Rechtbank Noord-Holland, 15-07-2026 (C/15/372251)
Incident ex 194 Rv afgewezen. Ongeoorloofde fishing expedition.
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/372251/ HA ZA 25-771 Vonnis in incident van 15 juli 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , gevestigd te [plaats], eisende partij in conventie in de hoofdzaak, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. M. Blok, tegen CROWN VAN GELDER INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Velsen, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: CVGI, advocaat: mr. M.H.R.N.Y. Cordewener. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 30 producties van 24 november 2025 - de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele eis tot inzage en eis in reconventie met 4 producties, van 11 maart 2026 - de conclusie van antwoord in het incident met 11 producties van 8 april 2026 - de akte uitlaten producties in het incident van de zijde van CVGI van 13 mei 2026 - de akte uitlaten in het incident van de zijde van [eiser] van 27 mei 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 De vordering en het verweer in het incident 2.1. De hoofdzaak betreft, kort gezegd, een geschil over een overeenkomst voor de koop van drie stoomketels en toebehoren van [eiser] door CVGI. [eiser] vordert in de hoofdzaak, kort gezegd, primair een verklaring voor recht dat CVGI gehouden is de overeenkomst na te komen en een schadevergoeding ten bedrage van € 66.698,00 uit hoofde van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair vordert zij, kort gezegd, een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden danwel door de rechtbank wordt ontbonden en een schadevergoeding ten bedrage van € 1.247.816,16 uit hoofde van artikel 6:277 BW. Zowel primair als subsidiair vordert [eiser] ook betaling van rente en kosten. [eiser] legt hieraan, samengevat, ten grondslag dat op het moment dat CVGI bij brief van 3 februari 2025 de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbond (waarvan [eiser] de rechtsgeldigheid overigens betwist), het haar duidelijk was dat CVGI de bestelde zaken niet zou afnemen. Om haar schade te beperken was [eiser] vervolgens gedwongen te trachten de stoomketels met toebehoren aan een derde te verkopen. Voor twee stoomketels met toebehoren is dat gelukt, voor de derde niet. In het kader van haar primaire vordering vordert [eiser] een schadevergoeding bestaande uit een misgelopen betalingskorting van haar leverancier en opslagkosten van de derde stoomketel. In het kader van haar subsidiaire vordering vordert [eiser] deze zelfde schadeposten, plus het verschil tussen hetgeen nakoming door CVGI haar had opgeleverd en de getaxeerde restwaarde van de nog bij haar aanwezige zaken. CVGI verweert zich tegen de ingestelde vorderingen in de hoofdzaak en heeft bij conclusie van antwoord tevens een incidentele vordering ingesteld op grond van de artikelen 194 en 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 2.2. CVGI vordert bij incidente eis [eiser] te veroordelen aan CVGI en haar advocaat binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis, doch ten hoogste binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, inzage, althans kopieën, te verstrekken van: I. de gehele correspondentie tussen [eiser] en de koper van de twee stoomketels en toebehoren omtrent de verkoop van die twee stoomketels en toebehoren; II. de facturen van [eiser] zoals die ten aanzien van de verkoop van de eerste twee stoomketels en toebehoren aan die koper zijn verstrekt, waarop in ieder geval de verkoopdatum en -prijs zichtbaar zijn. met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. 2.3. CVGI stelt, samengevat, dat deze informatie noodzakelijk is voor haar om te beoordelen of [eiser] voordeel heeft behaald met de verkoop van de twee stoomketels en toebehoren aan de derde en dus om te controleren of het door [eiser] gevorderde schadebedrag juist is. Ook is de informatie nodig om opheldering te krijgen over het moment waarop [eiser] in gesprek is gegaan met de derde over de eventuele verkoop van de stoomketels met toebehoren en wanneer deze zijn verkocht en geleverd (vóór of na de ontbinding door CVGI). Op grond hiervan kan CVGI vaststellen of [eiser] wanprestatie heeft gepleegd wat haar eigen leveringsverplichtingen betreft. Volgens CVGI is voldaan aan de criteria van artikel 194 Rv en doen de weigeringsgronden van lid 2 van dit artikel zich niet voor. 2.4. [eiser] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van CVGI in de kosten van het incident. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. CVGI vermoedt kennelijk dat [eiser] de twee stoomketels met toebehoren al voor de ontbinding van de overeenkomst tussen partijen met winst aan een derde heeft verkocht, maar dat is onjuist. [eiser] heeft er geen moeite mee openheid van zaken te geven over deze verkoop en legt bij conclusie van antwoord in het incident 11 producties over die hierop zien. Uit de correspondentie volgt duidelijk dat [eiser] op 17 december 2024 een aparte bestelling voor twee stoomketels met toebehoren voor CPN heeft geplaatst bij de fabrikant (leverdata 30 april 2025 en 7 mei 2025). Eerst nadat CVGI de overeenkomst met [eiser] op 3 februari 2025 buitengerechtelijk had ontbonden, heeft [eiser] besloten om twee van de door de fabrikant voor CVGI geproduceerde en in [plaats] afgeleverde stoomketels in te zetten voor de met CPN gesloten overeenkomst en deze aan CPN te leveren. Wel verzet [eiser] zich tegen het overleggen van de gehele correspondentie met CPN. Deze vordering is onvoldoende bepaald en levert een fishing expedition op. De gevraagde correspondentie heeft ook geen betrekking op de schadeposten die [eiser] vordert, nu de twee verkochte stoomketels daarin niet zijn betrokken. Hierdoor ontbreekt ook een relevant aanknopingspunt voor de verlangde inzage en CVGI heeft evenmin toegelicht wat haar belang hierbij is. In artikel 6:100 BW is dit niet gelegen, nu geen sprake is van behaald voordeel aan de zijde van [eiser]. [eiser] stelt verder dat de incidentele vordering in strijd is met de goede procesorde, omdat het verzoek ziet op honderden (technische) e-mails met bijlagen. Het in het geding brengen hiervan levert een onredelijke vertraging van de procedure dan wel een disproportionele belasting voor [eiser] op. Er is ook sprake van misbruik van bevoegdheid door CVGI, nu zij zonder voldoende concrete aanknopingspunten informatie vordert om haar procespositie te versterken. Dat is een ongeoorloofde fishing expedition. Tot slot zijn er gewichtige redenen die zich tegen de vordering verzetten: de gehele correspondentie met de koper van de twee stoomketels bevat bedrijfsgeheimen in de zin van artikel 1 Wet bescherming bedrijfsgeheimen. 