiste persoon] is surrendered under a European Arrest Warrant, the local penitentiary facility can guarantee that he will be kept out of his cell for at least two hours per day, including if he expresses a desire to participate in optional activities, recreation, or a walk.” Vervolgens heeft het IRC op 3 juni 2026 de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “ Could you please also confirm that Mr. [opgeëiste persoon] will have at least 3m2 (excluding sanitary facilities) of personal space in his cell in the Warsaw-Służewiec Detention Center? ” Op 9 juni 2026 heeft de Asystent prokuratora - [persoon] Departamentu do Spraw Przestępczości Zorganizowanej i Korupcji Prokuratury Krajowej als volgt geantwoord: “In response to your email dated 3 June 2026, I would like to inform you that, following on from our previous discussions, we have contacted the correctional facility - the Warsaw-Służewiec Remand Centre. During the conversation, an officer stated that the floor space per inmate exceeds 3m2, regardless of the type of cell, i.e. single or shared. In view of the above, these conditions meet the requirements you enquired about.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de aanvullende informatie van 18 mei 2026 en 9 juni 2026 op zichzelf bezien voldoende is om het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in the Warsaw-Służewiec Detention Center zal worden gedetineerd in een cel met een oppervlakte van 3m2 en dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Echter wordt in meerdere overleveringszaken de garantie gegeven dat de betreffende opgeëiste persoon in the Warsaw-Służewiec Detention Center zal worden gedetineerd en daarbij valt op dat steeds sprake is van verschillende informatie over de tijd die een opgeëiste persoon buiten de cel kan verblijven. De Poolse officier van justitie is niet de juiste autoriteit om garanties over de detentie-instelling en de detentieomstandigheden aldaar te verstrekken. In een andere overleveringszaak heeft de rechtbank geconstateerd dat een discrepantie bestaat tussen toezeggingen van the Deputy Director van de betreffende detentie-instelling en de detentiegarantie van de Poolse officier van justitie. Omdat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in meerdere overleveringszaken waarin een detentiegarantie voor the Warsaw-Służewiec Detention Center is afgegeven en gelet op de verschillende informatie die uit die zaken volgt, heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover aanvullende informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Het algemeen gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele detentiegarantie. De Poolse autoriteiten hebben een individuele garantie afgegeven waar de opgeëiste persoon een beroep op kan doen. Dat in andere Poolse overleveringszaken niet dezelfde garanties worden gegeven maakt dat niet anders. Oordeel van de rechtbank De voor de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 18 mei 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. Uit de voornoemde detentiegarantie van 18 mei 2026 en de aanvullende informatie van 9 juni 2026 - in samenhang gelezen met de vraagstelling van het IRC van 3 juni 2026 - blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in the Warsaw-Służewiec Detention Center zal worden gedetineerd en dat meer dan 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, wordt gegarandeerd. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld , wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 m2 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen - gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. Uit de voornoemde detentiegarantie begrijpt de rechtbank dat wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon minstens twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Er zijn geen aanwijzingen dat deze individuele garantie niet kan worden nageleefd door de Poolse autoriteiten. Daarnaast ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de Poolse officier van justitie niet bevoegd was om de individuele garantie van 18 mei 2026 en de aanvullende informatie van 9 juni 2026 te verstrekken, in het bijzonder nu uit deze informatie blijkt dat de Poolse officier van justitie de informatie heeft verkregen van the Warsaw-Służewiec Detention Center , de instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na zijn overlevering zal worden gedetineerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen door de individuele detentiegarantie van 18 mei 2026 en de aanvullende informatie van 9 juni 2026. Artikel 11 OLW staat dan ook niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding van de raadsman daarom af. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Warsaw, VIII Criminal Department (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64. Rechtbank Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rechtbank Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rechtbank Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4876. Rechtbank Amsterdam 16 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3835. Rechtbank Amsterdam 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7796; Rechtbank Amsterdam 24 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10542; Rechtbank Amsterdam 30 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10797; en Rechtbank Amsterdam 18 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1764. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114. Rechtbank Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.