2.5. De rechtbank heeft CVGI in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of met de overlegging van de 11 nadere producties door [eiser] wat haar betreft is voldaan aan de inzagevordering. CVGI heeft daarop aangegeven dat dat voor wat betreft haar incidentele vordering onder II (de facturen) het geval is, maar niet voor haar incidentele vordering onder I (de correspondentie). [eiser] heeft weliswaar enkele e-mails en correspondentie met de koper van de twee stoomketels met toebehoren, Centrient Pharmaceuticals Netherlands B.V. (hierna: CPN), overgelegd maar die wekken eveneens de indruk dat essentiële informatie over het moment van totstandkoming van de overeenkomst tussen [eiser] en CPN nog steeds ontbreekt. Dit terwijl dit wel van belang is voor beantwoording van de vraag of [eiser] en CPN al vóór 3 februari 2025 overeenstemming hadden bereikt, en dus of [eiser] wanprestatie jegens CVGI heeft gepleegd. CVGI vordert thans nog alle correspondentie tussen [eiser] en CPN over de periode van 22 november 2024 tot en met 16 maart 2025. 2.6. [eiser] heeft hierop bij akte gereageerd en stelt dat zij reeds onverplicht een omvangrijk en representatief pakket producties heeft overgelegd die zien op de verkoop van de twee stoomketels met toebehoren aan CPN. [eiser] heeft hiermee (meer dan) voldoende openheid van zaken gegeven over het moment van totstandkoming van de verkoop aan CPN. Dit maakt niet dat de volledige verdere correspondentie relevant wordt voor de door partijen ingestelde vorderingen in conventie en reconventie, aldus [eiser]. 3 De beoordeling in het incident 3.1. De rechtbank stelt voorop dat zij begrijpt dat CVGI haar incidentele vordering bij akte van 13 mei 2026 heeft gewijzigd in die zin, dat thans alleen nog afschrift wordt gevorderd van alle correspondentie tussen [eiser] en CPN over de periode van 22 november 2014 tot en met 16 maart 2025. De rechtbank zal hierop beslissen. 3.2. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Hieruit volgen dus de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voor een geslaagd beroep op inzage (waaronder begrepen het recht op een afschrift of uittreksel): (i) degene die informatie van een ander verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking, (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn, (iii) de partij moet een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en (iv) degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken. Lid 2 van artikel 194 Rv bevat vervolgens de uitzonderingen: geen recht op inzage bestaat indien degene van wie de gegevens verzocht worden zich op een verschoningsrecht kan beroepen of indien gewichtige reden zich tegen het verstrekken van de gegevens verzetten. Evenmin mag sprake zijn van misbruik van recht en/of strijd met de eisen van een goede procesorde. Artikel 195 Rv bepaalt vervolgens dat dit inzagerecht ook via de rechter gevorderd kan worden. Het doel van het inzagerecht is om opheldering te krijgen over nog niet erkende of omstreden feiten of om de eigen rechtspositie in een reeds ontstaan of potentieel geschil nader te bepalen en om geschillen zo effectief mogelijk op te lossen. 3.3. De rechtbank zal de incidentele vordering afwijzen en overweegt daartoe als volgt. 3.4. CVGI vordert geen nakoming van de overeenkomst tussen partijen en heeft [eiser] daartoe ook niet ingebreke gesteld. Integendeel, CVGI heeft zich op 3 februari 2025 beroepen op de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst. De redenen die zij daarvoor had waren haar op dat moment bekend. Met die buitengerechtelijke ontbinding is niet meer relevant of [eiser] de overeenkomst zou hebben kunnen nakomen als CVGI in plaats van de ontbinding nakoming zou hebben gevorderd. Bovendien zijn de stellingen van CVGI over eventueel (ander) wanpresteren van [eiser] te speculatief. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] met het door haar gestelde en de daarbij overgelegde nadere producties genoegzaam aangetoond dat de overeenkomst met CPN in december 2024 is gesloten en dat zij pas nadat duidelijk werd dat CVGI niet aan haar betalingsverplichtingen kon of wilde voldoen, gezocht heeft naar een alternatieve oplossing voor de voor CVGI bestelde en reeds door [eiser] aan de leverancier betaalde stoomketels. Dat is gelukt voor twee stoomketels en deze zijn ook niet in de vordering van [eiser] betrokken. Onder deze omstandigheden heeft CVGI naar het oordeel van de rechtbank geen recht op de gevorderde informatie en levert dit een ongeoorloofde fishing expedition op. 3.5. CVGI wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 4.820,00 (€ 4.631,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 4.631,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. 3.6. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4 De beslissing De rechtbank in het incident 4.1. wijst de vordering af, 4.2. veroordeelt CVGI in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3. veroordeelt CVGI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.4. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 4.5. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 26 augustus 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie , 4.6. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026. 2009 Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35498-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust) , p. 13 en 47 (MvT) Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35498-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust) , p. 14 (MvT).